Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-02-03
ECLI:NL:GHDHA:2026:150
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.353.381/01 Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11374801 RP VERZ 24-50625 Beschikking van 3 februari 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonend in [woonplaats], verzoeker, advocaat: mr. S.B. de Jong, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen De Staat der Nederlanden , gevestigd in Den Haag, verweerder, advocaat: mr. W.C.A. van den End, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof noemt partijen hierna [verzoeker] en de Staat. 1 De zaak in het kort 1.1 De aanstelling van een ambtenaar (inmiddels werknemer) wordt beëindigd wegens disfunctioneren. In de beroepsprocedure die volgt wordt duidelijk dat het disfunctioneren mogelijk wordt veroorzaakt door (een vermoeden van) autisme. Nadat het ontslagbesluit uiteindelijk wordt teruggedraaid, onderneemt de Staat pogingen om de werknemer te plaatsen in een passende functie waarbij rekening wordt gehouden met diens beperkingen. De inspanningen van de Staat hebben niet tot een succesvolle plaatsing geleid. De werknemer verwijt de Staat onder meer te hebben gehandeld in strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) en de Klokkenluidersregeling. 1.2 Het hof oordeelt dat het mislukken van de herplaatsing niet aan de Staat te verwijten valt. De werknemer weigerde op enig moment (en na een bewogen traject) nog zijn medewerking aan het traject te verlenen, waarna sprake was van een definitief verstoorde arbeidsverhouding. De Staat heeft evenmin gehandeld in strijd met de WGBH/CZ of de Klokkenluidersregeling. De arbeidsovereenkomst is terecht ontbonden. 2 Procesverloop in hoger beroep Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 8 april 2025, is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (de kantonrechter) van 10 januari 2025. De Staat heeft een verweerschrift met producties ingediend. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] nog de producties 63 tot en met 77 toegezonden. Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 30 oktober 2025; mr. De Jong heeft daartoe zijn pleitnotitie overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 [verzoeker], geboren op [geboortedag] 1970, is sinds 24 februari 2003 in dienst bij de Staat. [verzoeker] vervulde de functie van Relatiebeheerder IT met een loon van € 6.789,93 bruto per maand en een IKB budget van 16,5%. [verzoeker] was werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). RVO valt onder het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZ) van de Staat. 3.2 De Staat heeft bij ontslagbesluit van 13 december 2017 de ambtelijke aanstelling van [verzoeker] per 1 januari 2018 beëindigd wegens disfunctioneren. De Staat heeft dit - kort gezegd – in het ontslagbesluit als volgt gemotiveerd. De oorzaak van het disfunctioneren is gelegen in de wijze waarop [verzoeker] communiceert en de middelen die hij inzet (het veelvuldig doen van meldingen van niet integer gedrag/ongewenste omgangsvormen) om zijn gelijk te krijgen. Als [verzoeker] wordt aangesproken op de wijze waarop hij communiceert of op zijn houding of gedrag, verwijt hij diegene niet integer gedrag/ongewenste omgangsvormen. Een en ander gaat voorbij aan het dienstbelang en dient slechts het persoonlijk belang van [verzoeker]. [verzoeker] heeft geen gebruik gemaakt van de aangeboden hulpmiddelen gericht op verbetering van zijn omgevingsbewustzijn/organisatiesensitiviteit, samenwerken en onderhouden van relaties. Hierdoor zijn de werksfeer en samenwerkingsverbanden verstoord geraakt. 3.3 [verzoeker] heeft bezwaar, beroep en hoger beroep aangetekend tegen het ontslagbesluit. Tijdens de procedure bij de Centrale Raad voor Beroep (CRvB) in 2021 is naar voren gekomen dat het gedrag en disfunctioneren van [verzoeker] mogelijk werden veroorzaakt door (een vermoeden van) autisme (hierna: ASS). De CRvB heeft in zijn uitspraak van 29 april 2021 de Staat daarom opgedragen een nieuw besluit te nemen met betrekking tot het ontslag. 3.4 Op 5 juli 2021 heeft de Staat [verzoeker], na overleg met hem, aangemeld bij WPEX met als doel de impact van ASS op zijn functioneren vast te stellen teneinde op basis daarvan een nieuw besluit te kunnen nemen. WPEX is een onafhankelijk expertisebureau dat (medisch) onderzoek uitvoert bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. 