Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-29
ECLI:NL:GHDHA:2026:1290
Strafrecht
Hoger beroep
15,899 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1290 text/xml public 2026-05-04T14:45:49 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-29 22-003960-23 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1290 text/html public 2026-05-04T14:44:51 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1290 Gerechtshof Den Haag , 29-04-2026 / 22-003960-23 Cyberkamer. Witwassen van zeer grote geldbedragen door het bouwen van een opslagplaats ('stashruimte'). Encrochat-verweren. Hof stelt vast dat rechter-commissaris in afwijking van bekendgemaakt kader verzoek tot gebruik van 26Lemont-dataset heeft beoordeeld en goedgekeurd en daarbij niet de maatstaf van proportionaliteit en subsidiariteit op juiste wijze heeft toegepast. Het geschonden belang betreft het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer dat aan de orde is bij het onderzoek aan grote gegevensverzamelingen waarin de persoonsgegevens zijn opgenomen van onder meer personen tegen wie op het moment van het vergaren van die gegevens (nog) niet een vermoeden van betrokkenheid bij een strafbaar feit bestaat en wellicht ook nimmer zal ontstaan. Beoordeling van het criterium dat bij het bepalen van de ernst van het vormverzuim mede betekenis dient te worden toegekend aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan. Het hof volstaat met de constatering van het verzuim. Uit de chatberichten van ver na de vermoedelijke bouwdatum van de stashruimte kan niet de wetenschap voorafgaand aan of tijdens het bouwen van de stashruimte worden afgeleid. Het dossier bevat bovendien enkele contra-indicaties voor de aanwezigheid van bedoelde wetenschap van verdachte ten tijde van het bouwen van de verborgen ruimte. Vrijspraak. Rolnummer: 22-003960-23 Parketnummer: 71-174246-21 Datum uitspraak: 29 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in de [verblijfplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat: 1. primair hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders, van meerdere geldbedragen, te weten: - een geldbedrag van in totaal €16.608.045 (inkomend van 4 maart 2020 tot en met 29 april 2020) en/of; - een geldbedrag van in totaal €4.568.890 (uitgaand van 4 maart 2020 tot en met 29 april 2020) en/of; - een geldbedrag van in totaal €12.579.380 (aangetroffen op 1 mei 2020) althans van enige geldbedragen, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is of het voorhanden heeft en/of meerdere geldbedragen, te weten: - een geldbedrag van in totaal €16.608.045 (inkomend van 4 maart 2020 tot en met 29 april 2020) en/of; - een geldbedrag van in totaal €4.568.890 (uitgaand van 4 maart 2020 tot en met 29 april 2020) en/of; - een geldbedrag van in totaal €12.579.380 (aangetroffen op 1 mei 2020) althans van enige geldbedragen, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van deze geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat deze geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: Een of meer personen, waaronder [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] , in of omstreeks de periode van 4 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, althans eenmaal van meerdere geldbedragen, te weten - een geldbedrag van in totaal €16.608.045 (inkomend van 4 maart 2020 tot en met 29 april 2020) en/of; - een geldbedrag van in totaal €4.568.890 (uitgaand van 4 maart 2020 tot en met 29 april 2020) en/of; - een geldbedrag van in totaal €12.579.380 (aangetroffen op 1 mei 2020) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren en/of dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt terwijl die personen wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en zij van het plegen van dit misdrijf een gewoonte hebben gemaakt, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf /welke misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 december 2019 tot en met 2 april 2020 te Eindhoven althans in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, doordoor in de woning [adres] een verborgen ruimte te bouwen. 2. hij in of omstreeks de periode van 1 december 2019 tot en met 1 mei 2020 te Eindhoven, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 6] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Geldigheid van de dagvaarding De raadsman heeft aangevoerd dat de tenlastelegging van feit 2 een nietigheid bevat. De advocaat-generaal heeft immers aangegeven dat de verdachte door middel van zijn contact met de [medeverdachte 1] deelnam aan de criminele organisatie, terwijl [medeverdachte 1] zelf niet is genoemd als deelnemer van de criminele organisatie. De aanduiding ‘onder andere’ is onduidelijk. Hoewel de raadsman geen preliminair verweer heeft gevoerd doch dit als onderdeel van het inhoudelijke verweer ten aanzien van feit 2 heeft opgebracht, overweegt het hof volledigheidshalve als volgt. Uit het dossier blijkt in voldoende mate dat de verdachte contact had met de [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] kan op zijn beurt in verband worden gebracht met de in de tenlastelegging genoemde personen. Daarmee is de tenlastelegging tegen de achtergrond van het gehele dossier voldoende duidelijk, en wordt het beroep op nietigheid van de tenlastelegging verworpen. Bespreking Encrochat-verweren De raadsman heeft de in eerste aanleg gevoerde ‘EncroChat-verweren’ in hoger beroep uitdrukkelijk niet langer gehandhaafd.