Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-29
ECLI:NL:GHDHA:2026:144
Afdeling strafrecht Rolnummer: 22-003455-22 Parketnummer: 09-171903-22 Datum uitspraak: 27 januari 2026 TEGENSPRAAK arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 november 2022 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], adres: [woonadres], [woonplaats]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 5 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 8 juli 2022 te Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de kruising tussen/van de Oranje Nassausingel en de Thorbeckestraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend als volgt te handelen: hij, verdachte, aldaar, - heeft gereden terwijl hij drugs, te weten cannabis, had gebruikt en/of (vervolgens) - tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden, althans met een mobiele telefoon een verbinding met een andere telefoon tot stand heeft gebracht, althans (een) handeling(en) met of aan een mobiele telefoon heeft verricht en/of - gedurende langere periode heeft gereden met een (zeer) hoge snelheid, althans een hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan en/of - voorafgaand aan het naderen van voornoemd kruispunt, rijdend op de N207, met zeer hoge snelheid de bocht heeft genomen en/of - ( vervolgens) een aldaar voor zijn rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en/of (vervolgens) - terwijl hij met (zeer) hoge snelheid reed andere voertuigen zowel rechts als links heeft ingehaald en/of (vervolgens) - zonder zijn snelheid te verminderen heeft gereden met een snelheid gelegen tussen de 122 km/uur en 134 km/u, althans een snelheid hoger dan de toegestane maximum snelheid ter plaatse van 70 km/uur - waarna hij met zijn motorrijtuig in botsing is gekomen met een aldaar overstekende fietsster, waardoor een ander, te weten voornoemde fietsster genaamd [slachtoffer]werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 WVW 1994. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 8 juli 2022 te Alphen aan den Rijn , in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de kruising tussen/ van de Oranje Nassausingel en Het hof is – met de rechtbank – van oordeel dat als (primaire) oorzaak van het ongeval moet worden aangemerkt dat de verdachte de maximumsnelheid fors heeft overschreden bij het naderen en oprijden van het kruispunt Oranje Nassausingel - Thorbeckestraat. De verdachte heeft daardoor de overstekende [slachtoffer] over het hoofd gezien en/of niet tijdig voor haar kunnen remmen en is met haar in botsing gekomen. Uit het vermijdbaarheidsonderzoek blijkt dat [slachtoffer] de overzijde van de weg had kunnen halen als de verdachte zich aan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid had gehouden. Het ontstaan van het ongeval is daarom toe te rekenen aan de forse snelheidsovertreding van de verdachte. Hoewel het ongeval evenmin zou hebben plaatsgevonden als [slachtoffer] niet door rood zou zijn gereden, staat deze omstandigheid niet aan de redelijke toerekening in de weg. Daarbij betrekt het hof dat de door de verdachte (ook) op de plaats van het ongeval in zeer forse mate overschreden maximumsnelheid er juist (mede) toe strekt tijdig te kunnen anticiperen en reageren op het gedrag van andere verkeersdeelnemers. De mate van schuld Het hof stelt voorop dat in het algemeen geldt dat onder schuld als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan, die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid (zie HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rechtsoverweging 2.6.1). Hierbij moet worden opgemerkt dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de schuldvorm “roekeloosheid” moet worden aangemerkt als “de zwaarste vorm van het culpose delict”. Roekeloosheid Op 1 januari 2020 is de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten in werking getreden. Daarbij heeft de wetgever nader omschreven waarin de roekeloosheid bij ernstige verkeersdelicten kan bestaan. Daartoe is het bestaande begrip roekeloosheid in artikel 175 lid 2, laatste zin, WVW 1994 gekoppeld aan de strafbaarstelling van zeer gevaarlijk rijgedrag (zonder gevolgen) in het bij deze wet ingevoerde artikel 5a WVW 1994 (zie HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405, rechtsoverweging 2.7.1). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van die wet kan worden afgeleid dat met het toevoegen van de slotzin van artikel 175 lid 2 in samenhang met de invoering van artikel 5a WVW 1994 is beoogd een nadere invulling te geven aan het begrip roekeloosheid voor die gevallen waarin een verdachte wordt vervolgd voor overtreding van artikel 6 WVW 1994 en de schuld volgens de tenlastelegging bestaat in roekeloosheid. Als de betreffende tenlastelegging is toegesneden op een of meer van de in artikel 5a lid 1 WVW 1994 omschreven gedragingen, verdient bij zo’n vervolging aandacht dat niet alleen overtreding van artikel 5a WVW 1994 uit de bewijsvoering moet blijken, maar dat daaruit ook moet blijken dat ten aanzien van de in artikel 6 WVW 1994 gestelde vereisten, in het bijzonder ten aanzien van de schuld aan het verkeersongeval en de gevolgen daarvan ook de overige delictsbestanddelen van de overtreding van artikel 6 WVW 1994 zijn vervuld (zie HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405, rechtsoverweging 2.7.2). Verder kan uit die totstandkomingsgeschiedenis worden afgeleid dat ook na de inwerkingtreding van die wet roekeloosheid in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft behouden, die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat daaronder in het normale taalgebruik