3.5 Op basis van het rapport van WPEX van 18 oktober 2021 heeft bedrijfsarts [bedrijfsarts 1] op 1 november 2021 vastgesteld dat de aan [verzoeker] verweten tekortkomingen voortkomen uit een medische aandoening. Lageweg heeft geadviseerd om een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) e laten opstellen door een verzekeringsarts zodat in de toekomst rekening gehouden kan worden met de beperkingen van [verzoeker] bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden. 3.6 De Staat heeft op 23 december 2021 ingestemd met het verzoek van [verzoeker] om verzekeringsarts mevrouw [verzekeringsarts] van Maedex de FML te laten opstellen. Maedex is als organisatie actief in de Arbobegeleiding en re-integratie. 3.7 De Staat heeft [verzoeker] bij brief van 21 maart 2022 bericht dat zijn dienstverband met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2018 is hersteld en dat ernaar gestreefd wordt om hem op basis van de FML te plaatsen in een passende functie. De aanstelling van [verzoeker] is (met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020) van rechtswege omgezet in een arbeidsovereenkomst vanwege de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra). 3.8 Bij brief van 12 mei 2022 heeft de Staat in aanvulling op het herstel van het dienstverband een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en bevestigd dat RVO [verzoeker] als gevolg van een medische aandoening heeft ziekgemeld voor de functie van Relatiebeheerder IT per 1 november 2021. Onderzocht zal worden of [verzoeker] duurzaam kan re-integreren. [verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen de ziekmelding. 3.9 Blijkens de terugkoppeling van 23 mei 2022 heeft bedrijfsarts [bedrijfsarts 2] zijn contactgegevens met [verzoeker] gedeeld zodat [verzekeringsarts] hem de FML kon versturen en heeft hij de Staat geadviseerd opnieuw met [verzoeker] in gesprek te gaan. 3.10 Op initiatief van leidinggevende en casemanager [casemanager] heeft het gesprek met [verzoeker] op 7 juli 2022 plaatsgevonden. In dat gesprek is onder andere afgesproken dat [verzoeker] de FML zelf aan bedrijfsarts [bedrijfsarts 2] zou mailen. 3.11 Bij e-mail van 29 september 2022 heeft de Staat [verzoeker] opnieuw verzocht om toezending van de FML aan de bedrijfsarts. Ook heeft de Staat aangeboden om verder in gesprek te gaan onder begeleiding van een mediator via het RABA. Het RABA is een onafhankelijke voorziening voor (voormalige) rijksambtenaren en adviseert bij conflicten op de werkvloer. 3.12 Bij brief van 6 oktober 2022 heeft de Staat [verzoeker] een waarschuwing gegeven omdat hij nog altijd niet had meegewerkt aan het (laten) verstrekken van de FML aan de bedrijfsarts waardoor zijn belastbaarheid niet kon worden vastgesteld. Daarnaast werd een loonstop aangekondigd als [verzoeker] de FML niet voor 17 oktober 2022 aan de bedrijfsarts zou verstrekken. Op 12 oktober 2022 heeft de gemachtigde van [verzoeker] verweer gevoerd tegen de aangekondigde loonstop. Hierna is de re-integratie stil komen te liggen; [verzoeker] kon zich niet vinden in een herplaatsing gebaseerd op re-integratie (tijdens ziekte) terwijl de Staat hieraan is blijven vasthouden gelet op de door de bedrijfsarts beoordeelde arbeidsongeschiktheid wegens een medische aandoening per 1 november 2021 (zie 3.5 en 3.8 hierboven). 3.13 Op 16 maart 2023 heeft een zitting bij de CRvB plaatsgevonden in verband met de behandeling van het bezwaar van [verzoeker] van 10 juni 2022 tegen het besluit van de Staat van 12 mei 2022 (zie hierboven onder 3.8). Ook werd op die zitting een door de Staat ingediend herzieningsverzoek behandeld. Na bemiddeling door de rechter hebben partijen zowel het bezwaarschrift als het herzieningsverzoek ingetrokken en toegezegd om weer in gesprek te gaan. 3.14 De Staat heeft na de zitting met [verzoeker] een vervolgafspraak gemaakt waarbij voldaan werd aan de volgende eisen van [verzoeker]: [verzoeker] wil alleen in gesprek als hij door een ander wordt vergezeld, doel van het gesprek is te komen tot een oplossing in het re-integratietraject, geen mediator, gesprek op een neutrale locatie, al het contact loopt via zijn gemachtigde De Hoop. 3.15 Partijen hebben op 12 april 2023 met elkaar gesproken. [verzoeker] heeft zich bereid verklaard mee te werken aan herplaatsing in een andere functie waarbij rekening wordt gehouden met zijn belastbaarheid. [verzoeker] wil buiten RVO of EZ tewerk worden gesteld. De Staat heeft ingestemd met de door [verzoeker] gewenste opheffing van zijn ziekmelding. 