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1290 text/xml public 2026-05-04T14:45:49 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-29 22-003960-23 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1290 text/html public 2026-05-04T14:44:51 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1290 Gerechtshof Den Haag , 29-04-2026 / 22-003960-23 Cyberkamer. Witwassen van zeer grote geldbedragen door het bouwen van een opslagplaats ('stashruimte'). Encrochat-verweren. Hof stelt vast dat rechter-commissaris in afwijking van bekendgemaakt kader verzoek tot gebruik van 26Lemont-dataset heeft beoordeeld en goedgekeurd en daarbij niet de maatstaf van proportionaliteit en subsidiariteit op juiste wijze heeft toegepast. Het geschonden belang betreft het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer dat aan de orde is bij het onderzoek aan grote gegevensverzamelingen waarin de persoonsgegevens zijn opgenomen van onder meer personen tegen wie op het moment van het vergaren van die gegevens (nog) niet een vermoeden van betrokkenheid bij een strafbaar feit bestaat en wellicht ook nimmer zal ontstaan. Beoordeling van het criterium dat bij het bepalen van de ernst van het vormverzuim mede betekenis dient te worden toegekend aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan. Het hof volstaat met de constatering van het verzuim. Uit de chatberichten van ver na de vermoedelijke bouwdatum van de stashruimte kan niet de wetenschap voorafgaand aan of tijdens het bouwen van de stashruimte worden afgeleid. Het dossier bevat bovendien enkele contra-indicaties voor de aanwezigheid van bedoelde wetenschap van verdachte ten tijde van het bouwen van de verborgen ruimte. Vrijspraak. Rolnummer: 22-003960-23 Parketnummer: 71-174246-21 Datum uitspraak: 29 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in de [verblijfplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat: 1. primair hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders, van meerdere geldbedragen, te weten: - een geldbedrag van in totaal €16.608.045 (inkomend van 4 maart 2020 tot en met 29 april 2020) en/of; - een geldbedrag van in totaal €4.568.890 (uitgaand van 4 maart 2020 tot en met 29 april 2020) en/of; - een geldbedrag van in totaal €12.579.380 (aangetroffen op 1 mei 2020) althans van enige geldbedragen, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is of het voorhanden heeft en/of meerdere geldbedragen, te weten: - een geldbedrag van in totaal €16.608.045 (inkomend van 4 maart 2020 tot en met 29 april 2020) en/of; - een geldbedrag van in totaal €4.568.890 (uitgaand van 4 maart 2020 tot en met 29 april 2020) en/of; - een geldbedrag van in totaal €12.579.380 (aangetroffen op 1 mei 2020) althans van enige geldbedragen, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van deze geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat deze geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: Een of meer personen, waaronder [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] , in of omstreeks de periode van 4 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, althans eenmaal van meerdere geldbedragen, te weten - een geldbedrag van in totaal €16.608.045 (inkomend van 4 maart 2020 tot en met 29 april 2020) en/of; - een geldbedrag van in totaal €4.568.890 (uitgaand van 4 maart 2020 tot en met 29 april 2020) en/of; - een geldbedrag van in totaal €12.579.380 (aangetroffen op 1 mei 2020) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren en/of dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt terwijl die personen wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en zij van het plegen van dit misdrijf een gewoonte hebben gemaakt, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf /welke misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 december 2019 tot en met 2 april 2020 te Eindhoven althans in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, doordoor in de woning [adres] een verborgen ruimte te bouwen. 2. hij in of omstreeks de periode van 1 december 2019 tot en met 1 mei 2020 te Eindhoven, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 6] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Geldigheid van de dagvaarding De raadsman heeft aangevoerd dat de tenlastelegging van feit 2 een nietigheid bevat. De advocaat-generaal heeft immers aangegeven dat de verdachte door middel van zijn contact met de [medeverdachte 1] deelnam aan de criminele organisatie, terwijl [medeverdachte 1] zelf niet is genoemd als deelnemer van de criminele organisatie. De aanduiding ‘onder andere’ is onduidelijk. Hoewel de raadsman geen preliminair verweer heeft gevoerd doch dit als onderdeel van het inhoudelijke verweer ten aanzien van feit 2 heeft opgebracht, overweegt het hof volledigheidshalve als volgt. Uit het dossier blijkt in voldoende mate dat de verdachte contact had met de [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] kan op zijn beurt in verband worden gebracht met de in de tenlastelegging genoemde personen. Daarmee is de tenlastelegging tegen de achtergrond van het gehele dossier voldoende duidelijk, en wordt het beroep op nietigheid van de tenlastelegging verworpen. Bespreking Encrochat-verweren De raadsman heeft de in eerste aanleg gevoerde ‘EncroChat-verweren’ in hoger beroep uitdrukkelijk niet langer gehandhaafd.
