Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-02-17
ECLI:NL:GHDHA:2026:145
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummers hof : 200.346.943/01 en 200.353.717/01 Zaaknummer kantonrechter Rotterdam : 10605485 CV EXPL 23-19909 Zaaknummer rechtbank Midden Nederland : C/16/580373 / KG ZA 24-437 Arrest van 17 februari 2026 in de zaak met nummer 200.346.943/01 van 1 [appellante 1] B.V, gevestigd in [vestigingsplaats 1], 2. [appellante 2] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats 2], appellanten, advocaat: mr. L. Bijl, kantoorhoudend in Hoorn, tegen Federatie Nederlandse Vakvereniging , gevestigd in Utrecht, verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. Mastenbroek, kantoorhoudend in Groningen, en in de zaak met nummer 200.346.943/01 van Federatie Nederlandse Vakvereniging, gevestigd in Utrecht, appellante, advocaat: mr. Mastenbroek, kantoorhoudend in Groningen, tegen 1 [appellante 1] B.V, gevestigd in Rotterdam, 2. [appellante 2] B.V., gevestigd in Rhoon, verweersters in hoger beroep, advocaat: mr. L. Bijl, kantoorhoudend in Hoorn. Het hof zal partijen hierna [appellante 1], [appellante 2] en FNV noemen. 1 De zaak in het kort [appellante 1] en [appellante 2] zijn op vordering van FNV veroordeeld tot nakoming van de cao Beroepsgoederenvervoer, op straffe van een dwangsom. FNV heeft executoriaal beslag gelegd omdat [appellante 1] en [appellante 2] volgens FNV niet aan het vonnis voldoen. [appellante 1] en [appellante 2] hebben bij de voorzieningenrechter met succes de tenuitvoerlegging het vonnis laten schorsen. In dit arrest gaat het in de bodemzaak onder meer over de vraag of [appellante 2] onder de werkingssfeer van de cao valt en of het vonnis van de kantonrechter voldoende duidelijk is om ten uitvoer te kunnen leggen. In de kortgedingzaak heeft FNV aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter heeft geschorst. 2 Procesverloop in hoger beroep In de zaak met nummer 200.346.943/01 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 16 augustus 2024 waarmee [appellante 1] en [appellante 2] in hoger beroep zijn gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 24 mei 2024; de memorie van grieven van [appellante 1] en [appellante 2], met bijlagen; de memorie van antwoord van FNV, met bijlagen. In de zaak met nummer 200.535.717/01 2.2 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de spoedappeldagvaarding (met grieven) van 19 november 2024 waarmee FNV in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 22 oktober 2024 (hierna: het kortgedingvonnis); de akte uitlating en overlegging productie van FNV; de incidentele vordering tot verwijzing en voeging tevens memorie van antwoord van [appellante 1] en [appellante 2], met bijlagen; de conclusie van antwoord in het incident van FNV; het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 maart 2025, met zaaknummer 200.348.578/01, waarbij de zaak is verwezen naar dit hof voor een gezamenlijke behandeling met de hoofdzaak. In beide zaken 2.3 Op 16 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in beide zaken, waarbij de advocaten de zaken hebben toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. Deze zijn toegevoegd aan het procesdossier en maken daarvan deel uit. 3 Feiten en procedure in eerste aanleg 3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. i) FNV is partij bij de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de cao). De cao is van 29 september 2021 tot en met 31 december 2022 en van 13 januari 2023 tot en met 31 december 2023 algemeen verbindend verklaard. ii) In de uittreksels van de Kamer van Koophandel staat dat [appellante 1] als activiteit heeft ‘goederenvervoer over de weg’ en dat [appellante 2] als activiteit heeft ‘groothandel’ in diverse voedingswaren. iii) Bij brieven van 28 juli 2022 heeft de Stichting VNB, die is belast met de controle op d Op 10 september 2024 heeft FNV executoriaal beslag laten leggen op een aantal voertuigen van [appellante 1]. 