3.16 [verzoeker] heeft op 27 juni 2023 op verzoek van de Staat een verkennend (telefonisch) gesprek gevoerd met het Regionaal Autismecentrum (RAC) in Tilburg voor hulp bij herplaatsing. Het RAC heeft bij e-mail van 27 juni 2023 teruggekoppeld dat de situatie voor [verzoeker] complex is, dat dit voor onrust zorgt, dat hij op dit moment niet open staat voor een oriënterend gesprek en dat in de persoon gelegen factoren worden overschaduwd door de ontwikkelingen op juridisch gebied. De expertise van het RAC sluit op dit moment onvoldoende aan bij de mogelijkheden/verwachtingen van [verzoeker], aldus het RAC. 3.17 Op 9 oktober 2023 is een begeleidingstraject voor [verzoeker] gestart via het plaatsingsbureau Transferium van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) voor de duur van zes maanden. Daartoe is een begeleidingovereenkomst (ook wel: BGO) opgesteld die op 19 december 2023 is ondertekend door [casemanager], [verzoeker], de trajectmanager en de loopbaanadviseur. De inzet hierbij was om [verzoeker] te (her)plaatsen waarbij geen rekening wordt gehouden met zijn beperkingen of belastbaarheid. In het gesprek van 13 februari 2024 heeft [verzoeker] de Staat bericht dat de begeleiding goed loopt. In maart en april 2024 krijgt de Staat berichten van Transferium dat de samenwerking met [verzoeker] niet goed loopt. 3.18 Nadat [verzoeker] niet is verschenen op het op 4 juni 2024 geplande eindevaluatiegesprek heeft [casemanager] namens de Staat aan de gemachtigde van [verzoeker] geschreven: “(…). Vervolgens kreeg ik eind maart een signaal van Transferium dat [voornaam] [[verzoeker]] een integriteitsmelding tegen hen wilde doen. Toen bleef het even stil, maar op 24 april meldde Transferium dat [verzoeker] inderdaad een integriteitsmelding tegen hen had gedaan. Tot dat moment hadden ze dit nog niet aan mij gemeld omdat ze nog steeds [verzoeker] wilden helpen, maar nu zagen ze daar geen kans meer voor. Ze vertelden dat er van alles was gebeurd en dat [verzoeker] boos bij hen was weg gelopen. Het had de medewerkers zwaar geraakt! Op de privacymelding heb ik verder geen invloed. Maar afgelopen week op 4 juni is [verzoeker] dus ook niet komen opdagen bij het eindevaluatiegesprek. Ik heb het gesprek met Transferium wel gevoerd, maar dus zonder [verzoeker] en zonder dat ik het rapport heb gezien. Transferium gaf in dat gesprek aan dat ze het begeleidingstraject van [verzoeker] gingen stoppen omdat hun medewerkers emotioneel zwaar geraakt zijn en zich bedreigd voelen doordat [verzoeker] hun integriteit in twijfel trekt. Ook kost het hen inmiddels veel te veel tijd en geld. Wij staan buiten wat er bij Transferium is gebeurd. Maar dit is natuurlijk niet goed voor wat betreft de herplaatsing. Ik wil nu snel met jullie in gesprek om te kijken hoe nu verder ”. 3.19 Bij e-mail van 17 juni 2024 heeft de regiemanager van Transferium aan de Staat bericht dat Transferium heeft besloten te stoppen met het traject. Zij heeft in die e-mail geschreven: “ Na een goede start van het loopbaantraject heeft er op verzoek van [verzoeker] een wisseling van loopbaanadviseur plaats gevonden. Begin van dit jaar zijn er issues ontstaan rond uitgangspunten voor de begeleiding, zoals het zoekprofiel en de rollen van het team Transferium. (…). De heer [verzoeker] blijft echter de leden van het team (individueel) bestoken met mails en eisen. Door de heer [verzoeker] worden daarnaast uiteenlopende meldingen gedaan of acties ingezet bij diverse personen en/of instanties rond integriteit en privacy waarvan het Transferium het doel geheel ontgaat. Dit alles krijgt uiteindelijk toch flink zijn weerslag op alle betrokkenen en de uitkomst van het traject . Eind maart ontvangt de heer [verzoeker] de concept-evaluatie van het begeleidingstraject en wordt hij uitgenodigd om die op 2 april te bespreken met zijn trajectmanager en loopbaanadviseur. Al snel na aanvang van het gesprek bleek dat het bespreken van de evaluatie geen optie was voor de heer [verzoeker]. Daarna is hem gevraagd om schriftelijk te reageren op de concept-evaluatie. Na een herinnering is geen reactie ontvangen, op 4 juni jl. zou de conceptevaluatie in een 3-gesprek besproken worden (met u, de heer [verzoeker] en de trajectmanager). Met dit gesprek zou het begeleidingstraject van zes maanden worden afgesloten. de heer [verzoeker] heeft op 30 mei jl. aangegeven niet aanwezig te zijn bij dit gesprek en alleen een-op-een te willen spreken met de loopbaanadviseur en separaat de trajectmanager. Afronding van het traject op deze wijze vanuit Transferium achten wij niet meer opportuun gelet op de huidige verhoudingen.” 