Volledig
Wel heeft hij gesteld dat enige tijdens de behandeling van deze strafzaak door het openbaar ministerie op verzoek van het hof overgelegde, en nadien aan het dossier toegevoegde, stukken vragen oproepen die beantwoording verlangen. Het betreft de toestemming van een rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam van 5 oktober 2020 voor het gebruik van data/informatie uit het onderzoek 26Lemont (verder te noemen “Lemont’) ten behoeve van het onderzoek 26Lembre (verder te noemen ‘Lembre’), en het ‘Proces-verbaal verantwoording aanmelding en toewijzing tot verstrekking informatie aan onderzoek Lembre’ van 11 juli 2024. Voornoemde toestemming houdt zakelijk weergegeven in dat de rechter-commissaris akkoord gaat met de (verdere) analyse en het gebruik van data/informatie uit onderzoek Lemont ten behoeve van het onderzoek Lembre. Het verzoek van 1 oktober 2020, dat aan deze toestemming ten grondslag lag, houdt – voor zover relevant – in: “Tijdens de doorzoeking in het kader van onderzoek 26RoyalOak, dat met uw toestemming op de lijst staat, in de woning van [medeverdachte 4] (hof: hier en hierna zal steeds bedoeld zijn: [medeverdachte 4] ), is een bedrag van 12,5 miljoen euro aangetroffen en een Encrochattoestel van de Encrochatgebruiker [gebruikersnaam 1] (in gebruik bij [medeverdachte 4] ). Uit onderzoek aan het toestel komt naar voren dat [gebruikersnaam 1] 5 contacten heeft opgeslagen in zijn telefoontoestel en dat hij met die contacten ( [gebruikersnaam 2] , [gebruikersnaam 3] , [gebruikersnaam 4] , [gebruikersnaam 5] en [gebruikersnaam 6] ) spreekt over het brengen en ophalen van geld. [medeverdachte 4] treedt op als de bewaker van het geld. De verdenking jegens zijn contacten is dat ze zich schuldig maken aan gewoontewitwassen. Er wordt o.a. gesproken door zijn contacten over het in contanten aanvoeren van ruim 16 miljoen euro en het laten ophalen van 4 miljoen euro in contanten bij hem. [medeverdachte 4] moest aan [gebruikersnaam 2] hierover verantwoording afleggen. Onderzoek 26Lembre richt zich op deze tegencontacten van [gebruikersnaam 1] en bovengenoemde verdenking. Het verzoek is dan ook om de chats ook te mogen gebruiken in onderzoek 26Lembre.” Uit het dossier blijkt dat de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam op 27 maart 2020 een algemene machtiging op grond van de artt. 126uba en 126t Sv heeft verleend waarin hij de volgende aanvullende voorwaarden heeft verbonden aan het gebruik van de in het onderzoek Lemont verkregen EncroChat-informatie: “4. De vergaarde informatie/communicatie kan slechts worden onderzocht met toepassing van de in een proces-verbaal vastgelegde zoeksleutels (woordenlijsten) welke zullen worden opgeslagen en bewaard ten behoeve van mogelijk latere reproductie of onderzoek, zulks met uitzondering van de onderzoeken waarin reeds is vastgesteld dat er sprake is van in georganiseerd verband gepleegde strafbare feiten, welke onderzoeken zijn vermeld op een voor aanvang van de inzet van het middel, aan de rechter-commissaris over te leggen lijst; 6. De vergaarde informatie/communicatie wordt na het onderzoek door middel van voornoemde zoeksleutels na maximaal twee weken aangeboden aan de rechte-commissaris om de inhoud, omvang en relatie tot de vermoedelijk gepleegde of te plegen strafbare feiten te controleren en zal niet eerder ter beschikking worden gesteld aan het Openbaar Ministerie of de politie ten behoeve van (opsporings)onderzoeken; 7. De vergaarde informatie/communicatie zal slechts ter beschikking worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk, een en ander voor zover die onderzoeken niet behoren tot die welke op de reeds voor aanvang van de inzet van het middel aan de rechter commissaris overgelegde lijst zijn vermeld.” Vervolgens heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam in een proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2020 – naar het hof begrijpt omdat er op dat