3.5 Bij dagvaarding van 11 september 2024 hebben [appellante 1] en [appellante 2] de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland primair verzocht om het vonnis van de kantonrechter te schorsen, en/of de dwangsommen op te heffen, te schorsen en/of te matigen tot nihil, en/of FNV te verbieden het vonnis ten uitvoer te leggen, een en ander op straffe van een dwangsom. Subsidiair hebben [appellante 1] en [appellante 2] gevorderd (voor zover [appellante 1]/[appellante 2] enig bedrag aan loon aan de chauffeurs moet(en) betalen) dat FNV, hangende het hoger beroep, gedoogt dat de te veel betaalde verblijfkosten worden verrekend met het nog te betalen loon. Daarnaast hebben zij gevorderd dat FNV het executoriaal beslag van 10 september 2024 opheft, dat de tenuitvoerlegging van het executoriaal beslag wordt geschorst, of dat FNV wordt verboden de voertuigen te verkopen hangende het hoger beroep van [appellante 1] en [appellante 2], alle vorderingen op straffe van een dwangsom. 3.6 De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat FNV een onvoldoende concreet en zwaarwegend belang heeft bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter, met uitzondering van de veroordeling tot betaling van schadevergoeding aan FNV. Het vonnis van de kantonrechter is daarom in zoverre geschorst. Voor het overige zijn de vorderingen van [appellante 1] en [appellante 2] afgewezen. Beoordeling in hoger beroep De bodemzaak met nummer 200.346.943/01 3.7 In de bodemzaak hebben [appellante 1] en [appellante 2] geconcludeerd dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen en FNV zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [appellante 1] en [appellante 2] op grond van het vonnis aan FNV hebben betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van FNV in de proceskosten in beide instanties. FNV heeft geconcludeerd tot (kort gezegd) bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante 1] en [appellante 2] in de proceskosten in hoger beroep. 3.8 Met grief 1 klagen [appellante 1] en [appellante 2] dat [appellante 2] niet onder de werkingssfeer van de cao valt. 3.9 Art. 2 van de cao bepaalt het volgende: “Werkingssfeer 1. Deze overeenkomst is van toepassing op: a. Alle werkgevers en werknemers van in Nederland gevestigde ondernemingen die vergunningplichtig vervoer krachtens de Wet wegvervoer goederen (…) verrichten, en/of die tegen vergoeding geheel of ten dele vervoer verrichten anders dan van personen, over de weg of over andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen. b. (…) 2. a. De overeenkomst is niet van toepassing op ondernemingen die: - een eigen CAO dienen toe te passen; ofwel - een eigen bedrijfstak CAO dienen toe te passen; ofwel - over een eigen vastgelegd arbeidsvoorwaardenpakket beschikken. Daarbij worden de volgende voorwaarden gesteld: - Het niveau van voormelde regelingen dient tenminste gelijkwaardig te zijn aan het niveau van de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen en; - De hoofdactiviteit van de onderneming is een andere dan beroepsgoederenvervoer over de weg, logistieke dienstverlening of verhuur van mobiele kranen. 2. b. De hoofdactiviteit van de onderneming is een andere dan beroepsgoederenvervoer over de weg, logistieke dienstverlening of de verhuur van mobiele kranen, wanneer in de regel niet meer dan 20% van de omzet met voornoemde activiteiten wordt gerealiseerd. (…)” 3.10 FNV heeft over de toepasselijkheid van de cao op [appellante 2] in eerste aanleg het volgende gesteld. [appellante 1] en [appellante 2] oefenen beide een transportbedrijf uit. De ondernemingen zijn bij de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten en ten aanzien van de inzet van personeel met elkaar verweven. Veel van de transportopdrachten van [appellante 1] worden uitgevoerd door het personeel dat in dienst is bij [appellante 2]. [app Het gaat [appellante 1] feitelijk om het antwoord op de vraag of zij er alles aan heeft gedaan om redelijkerwijs te voldoen aan de door de rechtbank uitgesproken veroordeling om art. 19 van de cao na te leven. De vraag of [appellante 1] het vonnis heeft uitgevoerd of dat zij dwangsommen heeft verbeurd vanwege het niet (volledig) uitvoeren van het vonnis, kan niet aan het hof worden voorgelegd in het kader van het hoger beroep tegen het vonnis waarin de veroordeling is uitgesproken. 