3.20 Op 18 juli 2024 heeft de Staat in een gesprek aan [verzoeker] bericht dat de Staat geen mogelijkheden meer ziet om [verzoeker] te plaatsen en voorgesteld om de arbeidsovereenkomst te beëindigen door middel van een vaststellingsovereenkomst. Over de Klokkenluidersmelding 3.21 [verzoeker] heeft in 2017 een integriteitsmelding gedaan over het feit dat offertes ten onrechte op zijn naam staan en zich daarbij beroepen op de klokkenluidersregeling. Bij brief van 24 april 2017 heeft secretaris-generaal drs. M.R.M. Camps bevestigd dat de naam van [verzoeker] van de offertes moet worden verwijderd. 3.22 [verzoeker] heeft in maart 2024 bij de Centrale Integriteitscoördinator gemeld dat medewerkers van Transferium schendingen hebben gepleegd. Dit heeft geleid tot een formele melding van 21 mei 2024 met betrekking tot de gang van zaken en schendingen in het loopbaantraject bij Transferium. 3.23 Op 17 oktober 2024 heeft de Functionaris voor Gegevensbescherming (de FG) van BZK (waar Transferium onder valt) naar aanleiding van de melding van [verzoeker] zijn onderzoeksrapport aan [verzoeker] gezonden. In dat rapport is vastgesteld dat de begeleidingsovereenkomst getekend is door vier personen, dat blijkt dat er gegevens zijn gedeeld met anderen buiten die begeleidingsovereenkomst, dat hiervoor geen rechtsgrond lijkt te bestaan en [dit] daarom niet voldoet aan de AVG. 3.24 Op 18 november 2024 heeft [naam] van BZK aan de Staat bericht dat de FG heeft geconstateerd dat er bij het loopbaantraject bij Transferium sprake is geweest van een onrechtmatigheid in het kader van de AVG en dat de melding van [verzoeker] daarom wordt aangemerkt als een missstand zoals bedoeld in de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk). 4 Procedure bij de kantonrechter 4.1 Bij verzoekschrift van 25 oktober 2024 heeft de Staat, voor zover in hoger beroep van belang, de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de e-grond (verwijtbaar handelen), de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) of de i-grond (een combinatie van omstandigheden genoemd in twee of meer gronden). [verzoeker] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot toekenning van een transitievergoeding en billijke vergoeding. 4.2 De kantonrechter heeft in de beschikking de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) per 1 maart 2025 en de Staat veroordeeld tot betaling aan [verzoeker] van een transitievergoeding van € 58.051,98 bruto en bepaald dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen. 5 Verzoek in hoger beroep 5.1 In hoger beroep verzoekt [verzoeker] - zakelijk weergegeven - de beschikking te vernietigen en primair de arbeidsovereenkomst te herstellen en daartoe de nodige voorzieningen te treffen en subsidiair de Staat te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding van € 1.566.420,- bruto en een bedrag van € 10.000,- als voorschot op de billijke vergoeding in verband met (toekomstige) Wtp pensioenschade, op te maken bij staat, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. 5.2 De Staat verzoekt het hof - zo begrijp het hof - het hoger beroep af te wijzen en [verzoeker] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, met wettelijke rente. 6 Beoordeling in hoger beroep 6.1 [verzoeker] heeft tegen de beschikking tien grieven geformuleerd. De grieven 1 en 2 zien op de feitenvaststelling door de kantonrechter. Met grief 8 betoogt [verzoeker] dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte ontbonden heeft; er is geen voldragen g-grond, er is ten onrechte geen rekening gehouden met het benadelingsverbod als gevolg van de klokkenluidersmelding door [verzoeker] (grieven 5 en 6) en met het toepasselijke opzegverbod ingevolge de WGBH/CZ (grief 7). Verder heeft de Staat niet voldaan aan zijn herplaatsingsverplichting (grief 3 en 4). De grieven 9 en 10 richten zich tegen de afwijzing van de billijke vergoeding en de proceskostenveroordeling. Grieven tegen de feitenvaststelling 6.2 De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen deze feitenvaststelling. [verzoeker] betoogt dat de kantonrechter niet alle feiten heeft meegewogen dan wel onvoldoende heeft meegewogen en verder is uitgegaan van onjuiste feiten in de beoordeling of er een redelijke ontslaggrond aanwezig is dan wel een billijke vergoeding verschuldigd is. Het hof heeft hierboven onder 3.1 tot en met 3.24 zelf de feiten vastgesteld die het voor de beoordeling van belang acht, op grond van wat de ene partij heeft gesteld en door de ander is erkend of niet is betwist. Daarmee is het belang van [verzoeker] bij zijn tegen de feitenvaststelling gerichte grieven komen te ontvallen. Het hof merkt daarbij ook op dat het aan de rechter is om van de vaststaande feiten (alleen) die feiten te selecteren die hij voor zijn beoordeling