in de betekenis van ‘onberaden’ moet worden verstaan. De wetgever heeft niet een definitie van roekeloosheid willen introduceren, maar heeft wel via artikel 5a WVW 1 Ook heeft de verdachte tijdens zijn rit met (te) hoge snelheid een bocht genomen, heeft hij (met hoge snelheid) rechts ingehaald en heeft hij op in ieder geval één eerder kruispunt dan waar het ongeval plaatsvond een rood verkeerslicht genegeerd. De verdachte is vervolgens het kruispunt Oranje Nassausingel - Thorbeckestraat genaderd met een snelheid van tussen de 122 tot 134 kilometer per uur. Op het kruispunt is hij in botsing gekomen met [slachtoffer], die op een elektrische fiets het kruispunt opreed. [slachtoffer] is ten gevolge daarvan ter plaatse overleden. Uit de gegevens van de airbagmodule leidt het hof af dat de verdachte op het moment van de botsing met een snelheid van ongeveer 132 kilometer per uur reed, waar op voornoemd kruispunt maximaal 70 kilometer per uur was toegestaan. Het hof acht dan ook – anders dan de rechtbank - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de gedragingen genoemd in de tenlastelegging onder het derde tot en met zevende gedachtestreepje voorafgaand aan de botsing heeft begaan. Omdat de wetgever met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten nadrukkelijk ook heeft beoogd een nadere invulling te geven aan het begrip roekeloosheid voor die gevallen, waarin een verdachte wordt vervolgd voor overtreding van artikel 6 WVW 1994, dient naar het oordeel van het hof het geheel van de verkeersgedragingen van de verdachte, en dus ook de verkeersgedragingen voorafgaande aan de botsing, bij de beoordeling van de mate van schuld van de verdachte te worden betrokken. Dat alleen de ten tijde van het ongeval gereden snelheid als (primaire) oorzaak van het ongeval dient te worden beschouwd, staat daar niet aan in de weg. In ernstige mate? De eerste vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of de verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft overtreden. In de memorie van toelichting bij eerdergenoemde wet wordt onder meer overwogen dat als is komen vast te staan dat verdachte een of meer verkeersovertredingen heeft begaan waardoor zeer gevaarlijke situaties zijn ontstaan en bijgevolg door de verdachte onaanvaardbare risico’s zijn genomen, dat gedrag welhaast per definitie het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels oplevert. In deze zaak gaat het, zoals hiervoor is overwogen, om één gedraging die in direct oorzakelijk verband staat tot het ongeval, namelijk het overschrijden van de maximumsnelheid. Het gaat hier om een voor de verkeersveiligheid zeer belangrijke verkeersregel, die de verdachte in aanzienlijke mate heeft overschreden: hij reed 132 kilometer per uur, waar maximaal 70 kilometer per uur was toegestaan. Dit rechtvaardigt het oordeel dat ten aanzien van deze gedraging op zichzelf beschouwd al sprake was van het in ernstige mate schenden van een verkeersregel. Bovendien heeft de verdachte, zoals hiervoor is vastgesteld, tijdens de voorafgaande rit bij voortduring dan wel bij herhaling (veel) te hard gereden, rechts ingehaald en is hij door rood licht gereden. Dit gedrag vond plaats op een weg met veel gelijkvloerse kruisingen, voorzien van verkeerslichten, op een tijdstip dat er ook andere verkeersdeelnemers waren. Het is evident dat wanneer tijdens een rit de verkeersregels voortdurend en/of bij herhaling worden overtreden de kans op een (ernstig) verkeersongeluk toeneemt. Het hof is van oordeel dat er voorafgaand aan het ongeval sprake is van een samenstel van gedragingen waardoor de verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden. Opzettelijk? Het opzet van de verdachte moet zowel zijn gericht op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de ged Zijn rijbewijs was ongeldig verklaard omdat hij niet tijdig de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer had gevolgd. Het CBR had hem deze maatregel opgelegd omdat hij zich onverantwoord had gedragen in het verkeer: hij nam een bocht te ruim en reed met een te hoge snelheid. Gelet op de aard en de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur en een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid. Het hof heeft daarbij aansluiting gezocht bij hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd en in dat licht bezien is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf te hoog is. De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij, nadat zijn voorlopige hechtenis op 7 juli 2024 werd geschorst, lange tijd dakloos is geweest en dat hij sinds kort met hulp van de gemeente [gemeente] op het gebied van huisvesting en dagbesteding zijn leven weer op de rit probeert te krijgen. Ook heeft hij naar voren gebracht dat hij in verband met de gevolgen van het feit waarvoor hij in deze zaak wordt vervolgd onder behandeling staat van een psycholoog. Tot slot heeft de verdachte gedurende de behandeling van zijn zaak in hoger beroep niet alleen zijn proceshouding gewijzigd, maar ook er blijk van gegeven in te zien welke verstrekkende gevolgen zijn verkeersgedrag voor anderen heeft gehad en nog steeds heeft. Het hof is - alles afwegende en met de rechtbank - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen. Het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen is geboden om enerzijds recht te doen aan de ernst van het feit en anderzijds om de veiligheid van overige verkeersdeelnemers te beschermen. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren . Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht. Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, mr. A