3.18 Over de verblijfkosten hebben [appellante 1] en [appellante 2] aangevoerd dat [appellante 1] aan de chauffeurs een verblijfskostenvergoeding van € 40,- netto per dag betaalt, terwijl de omvang van de vergoeding had moeten worden bepaald aan de hand van een cao-staffel. In een aantal gevallen is de feitelijk uitbetaalde vergoeding hoger dan de vergoeding die [appellante 1] op grond van de cao had moeten betalen. [appellante 1] en [appellante 2] zijn van mening dat [appellante 1] de te veel betaalde verblijfskostenvergoeding moet kunnen verrekenen met het nog te betalen loon. Daarop ziet haar subsidiaire vordering in hoger beroep, zoals weergegeven in 3.5. 3.19 Ook hier geldt dat [appellante 1] en [appellante 2] niet klagen over het vonnis zelf, maar over de wijze waarop het vonnis ten uitvoering zou moeten worden gelegd. Daarvoor is in dit hoger beroep geen plaats. Het hof verwijst overigens naar nr. 26 van de memorie van antwoord, waarin FNV schrijft: “Dat de verwijskostenvergoeding (verblijfskostenvergoeding, hof ) van € 40,- per dag die betaald is, in mindering kan komen op een en ander, is wat FNV betreft ook geen discussiepunt.” Het hof leidt hieruit af dat de gewenste verrekening niet langer een discussiepunt is. 3.20 Over de overuren hebben [appellante 1] en [appellante 2] aangevoerd dat FNV zich pas tijdens het kort geding op het standpunt heeft gesteld dat [appellante 1] geen overuren zou hebben vergoed en daarvan slechts één voorbeeld heeft gegeven. Na het kort geding heeft [appellante 1] een en ander gecontroleerd en, voor zover nodig, gecorrigeerd. Naar het oordeel van het hof volgt uit deze stellingen niet dat het vonnis van de kantonrechter onduidelijk, onvolledig of onuitvoerbaar is. 3.21 De slotsom is dat, anders dan [appellante 1] en [appellante 2] aanvoeren, de kantonrechter de vordering van FNV niet had hoeven af te wijzen op de grond dat deze onduidelijk, onvolledig, weinig concreet of onuitvoerbaar was. Grief 2 is dus ongegrond. 3.22 Met grief 3 klagen [appellante 1] en [appellante 2] over de door de kantonrechter toegewezen wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Naar het oordeel van het hof zijn er gronden om de wettelijke verhoging te matigen maar niet verder dan tot 35%. [appellante 1] en [appellante 2] zijn weliswaar aan de slag gegaan met aanpassingen aan de loonadministratie maar pas na diverse aanmaningen van VNB en FNV, zodat de betrokken werknemers onnodig lang moe(s)ten wachten op de nabetalingen. Wat betreft de wettelijke rente geldt dat een ingebrekestelling niet nodig is omdat de voldoening van het loon (en bijbehorende vergoedingen) is gebonden aan een bepaalde termijn (art. 7:616 BW in verbinding met art. 6:83 aanhef en onder a BW). De stelling van [appellante 1] en [appellante 2] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om naast de wettelijke verhoging ook de wettelijke rente te vorderen, is niet toegelicht. Daarom verwerpt het hof die stelling. De conclusie is dat grief 3 ongegrond is. 3.23 Met grief 4 voeren [appellante 1] en [appellante 2] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat FNV recht heeft op een dwangsom van € 250,- per dag per overtreding, als [appellante 1] en [appellante 2] niet binnen vier weken aan de veroordelingen voldoen. Volgens [appellante 1] en [appellante 2] heeft FNV bij e-mail van 16 juli 2024 toegezegd dat de dwangsommen niet zouden worden geïnd zolang goed wordt meegewerkt aan het uitvoeren van het vonnis. Zij zijn van mening d Voor zover zij van mening zijn dat het uurtarief van € 175,- te hoog is omdat dit erop zou neerkomen dat een fulltime medewerker € 30.000,- per maand zou verdienen, zien zij eraan voorbij dat dit uurtarief niet rechtstreeks aan de desbetreffende werknemer wordt doorbetaald, maar dat het te doen gebruikelijk is dat in dit tarief meerdere (ook organisatorische) kosten worden verdisconteerd. Grief 5 is dus ongegrond. 