van het geschil en de beslissing van belang acht. In zoverre falen de tegen de feitenvaststelling gerichte grieven. Voor zover met deze grieven ook wordt geklaagd over de motivering van de kantonrechter, wordt dit hierna bij de beoordeling besproken. Verstoorde arbeidsverhouding, voldragen g-grond 6.3 [verzoeker] betwist niet op inhoudelijke gronden dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding met RVO (onderdeel van EZ), maar is van mening dat er geen verstoorde verhouding is met de andere ministeries en onderdelen die tot de Staat behoren. Het traject bij Transferium zou daarom voortgezet moeten worden, met een andere senior medewerker. Het feit dat Transferium een fout heeft gemaakt mag niet op hem worden afgewenteld, aldus [verzoeker]. 6.4 Het hof overweegt als volgt. De Staat heeft in december 2017 de ambtelijke aanstelling van [verzoeker] per 1 januari 2018 beëindigd wegens disfunctioneren en een verstoring van de werksfeer en samenwerkingsverbanden. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 29 april 2021 geoordeeld dat het gedrag en disfunctioneren van [verzoeker] mogelijk werden veroorzaakt door ASS en de Staat daarom opgedragen een nieuw besluit te nemen met betrekking tot het ontslag. De Staat heeft vervolgens getracht in kaart te brengen in hoeverre ASS invloed had op het functioneren van [verzoeker] en heeft [verzoeker] daartoe op 5 juli 2021 aangemeld bij WPEX. Op basis van het rapport van WPEX van 18 oktober 2021 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat de aan [verzoeker] verweten tekortkomingen voortkomen uit een medische aandoening en geadviseerd om een FML te laten opstellen door een verzekeringsarts zodat in de toekomst rekening gehouden kan worden met de beperkingen van [verzoeker] bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden. Vervolgens heeft de verzekeringsarts in het voorjaar van 2022 onderzoek verricht en een FML opgesteld. Nog voordat die aan de bedrijfsarts werd gezonden, is er fundamentele onenigheid ontstaan tussen de Staat en [verzoeker]. De Staat ging op basis van het advies van de bedrijfsarts van 1 november 2021 ervan uit dat [verzoeker] vanwege de medische aandoening arbeidsongeschikt was en wilde vandaaruit inzetten op re-integratie en plaatsing in een passende functie waarbij rekening zou worden gehouden met de beperkingen van [verzoeker]. [verzoeker] daarentegen stelde zich op het standpunt dat hij niet arbeidsongeschikt was en heeft daar van aanvang af bezwaar tegen gemaakt. Deze onenigheid heeft ertoe geleid dat toen [verzoeker] de FML eerst in oktober 2022 aan de bedrijfsarts stuurde, aan dat traject verder geen vervolg meer is gegeven. 6.5 Na de zitting bij de CRvB van 16 maart 2023 hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt om de herplaatsing van [verzoeker] vlot te trekken. De Staat heeft in dat verband de ziekmelding van [verzoeker] ongedaan gemaakt. Er hebben vervolgens maandelijkse gesprekken plaatsgevonden, ook om de nog openstaande arbeidsrechtelijke punten na herstel van de dienstbetrekking op te lossen. Na overeenstemming over de randvoorwaarden is een BGO gesloten en is in oktober 2023 een intensief en kostbaar herplaatsingstraject bij Transferium aangevangen voor, in eerste instantie, de duur van zes maanden. Het traject is stroef gaan verlopen toen er issues ontstonden rond de door [verzoeker] gewenste wisseling van de loopbaanadviseur en de uitgangspunten voor de begeleiding, zoals het zoekprofiel en de rollen van het team Transferium waarbij [verzoeker] de leden van het team (individueel) is gaan benaderen met mails en eisen. Dit laatste heeft [verzoeker] betwist maar hij heeft dit niet verder onderbouwd, bij voorbeeld met e-mails waaruit blijkt hoe hij zijn bezwaren dan wel heeft aangekaart. Uit de brief van Transferium van juni 2024 blijkt dat Transferium het traject niettemin zo goed mogelijk heeft willen voorzetten en de meldingen daar niet aan in de weg heeft willen laten staan. Zoals was afgesproken volgens de BGO had zij een concept evaluatie opgesteld en aan [verzoeker] toegezonden voor bespreking. [verzoeker] weigerde echter op het geplande gesprek met zijn trajectmanager en loopbaanadviseur te komen en wilde daar ook niet schriftelijk op reageren. Ook weigerde hij zijn medewerking aan het eindgesprek met de trajectmanager en [casemanager] op 4 juni 2024. Na deze gebeurtenissen, achtte Transferium in juni 2024 geen vertrouwensbasis meer aanwezig om nog verder constructief met [verzoeker] in gesprek te gaan en is het begeleidingstraject geëindigd. 