moment geen sprake meer was van een uitdrukkelijke bevoegdheid in het Wetboek van Strafvordering waar dit op gebaseerd kon worden – vastgesteld dat voor toekomstige onderzoeken de officier van justitie gehouden was (en is) ook die voor te leggen aan de rechter-commissaris zodat telkens een rechterlijke toetsing plaatsvindt op het gebruik van informatie/data ten behoeve van onderzoeken/zaken die dienen te voldoen aan het criterium dat er sprake dient te zijn van ernstige, het maatschappelijk verkeer ontwrichtende strafbare feiten, gepleegd in georganiseerd verband, zoals benoemd in artikel 126o van het Wetboek van Strafvordering. In dit proces-verbaal worden vervolgens voorwaarden genoemd die aan de machtiging van 27 maart 2020 waren verbonden, waaronder de hiervoor genoemde. Tenslotte is door deze rechter-commissaris in dit proces-verbaal vastgesteld dat ook na expiratie van de machtiging zal worden getoetst of de strafbare feiten die (in een ander onderzoek) worden onderzocht, voldoen aan voornoemde criteria. In het reeds aangehaalde ‘Proces-verbaal verantwoording aanmelding en toewijzing tot verstrekking informatie aan onderzoek Lembre’ van 11 juli 2024 is de volgende algemene informatie opgenomen: “Van belang om op te merken is dat in de periode van de live-fase en de maanden daarna de door de rechter-commissaris verleende instemming niet op de communicatie van afzonderlijke Encrochat gebruikers zag. Er werd in die tijd geen toestemming gegeven tot het analyseren van een specifieke A-kader of A/B kader of meer. Het strafrechtelijk onderzoek en/of de strafbare feiten werden aan de rechter-commissaris voorgelegd, waarna de rechter-commissaris toestemming gaf om het georganiseerd verband verder te onderzoeken rondom de gebruikers en/of imei nummers die van belang waren voor dat strafrechtelijk onderzoek. Geruime tijd na de live-fase in 2021 is de rechter-commissaris specifiek instemming gaan verlenen tot verstrekking van informatie dat was beperkt tot een afgegeven kader van een EncroChat gebruiker (A, A/B of A/B/C). In het onderhavige strafrechtelijke onderzoek Lembre is het onderzoek voorgelegd aan de rechter-commissaris met als doel toestemming te vragen om het georganiseerde verband te mogen onderzoeken aan de hand van de contactenlijst van het EncroChat toestel dat onder verdachte in RoyalOak in beslag was genomen. In die contactenlijst waren vijf concrete Encrochat gebruikers opgenomen. Gelet op de toetsing van de rechter-commissaris en zijn verleende instemming van 5 oktober 2020, was het onderzoeksteam toegestaan om het georganiseerde verband waarin deze vijf Encrochat gebruikers opereerden nader te onderzoeken.” Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich in vergelijkbare zin uitgelaten. Het hof begrijpt uit hetgeen hiervoor is aangehaald dat er op een zeker moment – welk moment dat was valt op basis van de informatie in het dossier niet vast te stellen – naast of in plaats van het beoordelingskader zoals opgenomen in de machtiging van 27 maart 2020 en herhaald in het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2020, een beoordelingskader in gebruik is genomen dat specifieke gebruikersaccounts als uitgangspunt neemt, waar dan vervolgens ‘cirkels’ van directe en eventueel indirecte contacten omheen worden getrokken, waarvan het berichtenverkeer in het betreffende onderzoek gebruikt mocht worden. Het bevreemdt het hof dat een dergelijke significante aanpassing van het beoordelingskader niet expliciet door de rechter-commissaris in de vorm van een proces-verbaal van bevindingen (zoals bijvoorbeeld dat van 20 september 2020) lijkt te zijn neergelegd. In voornoemd proces-verbaal van 11 juli 2024 wordt geconcludeerd dat de rechter-commissaris met zijn toestemming van 5 oktober 2020 het onderzoeksteam heeft toegestaan om het georganiseerde verband van de vijf Encrochat-gebruikers (uit de contactenlijst van de inbeslaggenomen telefoon) nader te onderzoeken.
