Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-02-03
ECLI:NL:GHDHA:2026:130
Afdeling strafrecht Rolnummer: 22-004272-24 Parketnummer: 09-755091-12 Datum uitspraak: 3 februari 2026 TEGENSPRAAK arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen – na terugverwijzing door de Hoge Raad – op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 april 2016 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, BRP-adres: [woonadres], [woonplaats], ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [verblijfplaats 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden – het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde onder: - feit 1 eerste cumulatief/alternatief; - feit 1 tweede cumulatief/alternatief voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 1 ([bedrijf 1]), 2, 7, 13, 16, 17 en 21; - feit 2; - feit 3 eerste cumulatief/alternatief voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 1 ([bedrijf 1]) , 2, 7, 13, 14, 16, 17, 21; - feit 5 voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 2, 7, 15, 17, 21 en de laatste drie gedachtestreepjes onder het kopje ‘overig’. De verdachte is ter zake van hetgeen overigens aan hem is tenlastegelegd, te weten: - feit 1 tweede cumulatief/alternatief (zaaksdossier 1); - feit 3 (zaaksdossiers 1 en 14); - feit 4 primair; - feit 5 (zaaksdossier 1 en de eerste twee gedachtestreepjes onder het kopje ‘overig’) en - feit 6, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen en ten aanzien van het beslag, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Dit gerechtshof heeft in hoger beroep bij arrest van 11 juli 2022 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. Hierbij zijn het openbaar ministerie en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van: - feit 1 eerste cumulatief/alternatief; - feit 1 tweede cumulatief/alternatief voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 1 ([bedrijf 1]) 2, 7, 13, 16, 17 en 21; - feit 2; - feit 3 eerste cumulatief/alternatief voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 1 ([bedrijf 1]), 2, 7, 13, 14, 16, 17, 21; - feit 5 voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 2, 7, 15, 17, 21 en de laatste drie gedachtestreepjes onder het kopje ‘overig’. Ten aanzien van het aan de verdachte tenlastegelegde onder: - feit 1 tweede cumulatief/alternatief; - feit 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief; - feit 4 primair; - feit 5 eerste cumulatief/alternatief; en - feit 6, is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen inzake de vorderingen van de benadeelde partijen en ten aanzien van het beslag. Namens de verdachte is tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 17 december 2024 het arrest van het gerechtshof vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen over de onder 3 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde verduistering en de strafoplegging, met uitzondering van de voor feit 4 opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de voor feit 5 uitgesproken verbeurdverklaring. De Hoge Raad heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder 3 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde (de verduistering). De zaak is naar dit gerechtshof teruggewezen teneinde deze ten aanzien van de strafoplegging opn Ook ten aanzien van het witwassen geldt dat de verdachte zich enkel heeft laten leiden door eigen geldelijk gewin en geen oog heeft gehad voor de belangen van anderen, bijvoorbeeld slachtoffers, werknemers en katvangers, die allen met grote schulden achterbleven. Daarnaast houden dergelijke witwaspraktijken het plegen van criminele activiteiten in stand en bevorderen die praktijken die criminele activiteiten. Witwassen vormt bovendien een ernstige bedreiging van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de integriteit van het financiële handelsverkeer . Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Dit heeft ook plaatsgevonden nadat de in deze zaak bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd, zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het hof heeft daarmee rekening gehouden. Gelet op de aard, omvang en ernst van de bewezenverklaarde strafbare feiten kan naar het oordeel van het hof, anders dan zoals bepleit door de raadsman, niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof is van oordeel dat gezien de relatieve ouderdom van de zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Het hof neemt echter in aanmerking dat de verdachte, anders dan bij de rechtbank en bij de eerste inhoudelijke behandeling door dit hof, nu meer het strafwaardige en het laakbare van zijn handelen lijkt in te zien. Ook is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de verdachte zijn leven inmiddels een positieve wending lijkt te hebben gegeven. Na het volgen van systeemtherapie heeft de verdachte de keuze gemaakt om vanuit detentie te beginnen aan een opleiding. De verdachte volgt momenteel de opleiding tot psychosociaal counselor (hbo-niveau). Uit een aan het hof overgelegd bericht van een medewerker van Team onderwijs van het [verblijfplaats 2] blijkt dat de verdachte een sterke motivatie en betrokkenheid bij zijn studie toont. De verdachte is voornemens in de nabije toekomst te starten met de deeltijdopleiding HBO bachelor Toegepaste Psychologie en daarnaast stage te lopen. De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat de penitentiaire inrichting hem hiervoor ook de ruimte geeft in de vorm van verlof. Voorts heeft het hof acht geslagen op een reclasseringsrapport van 25 oktober 2024, welke is opgemaakt ten behoeve van een andere – hoewel grotendeels betrekking hebbend op soortgelijke feiten – strafzaak tegen de verdachte. Uit dit rapport komt onder meer naar voren dat er bij de verdachte al vanaf 23-jarige leeftijd een patroon van delictpleging bestaat in de sfeer van de in deze zaak bewezenverklaarde feiten. Ook constateert de reclassering een groot aantal risicoverhogende factoren. Beschermende factoren ziet de reclassering eveneens op veel leefgebieden, veelal ontstaan onder invloed van de corrigerende werking van detentie. De reclassering rapporteert dat de verdachte integer overkomt in zijn proces van afstand nemen van criminaliteit, waarbij hij zijn langdurige delictgedrag erkent. Dit is het hof ook gebleken ter terechtzitting in hoger beroep. Een andere beschermende factor is het behouden van de huisvesting van de verdachte, evenals de relatie met zijn partner en gezin. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte nog steeds op dagelijkse basis contact heeft met zijn gezin, waarbinnen hij na detentie weer welkom is. Het hof is met inachtneming van de hiervoor geschetste omstandigheden van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden een passende en geboden reactie vormt. Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de besch