6.6 Door de weigering van [verzoeker] om mee te werken aan de (eind)evaluatie van het traject - in strijd met de afspraken in de BGO - had de Staat nog altijd, sinds hij zich daar vanaf juli 2021 actief voor was gaan inspannen, geen zicht op de mogelijkheden van herplaatsing en de geschiktheid van [verzoeker] voor het verrichten van andere werkzaamheden. De conclusie moet dan ook zijn dat de Staat zich gedurende lange tijd (ruim drie jaar) heeft ingespannen voor de herplaatsing van [verzoeker], echter zonder resultaat. Na het mislukken van het herplaatsingstraject kan daarom in redelijkheid niet van de Staat worden verwacht – ook niet indien van een verzwaarde herplaatsingsplicht ingevolgde de WGBH/CZ moet worden uitgegaan – dat hij opnieuw een (kostbaar) en intensief traject bij Transferium (zoals [verzoeker] wil) of anderszins voor [verzoeker] gaat inzetten. [verzoeker] heeft ook niet toegelicht waarom, al dan niet na mediation, een hernieuwd traject bij Transferium met een andere senior manager wel kans van slagen zou hebben. Door het weigeren van [verzoeker] van zijn verdere medewerking aan het herplaatsingstraject is het vertrouwen in het herstel van een vruchtbare samenwerking komen te ontvallen en is de conclusie gerechtvaardigd dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding, waar ook mediation geen uitkomst meer kan bieden. Omdat herplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, bestrijkt de verstoring de hele Staat. Gelet op de onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding kan voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de Staat gevergd worden. Een herplaatsing in de zin van art. 7:669 lid 1 BW ligt daarom evenmin in de rede. Opzegverbod wegens handicap 6.7 [verzoeker] heeft betoogd dat de hem in 2024 verweten gedragingen (houding, gedrag en communicatie) net als in 2017 voortvloeien uit ASS, waarbij de Staat op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met ASS. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst berust op een indirect onderscheid als bedoeld in art. 1, aanhef en onder c WGBH/CZ. 6.8 Het hof gaat er voor het beroep van [verzoeker] op de WGBH/CZ van uit dat de diagnose ASS hier als handicap in de zin van de WGBH/CZ moet worden aangemerkt. Op grond van artikel 2 lid 1 WGBH/CZ rustte daarom op de Staat de verplichting te onderzoeken of aan de beperkingen waarmee [verzoeker] in het dagelijkse werk te maken had - kort gezegd: zijn gedragsproblemen -, tegemoet kon worden gekomen door het verrichten van aanpassingen zoals in deze bepaling voorzien. Daartoe rustte op hem allereerst de verplichting behoorlijk onderzoek te doen naar de aard van de aandoening en de gevolgen daarvan voor zijn dagelijkse werkzaamheden. 6.9 Na de uitspraak van de CRvB van 29 april 2021 waarin was geoordeeld dat het gedrag en disfunctioneren van [verzoeker] mogelijk werden veroorzaakt door ASS, heeft de Staat ingezet op aanmelding van [verzoeker] bij WPEX om de impact van ASS op zijn functioneren vast te stellen en is daarna aan de door [verzoeker] gewenste verzekeringsarts opdracht gegeven om een FML te laten opstellen. Zoals hiervoor is overwogen is het traject met de FML op niets uitgelopen door onenigheid tussen partijen over de al dan niet terechte ziekmelding van [verzoeker] en hebben partijen na de zitting bij de CRvB van 16 maart 2023 besloten herplaatsing op een andere wijze te realiseren. [verzoeker] heeft zich vervolgens op verzoek van de Staat gemeld bij het Regionaal Autisme Centrum, maar dit heeft niet tot resultaat geleid. Ten slotte heeft de Staat [verzoeker] een intensief herplaatsingstraject bij Transferium aangeboden en hebben partijen overeenstemming bereikt over de voorwaarden van de begeleiding en herplaatsing en hiertoe een BGO opgesteld en ondertekend. Daarbij is, naar de Staat niet bestreden heeft betoogd, uitdrukkelijk niet de wens geuit dat er rekening werd gehouden met de diagnose ASS, omdat [verzoeker] dat niet wilde. Tegen het einde van het traject, weigerde [verzoeker] zijn medewerking aan de (eind)evaluatie zodat de Staat – zoals gezegd - nog altijd geen zicht had op de mogelijkheden van herplaatsing en de geschiktheid van [verzoeker] voor het verrichten van andere of aangepaste werkzaamheden. Deze weigering kan niet aan de Staat worden verweten. Gelet op de hiergenoemde inspanningen is het hof van oordeel dat de Staat genoegzaam heeft voldaan aan zijn onderzoeksverplichting op grond van artikel 2 lid 1 WGBH/CZ. 6.10 Zoals hiervoor is overwogen is de arbeidsverhouding niet verstoord geraakt door de ASS van [verzoeker] maar doordat het herplaatstingstraject