Volledig
Wel heeft hij gesteld dat enige tijdens de behandeling van deze strafzaak door het openbaar ministerie op verzoek van het hof overgelegde, en nadien aan het dossier toegevoegde, stukken vragen oproepen die beantwoording verlangen. Het betreft de toestemming van een rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam van 5 oktober 2020 voor het gebruik van data/informatie uit het onderzoek 26Lemont (verder te noemen “Lemont’) ten behoeve van het onderzoek 26Lembre (verder te noemen ‘Lembre’), en het ‘Proces-verbaal verantwoording aanmelding en toewijzing tot verstrekking informatie aan onderzoek Lembre’ van 11 juli 2024. Voornoemde toestemming houdt zakelijk weergegeven in dat de rechter-commissaris akkoord gaat met de (verdere) analyse en het gebruik van data/informatie uit onderzoek Lemont ten behoeve van het onderzoek Lembre. Het verzoek van 1 oktober 2020, dat aan deze toestemming ten grondslag lag, houdt – voor zover relevant – in: “Tijdens de doorzoeking in het kader van onderzoek 26RoyalOak, dat met uw toestemming op de lijst staat, in de woning van [medeverdachte 4] (hof: hier en hierna zal steeds bedoeld zijn: [medeverdachte 4] ), is een bedrag van 12,5 miljoen euro aangetroffen en een Encrochattoestel van de Encrochatgebruiker [gebruikersnaam 1] (in gebruik bij [medeverdachte 4] ). Uit onderzoek aan het toestel komt naar voren dat [gebruikersnaam 1] 5 contacten heeft opgeslagen in zijn telefoontoestel en dat hij met die contacten ( [gebruikersnaam 2] , [gebruikersnaam 3] , [gebruikersnaam 4] , [gebruikersnaam 5] en [gebruikersnaam 6] ) spreekt over het brengen en ophalen van geld. [medeverdachte 4] treedt op als de bewaker van het geld. De verdenking jegens zijn contacten is dat ze zich schuldig maken aan gewoontewitwassen. Er wordt o.a. gesproken door zijn contacten over het in contanten aanvoeren van ruim 16 miljoen euro en het laten ophalen van 4 miljoen euro in contanten bij hem. [medeverdachte 4] moest aan [gebruikersnaam 2] hierover verantwoording afleggen. Onderzoek 26Lembre richt zich op deze tegencontacten van [gebruikersnaam 1] en bovengenoemde verdenking. Het verzoek is dan ook om de chats ook te mogen gebruiken in onderzoek 26Lembre.” Uit het dossier blijkt dat de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam op 27 maart 2020 een algemene machtiging op grond van de artt. 126uba en 126t Sv heeft verleend waarin hij de volgende aanvullende voorwaarden heeft verbonden aan het gebruik van de in het onderzoek Lemont verkregen EncroChat-informatie: “4. De vergaarde informatie/communicatie kan slechts worden onderzocht met toepassing van de in een proces-verbaal vastgelegde zoeksleutels (woordenlijsten) welke zullen worden opgeslagen en bewaard ten behoeve van mogelijk latere reproductie of onderzoek, zulks met uitzondering van de onderzoeken waarin reeds is vastgesteld dat er sprake is van in georganiseerd verband gepleegde strafbare feiten, welke onderzoeken zijn vermeld op een voor aanvang van de inzet van het middel, aan de rechter-commissaris over te leggen lijst; 6. De vergaarde informatie/communicatie wordt na het onderzoek door middel van voornoemde zoeksleutels na maximaal twee weken aangeboden aan de rechte-commissaris om de inhoud, omvang en relatie tot de vermoedelijk gepleegde of te plegen strafbare feiten te controleren en zal niet eerder ter beschikking worden gesteld aan het Openbaar Ministerie of de politie ten behoeve van (opsporings)onderzoeken; 7. De vergaarde informatie/communicatie zal slechts ter beschikking worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk, een en ander voor zover die onderzoeken niet behoren tot die welke op de reeds voor aanvang van de inzet van het middel aan de rechter commissaris overgelegde lijst zijn vermeld.” Vervolgens heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam in een proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2020 – naar het hof begrijpt omdat er op dat