3.29 Met grief 6 klagen [appellante 1] en [appellante 2] dat de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Zij voeren aan dat zij in eerste aanleg niet of nauwelijks verweer hebben gevoerd, dat het vonnis onvoldoende duidelijkheid biedt over wat [appellante 1] en [appellante 2] moeten doen en dat FNV misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om het vonnis te executeren. De grief faalt. De door [appellante 1] en [appellante 2] genoemde omstandigheden spelen geen rol bij het antwoord op de vraag of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard. De grief is dus ongegrond. 3.30 De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante 1] en [appellante 2] niet slaagt, met uitzondering van de grief over de wettelijke verhoging. Daarom zal het hof het vonnis op dit punt vernietigen en voor het overige bekrachtigen. Grief 7, waarin [appellante 1] en [appellante 2] klagen dat zij zijn veroordeeld in de proceskosten, faalt omdat zij in eerste aanleg nog steeds hebben te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Ook in hoger beroep zal het hof [appellante 1] en [appellante 2] als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten. Deze kosten in hoger beroep worden begroot op € 798,- aan griffierechten, € 2.580,- aan salaris advocaat (tarief II, 2 punten) en € 189,- aan nakosten. In totaal komt dit uit op € 3.567,-. De kortgedingzaak met zaaknummer 200.353.717/01 3.31 In de kortgedingzaak heeft FNV geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [appellante 1] en [appellante 2], met veroordeling van hen in de proceskosten in beide instanties. [appellante 1] en [appellante 2] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van FNV in de proceskosten in hoger beroep. 3.32 Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft FNV toegelicht dat zij nog steeds belang heeft bij het hoger beroep tegen het kortgedingvonnis. De reden hiervoor is niet alleen gelegen in de ten laste van FNV uitgesproken proceskostenveroordeling, maar ook in de precedentwerking die mogelijk van dat vonnis zal uitgaan. 3.33 Het uitgangspunt is dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis kan worden ten uitvoer gelegd. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat voor het slagen van een vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad moet komen vast te staan (a) dat het ten uitvoer te leggen vonnis berust op een kennelijke misslag of (b) dat het belang van [appellante 1] en [appellante 2] bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van FNV bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter in rov. 4.5 van het kortgedingvonnis op goede gronden beslist dat van een kennelijke misslag in het vonnis van de kantonrechter geen sprake is. 3.34 De grieven 1 en 2 van FNV zijn gericht tegen de door de voorzieningenrechter uitgevoerde belangenafweging. FNV heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er bij tenuitvoerlegging een faillissementssituatie voor [appellante 1] en [appellante 2] dreigt. De voorzieningenrechter heeft overwogen in dat verband van belang is dat het vonnis van 24 mei 2024 geen uitsluitsel geeft over een aantal cruciale punten die partijen verdeeld houden, waaronder de vraag in welke loonschaal de werknemers hadden moeten worden ingedeeld. FNV betoogt dat [appellante 1] en [appellante 2] op grond va 3.39 Voor zover [appellante 1] en [appellante 2] meer tijd nodig menen te hebben om de benodigde informatie (die zij deels moeten opvragen bij in het buitenland wonende oud-werknemers) te bemachtigen en zij op grond daarvan vragen om opheffing van de dwangsom of opschorting van de looptijd, had deze vordering aanhangig moeten worden gemaakt bij de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen in rov. 4.13 van het kortgedingvonnis. 