bij Transferium zonder succes werd beëindigd als gevolg van de omstandigheid dat [verzoeker], ondanks de gemaakte afspraken in de begeleidingsovereenkomst, daar niet langer zijn medewerking aan wilde verlenen, verdere herplaatsingsinspanningen in redelijkheid niet van de Staat kunnen worden gevergd en er daarmee sprake is van een definitief verstoorde arbeidsverhouding (een voldragen g-grond). Naar het oordeel van het hof heeft de Staat hiermee eveneens bewezen dat van een indirect onderscheid in de zin van de WGBH/CZ geen sprake is. Klokkenluidersmelding 6.11 [verzoeker] betoogt met de grieven 5 en 6 dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst in strijd met de klokkenluidersbeschermingsbepalingen heeft ontbonden. [verzoeker] heeft in 2016/2017 en in 2024 een melding gedaan. Gezien de keten van gebeurtenissen die in direct verband staan met elkaar sinds 2017, is er een direct verband met het ingediende ontbindingsverzoek bij de kantonrechter. De Staat heeft het tegendeel niet bewezen, aldus [verzoeker]. 6.12 Het hof gaat er bij de vraag of de wettelijke klokkenluidersbeschermingsbepalingen aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] in de weg staan, van uit dat de meldingen uit 2016/2017 en 2024 moeten worden aangemerkt als meldingen in de zin van art. 1 van de in 2023 ingevoerde Wbk en dat [verzoeker] als melder in de zin van de Wbk hier geen nadeel van mag ondervinden, bijvoorbeeld in de vorm van ontslag of het indienen van een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Een en ander betekent in het geval van [verzoeker] dat de Staat conform de in art. 17eb Wbk neergelegde bewijsregel moet aantonen dat het ontbindingsverzoek geen gevolg is van de melding, maar dat de benadeling op andere gronden dan de melding heeft plaatsgevonden. Daarbij kan de Staat niet volstaan met het ontzenuwen van het vermoeden van causaal verband tussen melding en maatregel, maar moet de Staat het tegendeel aantonen . 6.13 Het hof is van oordeel dat de Staat heeft bewezen dat er geen causaal verband bestaat tussen het ontbindingsverzoek en de melding in 2016/2017 en/of in 2024. Het hof acht geen ‘keten van gebeurtenissen aanwezig’ die in direct verband staan met elkaar sinds 2017, zoals [verzoeker] heeft betoogd, en ook geen causaal verband tussen die melding toen en het indienen van het ontbindingsverzoek in 2024. Integendeel: het hof ziet een duidelijke ‘knip’: vanaf juli 2021 is de Staat actief gaan inzetten op herplaatsing van [verzoeker], is het dienstverband hersteld, heeft de Staat in april 2023 het standpunt laten varen dat [verzoeker] arbeidsongeschikt zou zijn en is voor [verzoeker] een intensief herplaatsingstraject bij Transferium georganiseerd. 6.14 Anders dan [verzoeker] betoogt is het traject niet geëindigd als gevolg van een fout van Transferium. Hij lijkt daarmee te bedoelen dat het feit dat Transferium informatie over hem heeft gedeeld met anderen dan de ondertekenaars van de BGO, de aanleiding is voor zijn melding in 2024. Zoals hiervoor is overwogen heeft Transferium het traject ook na de melding(en) van [verzoeker] voortgezet en is het traject geëindigd door een gebrek aan medewerking van [verzoeker], in strijd met de gemaakte afspraken in de BGO. Niet gesteld of gebleken is dat die medewerking niet langer van [verzoeker] gevergd kon worden. Het eindigen van het traject zonder eindevaluatie had verder tot gevolg dat de Staat nog altijd, sinds het begin van zijn inspanningen in juli 2021, geen enkel zicht had op de mogelijkheden tot herplaatsing van [verzoeker]. Het heeft ook geleid heeft tot een definitief verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet langer van de Staat gevergd kon worden. Het ontbindingsverzoek is om die voldragen g-grond ingediend en toegewezen. Hiermee heeft de Staat bewezen dat het indienen van het ontbindingsverzoek geen causaal verband heeft met de meldingen van [verzoeker]. 6.15 Het voorgaande betekent dat het vervolgens op de weg van [verzoeker] ligt om desgewenst alsnog het causale verband te bewijzen tussen zijn melding en het ontbindingsverzoek. [verzoeker] heeft daartoe geen concreet bewijs aangeboden zodat het hof niet toekomt aan bewijslevering op dit punt. Geen ernstig verwijtbaar handelen van de Staat 6.16 [verzoeker] meent dat de Staat ernstig verwijtbaar handelen kan worden verweten, in het bijzonder door het in de hand werken van een verstoorde arbeidsrelatie, gelet op het handelen en nalaten van de Staat vanaf 2016/2017. 