moment geen sprake meer was van een uitdrukkelijke bevoegdheid in het Wetboek van Strafvordering waar dit op gebaseerd kon worden – vastgesteld dat voor toekomstige onderzoeken de officier van justitie gehouden was (en is) ook die voor te leggen aan de rechter-commissaris zodat telkens een rechterlijke toetsing plaatsvindt op het gebruik van informatie/data ten behoeve van onderzoeken/zaken die dienen te voldoen aan het criterium dat er sprake dient te zijn van ernstige, het maatschappelijk verkeer ontwrichtende strafbare feiten, gepleegd in georganiseerd verband, zoals benoemd in artikel 126o van het Wetboek van Strafvordering. In dit proces-verbaal worden vervolgens voorwaarden genoemd die aan de machtiging van 27 maart 2020 waren verbonden, waaronder de hiervoor genoemde. Tenslotte is door deze rechter-commissaris in dit proces-verbaal vastgesteld dat ook na expiratie van de machtiging zal worden getoetst of de strafbare feiten die (in een ander onderzoek) worden onderzocht, voldoen aan voornoemde criteria. In het reeds aangehaalde ‘Proces-verbaal verantwoording aanmelding en toewijzing tot verstrekking informatie aan onderzoek Lembre’ van 11 juli 2024 is de volgende algemene informatie opgenomen: “Van belang om op te merken is dat in de periode van de live-fase en de maanden daarna de door de rechter-commissaris verleende instemming niet op de communicatie van afzonderlijke Encrochat gebruikers zag. Er werd in die tijd geen toestemming gegeven tot het analyseren van een specifieke A-kader of A/B kader of meer. Het strafrechtelijk onderzoek en/of de strafbare feiten werden aan de rechter-commissaris voorgelegd, waarna de rechter-commissaris toestemming gaf om het georganiseerd verband verder te onderzoeken rondom de gebruikers en/of imei nummers die van belang waren voor dat strafrechtelijk onderzoek. Geruime tijd na de live-fase in 2021 is de rechter-commissaris specifiek instemming gaan verlenen tot verstrekking van informatie dat was beperkt tot een afgegeven kader van een EncroChat gebruiker (A, A/B of A/B/C). In het onderhavige strafrechtelijke onderzoek Lembre is het onderzoek voorgelegd aan de rechter-commissaris met als doel toestemming te vragen om het georganiseerde verband te mogen onderzoeken aan de hand van de contactenlijst van het EncroChat toestel dat onder verdachte in RoyalOak in beslag was genomen. In die contactenlijst waren vijf concrete Encrochat gebruikers opgenomen. Gelet op de toetsing van de rechter-commissaris en zijn verleende instemming van 5 oktober 2020, was het onderzoeksteam toegestaan om het georganiseerde verband waarin deze vijf Encrochat gebruikers opereerden nader te onderzoeken.” Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich in vergelijkbare zin uitgelaten. Het hof begrijpt uit hetgeen hiervoor is aangehaald dat er op een zeker moment – welk moment dat was valt op basis van de informatie in het dossier niet vast te stellen – naast of in plaats van het beoordelingskader zoals opgenomen in de machtiging van 27 maart 2020 en herhaald in het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2020, een beoordelingskader in gebruik is genomen dat specifieke gebruikersaccounts als uitgangspunt neemt, waar dan vervolgens ‘cirkels’ van directe en eventueel indirecte contacten omheen worden getrokken, waarvan het berichtenverkeer in het betreffende onderzoek gebruikt mocht worden. Het bevreemdt het hof dat een dergelijke significante aanpassing van het beoordelingskader niet expliciet door de rechter-commissaris in de vorm van een proces-verbaal van bevindingen (zoals bijvoorbeeld dat van 20 september 2020) lijkt te zijn neergelegd. In voornoemd proces-verbaal van 11 juli 2024 wordt geconcludeerd dat de rechter-commissaris met zijn toestemming van 5 oktober 2020 het onderzoeksteam heeft toegestaan om het georganiseerde verband van de vijf Encrochat-gebruikers (uit de contactenlijst van de inbeslaggenomen telefoon) nader te onderzoeken.