3.40 De conclusie is dat de grieven 1 en 2 gegrond zijn. 3.41 Met grief 3 voert FNV aan dat de voorzieningenrechter had moeten beoordelen of de dwangsommen zijn verbeurd. FNV is van mening dat dat het geval is, omdat deze verbeurd zijn vanaf vier weken na betekening van het vonnis van 24 mei 2024. Volgens FNV zijn er nog steeds niet de juiste berekeningen verstrekt. Deze grief hangt samen met de subsidiaire vordering van [appellante 1] en [appellante 2] dat het executoriaal beslag van 10 september 2024 wordt opgeheven, de tenuitvoerlegging van het executoriaal beslag wordt geschorst en/of dat FNV wordt verboden de voertuigen hangende het hoger beroep van [appellante 1] en [appellante 2] te verkopen, een en ander op straffe van een dwangsom. Die vordering moet het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep beoordelen. 3.42 [appellante 1] en [appellante 2] hebben in eerste aanleg in verband met hun subsidiaire vordering aangevoerd dat zij geen dwangsommen hebben verbeurd omdat FNV bij e-mail van 16 juli 2024 heeft toegezegd geen aanspraak te zullen maken op dwangsommen zolang medewerking zou worden verleend. Voor zover er wel dwangsommen zijn verbeurd, zijn zij van mening dat FNV misbruik van haar bevoegdheid maakt omdat [appellante 1] en [appellante 2] alle medewerking verlenen aan de uitvoering die redelijkerwijs van hen kan worden verlangd. 3.43 Het hof stelt voorop dat FNV’s toezegging bij e-mail van 16 juli 2024 niet inhoudt dat er na betekening van het vonnis in de bodemzaak geen dwangsommen zouden worden verbeurd als [appellante 1] en [appellante 2] goed zouden meewerken, maar slechts dat FNV daarop geen aanspraak zou maken. Uit het exploot van 22 augustus 2024 volgt impliciet dat FNV op dat moment van mening was dat zij niet langer aan die toezegging was gebonden omdat, zo blijkt uit haar stellingen in deze procedure en de procedure in de bodemzaak, [appellante 1] en [appellante 2] in haar ogen niet voldoende medewerking verlenen. Dat het exploot uitsluitend is uitgebracht om [appellante 1] en [appellante 2] te forceren om akkoord te gaan met de hoogste loonschaal voor alle medewerkers, is niet onderbouwd. Uit de stellingen van FNV blijkt veeleer dat FNV van mening is dat [appellante 1] en [appellante 2] op meerdere punten niet voldoen aan het vonnis. 3.44 Naar het oordeel van het hof heeft FNV evenmin misbruik van recht gemaakt door de dwangsommen te executeren. Anders dan [appellante 1] en [appellante 2] aanvoeren, kan niet worden gezegd dat zij redelijkerwijs alles hebben gedaan om het vonnis te goeder trouw uit te voeren. Zo heeft FNV er terecht op gewezen dat [appellante 1] en [appellante 2] in verband met de kwestie van de inschaling hun oud-werknemers hebben aangeschreven om nadere informatie over hun arbeidsverleden toe te sturen, maar in de e-mails die zij aan hun oud-werknemers hebben gestuurd, niet hebben vermeld om welke reden zij deze informatie nodig hebben. Dat er vervolgens nauwelijks werknemers hebben gereageerd, kan dan ook niet verbazen. Verder geldt voor [appellante 2], dat zij zelf heeft erkend nog geen enkele berekening te hebben verstrekt omdat zij van mening is dat zij niet onder de werkingssfeer van de cao valt. Dat standpunt is onjuist, zoals hiervoor al is geoordeeld. Dat [appellante 2] meende dat het vonnis in de bodemzaak op dit punt zou worden vernietigd – terwijl dit nu anders uitpakt –, komt voor haar rekening en risico. 3.45 Kortom, de subsidiaire vordering tot opheffing of schorsing van het execu