6.17 Het hof stelt voorop dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten slechts aan de orde is in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het handelen of nalaten van de werkgever ernstig verwijtbaar is. Het hof is van oordeel dat dat hier niet het geval is. 6.18 [verzoeker] moet worden nagegeven dat achteraf is gebleken dat het ontslagbesluit van de Staat niet in stand kon blijven omdat daarbij onvoldoende rekening was gehouden met de omstandigheid dat het gedrag en disfunctioneren van [verzoeker] mogelijk werden veroorzaakt door ASS. Dat bij [verzoeker] de diagnose ASS was gesteld, is de Staat echter pas bekend geworden in 2021, tijdens de procedure bij de CRvB. De Staat heeft in navolging van de uitspraak van de CRvB door WPEX onderzoek laten verrichten en na ontvangst van het rapport en advies van de bedrijfsarts (dat de aan [verzoeker] verweten tekortkomingen voortkomen uit een medische aandoening) het formele besluit genomen om het dienstverband te herstellen. Vervolgens heeft de Staat zich actief ingespannen voor de herplaatsing van [verzoeker] door in navolging van het advies van de bedrijfsarts een FML te laten opstellen door een verzekeringsarts. De Staat is hierbij tegemoetgekomen aan de bezwaren van [verzoeker] tegen twee opeenvolgende bedrijfsartsen en heeft ingestemd met de door [verzoeker] voorgedragen verzekeringsarts. Evenwel heeft de Staat zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [verzoeker] (per 1 november 2022) ziek was, zonder dat daar een ziekmelding van [verzoeker] aan ten grondslag lag. Hoewel [verzoeker] daar bezwaar tegen heeft gemaakt, is de Staat in dit standpunt blijven volharden waardoor herplaatsing met behulp van de FML niet van de grond is gekomen. Hoewel de Staat aannemelijk heeft gemaakt dat hij dit standpunt heeft ingenomen met het oog op de re-integratie/herplaatsing van [verzoeker], was het een onjuist standpunt en kan de Staat van deze gang van zaken en van de ongewenste vertraging die daardoor is ontstaan een verwijt worden gemaakt. De Staat is evenwel na de zitting bij de CRvB op 16 maart 2023 aan het principiële bezwaar van [verzoeker] tegemoetgekomen, heeft de ziekmelding ingetrokken en is opnieuw met [verzoeker] in gesprek gegaan om de herplaatsing vlot te trekken. [verzoeker] verwijt de Staat dat het herplaatsingstraject bij Transferium toen niet meteen is aangeboden. Dat verwijt acht het hof niet terecht. De Staat heeft maandelijkse gesprekken met [verzoeker] gevoerd (op 12 april 2023, 23 mei 2023, 19 juli 2023 en 30 augustus 2023), eerst ingezet op herstel van vertrouwen en het inventariseren en afwikkelen van door [verzoeker] gewenste openstaande punten (van arbeidsvoorwaardelijke aard in verband met het herstel van de dienstbetrekking) en heeft in redelijkheid kunnen menen om eerst te bezien of het RAC hier iets in kon betekenen. Toen in juli 2023 bleek dat dat niet het geval was, is [verzoeker] al in augustus 2023 aangemeld bij Transferium. Daarna is - mede op verzoek van [verzoeker] - nog gesproken over de randvoorwaarden en zijn deze neergelegd in de BGO. Medio oktober 2023 is het traject bij Transferium gestart. Het hof is van oordeel dat de Staat hier voortvarend heeft gehandeld. Zoals hiervoor is overwogen is het traject van Transferium beëindigd doordat [verzoeker] daaraan niet langer zijn medewerking wilde verlenen. Het niet slagen van dat traject kan daarom niet aan de Staat worden verweten. Het hof is van oordeel dat het hierboven genoemde handelen van de Staat noch afzonderlijk, noch in onderling verband bezien als ernstig verwijtbaar kan worden aangemerkt. Conclusie en proceskosten 6.19 De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoeker] niet slaagt. Daarom zal het hof de beschikking bekrachtigen. Het hof zal [verzoeker] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. 6.20 Die proceskosten worden begroot op: griffierecht € 827,- salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II) nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.596,- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing . 7 Beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 10 januari 2025; veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 3.596,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoeker] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald; bepaalt dat als [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoeker] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevraagd. Deze beschikking is gegeven door mrs. M.D. Ruizeveld, R.G.C. Veneman en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier. Hoge Raad 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:190