Volledig
Het lijkt er op dat hierbij geen van beide beoordelingskaders is toegepast maar dat de toestemming lijkt te zijn gegeven en te zijn begrepen als een toestemming tot het verrichten van onderzoek in de data/informatie uit het onderzoek Lemont ten behoeve van het onderzoek Lembre. Aldus begrepen heeft de rechter-commissaris de invulling van de toestemming om gegevens uit het onderzoek Lemont te gebruiken in zeer sterke mate overgelaten aan het openbaar ministerie en de politie. Dat de toestemming aldus ruim is opgevat blijkt uit het feit dat uiteindelijk niet alleen de communicatie van [gebruikersnaam 1] en diens vijf genoemde contacten voor het onderzoek is gebruikt, maar ook de chats van [gebruikersnaam 7] en [gebruikersnaam 8] . Dit klemt te meer nu deze laatstgenoemden verdachte en zijn – volgens het dossier – belangrijkste gesprekspartner betreft. Het hof ziet niet in hoe een dergelijke zeer ruime toestemming te rijmen valt met de – terecht – door de rechter-commissaris aangelegde maatstaf van proportionaliteit en subsidiariteit. Hier doet zich een zekere complicatie voor. Deze maatstaf is door de rechter-commissaris immers aangelegd in verband met de door hem bij de toepassing van de artt. 126uba en 126t Sv te verrichten toetsing. Van een dergelijke toepassing was bij de toestemming van 5 oktober 2020 vanzelfsprekend geen sprake meer. Desalniettemin kan het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2020 niet anders worden begrepen dan dat de rechter-commissaris –terecht – van oordeel was dat de wijze van toetsing zoals deze aanvankelijk plaatsvond, ook na het wegvallen van de grondslag van de artt. 126uba en 126t Sv diende te worden voortgezet. Een dergelijke opvatting vindt naar het oordeel van het hof steun in de volgende overwegingen uit het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913): “6.24.3 Het (onverplicht) vorderen en verlenen van een machtiging kan er onder meer aan bijdragen dat, in de vorm van aan de machtiging te verbinden voorwaarden, door de rechter-commissaris kaders worden vastgesteld voor het gebruik van de gegevens die door de buitenlandse autoriteiten zijn of worden verzameld, vanaf het moment dat de Nederlandse autoriteiten daarover de beschikking krijgen. Aan de machtiging van de rechter-commissaris kunnen voorwaarden worden verbonden die de mogelijkheid van de toetsing van de authenticiteit en de betrouwbaarheid moeten waarborgen, en/of die verband houden met de wijze van selectie van gegevens voordat deze in een specifiek opsporingsonderzoek worden gebruikt, mede met het oog op de bescherming van belangen van derden – waaronder in het bijzonder ook personen tegen wie (nog) niet een vermoeden van betrokkenheid bij een strafbaar feit bestaat – en de aan het verschoningsrecht verbonden belangen. 6.24.4 Opmerking verdient nog het volgende. Uit de rechtspraak van het EHRM die in de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak met nummer 23/00010 onder 5.7.2-5.7.11 is besproken, volgt niet dat op het openbaar ministerie in onder 6.24.2 bedoelde gevallen zonder meer de verplichting rust om een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen. (...) Dat neemt echter niet weg dat het vorderen en verleend zijn van zo’n machtiging wel een waarborg kan vormen voor het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.” Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de maatstaf van proportionaliteit en subsidiariteit ook toegepast diende te worden op de vordering van het openbaar ministerie in deze zaak, en dat de toestemming van de rechter-commissaris voor het gebruik van data/informatie uit onderzoek Lemont ten behoeve van het onderzoek Lembre ook marginaal toetsend niet blijk geeft van een juiste toepassing van deze maatstaf. De vraag of de rechter-commissaris, indien het openbaar ministerie in aanvulling op het verzoek van 1 oktober 2020 nadien nog specifiek had verzocht om toestemming om kennis te nemen van de informatie uit het onderzoek Lemont betreffende de gebruikers [gebruikersnaam 7] en [gebruikersnaam 8] , die toestemming zou hebben verleend, kan het hof op grond van het dossier niet beantwoorden. Daaruit blijkt immers slechts dat de namen van deze twee gebruikers in het onderzoek naar voren kwamen, hetgeen onvoldoende basis biedt om met terugwerkende kracht een dergelijke vaststelling te doen. Naar het oordeel van het hof levert het voorgaande geen vormverzuim op waardoor het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM geschonden is. Het geschonden belang betreft het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer dat aan de orde is bij het onderzoek aan grote gegevensverzamelingen waarin de persoonsgegevens zijn opgenomen van onder meer personen tegen wie op het moment van het vergaren van die gegevens (nog) niet een vermoeden van betrokkenheid bij een strafbaar feit bestaat en wellicht ook nimmer zal ontstaan, dan wel tegen wie niet in het onderzoek Lembre een verdenking bestaat of heeft bestaan. Dit belang is in de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad genoemd. Daarnaast blijkt uit diverse beslissingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat op de verwerking van dergelijke gegevensverzamelingen toezicht door een rechter of een (andere) onafhankelijke autoriteit dient te worden uitgeoefend. Gezien het hiervoor beschreven algemene toetsingskader dat door de rechter-commissaris is uiteengezet, is dit in voldoende mate onderkend. Het is de beschreven uitvoering ervan die tekort is geschoten. Het nadeel dat dat de verdachte heeft opgeleverd is beperkt gebleven, in aanmerking nemend dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Voorts is zijdens de verdediging niet gesteld dat kennisneming van de chats van [gebruikersnaam 7] en [gebruikersnaam 8] een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte heeft gemaakt, en blijkt zulks ook overigens niet uit de zich in het dossier bevindende chatberichten. Voorts dient bij het bepalen van de ernst van het vormverzuim mede betekenis te worden toegekend aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan. In dat verband is enerzijds van belang dat ook in andere zaken toestemming werd gegeven om data/informatie uit onderzoek Lemont ten behoeve van een andere onderzoeken te gebruiken zonder kenbare afweging van de proportionaliteit en subsidiariteit daarvan in verband met de aard en ernst van de verdenking. Zo is tegelijkertijd met het akkoord dat in de beslissing van 5 oktober 2020 voor het onderzoek Lembre werd gegeven, op gelijke wijze voor negen andere zaken akkoord gegeven. Uit andere zaken die het hof heeft behandeld, maar ook uit gepubliceerde uitspraken van andere rechters, komt hetzelfde beeld naar voren. Anderzijds is van belang dat, zoals reeds vermeld, uit het proces-verbaal van 11 juli 2024 blijkt, geruime tijd na de live-fase in 2021 de rechter-commissaris specifiek instemming is gaan verlenen tot verstrekking van informatie in een beperkt kader (A, A/B of A/B/C). Ook dit wordt bevestigd door gepubliceerde uitspraken. Daarmee is de ernst van het vormverzuim in zaaksoverstijgend perspectief gering te noemen. Er is zodoende geen sprake van een zo ingrijpende inbreuk op de rechten van de verdachte, noch van een zodanig nadeel voor hem van het verzuim, dat het rechtsgevolg bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Ook voor strafvermindering ziet het hof gezien het voorgaande geen aanleiding. Het hof volstaat derhalve met de constatering van het verzuim. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Volledig
Het lijkt er op dat hierbij geen van beide beoordelingskaders is toegepast maar dat de toestemming lijkt te zijn gegeven en te zijn begrepen als een toestemming tot het verrichten van onderzoek in de data/informatie uit het onderzoek Lemont ten behoeve van het onderzoek Lembre. Aldus begrepen heeft de rechter-commissaris de invulling van de toestemming om gegevens uit het onderzoek Lemont te gebruiken in zeer sterke mate overgelaten aan het openbaar ministerie en de politie. Dat de toestemming aldus ruim is opgevat blijkt uit het feit dat uiteindelijk niet alleen de communicatie van [gebruikersnaam 1] en diens vijf genoemde contacten voor het onderzoek is gebruikt, maar ook de chats van [gebruikersnaam 7] en [gebruikersnaam 8] . Dit klemt te meer nu deze laatstgenoemden verdachte en zijn – volgens het dossier – belangrijkste gesprekspartner betreft. Het hof ziet niet in hoe een dergelijke zeer ruime toestemming te rijmen valt met de – terecht – door de rechter-commissaris aangelegde maatstaf van proportionaliteit en subsidiariteit. Hier doet zich een zekere complicatie voor. Deze maatstaf is door de rechter-commissaris immers aangelegd in verband met de door hem bij de toepassing van de artt. 126uba en 126t Sv te verrichten toetsing. Van een dergelijke toepassing was bij de toestemming van 5 oktober 2020 vanzelfsprekend geen sprake meer. Desalniettemin kan het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2020 niet anders worden begrepen dan dat de rechter-commissaris –terecht – van oordeel was dat de wijze van toetsing zoals deze aanvankelijk plaatsvond, ook na het wegvallen van de grondslag van de artt. 126uba en 126t Sv diende te worden voortgezet. Een dergelijke opvatting vindt naar het oordeel van het hof steun in de volgende overwegingen uit het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913): “6.24.3 Het (onverplicht) vorderen en verlenen van een machtiging kan er onder meer aan bijdragen dat, in de vorm van aan de machtiging te verbinden voorwaarden, door de rechter-commissaris kaders worden vastgesteld voor het gebruik van de gegevens die door de buitenlandse autoriteiten zijn of worden verzameld, vanaf het moment dat de Nederlandse autoriteiten daarover de beschikking krijgen. Aan de machtiging van de rechter-commissaris kunnen voorwaarden worden verbonden die de mogelijkheid van de toetsing van de authenticiteit en de betrouwbaarheid moeten waarborgen, en/of die verband houden met de wijze van selectie van gegevens voordat deze in een specifiek opsporingsonderzoek worden gebruikt, mede met het oog op de bescherming van belangen van derden – waaronder in het bijzonder ook personen tegen wie (nog) niet een vermoeden van betrokkenheid bij een strafbaar feit bestaat – en de aan het verschoningsrecht verbonden belangen. 6.24.4 Opmerking verdient nog het volgende. Uit de rechtspraak van het EHRM die in de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak met nummer 23/00010 onder 5.7.2-5.7.11 is besproken, volgt niet dat op het openbaar ministerie in onder 6.24.2 bedoelde gevallen zonder meer de verplichting rust om een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen. (...) Dat neemt echter niet weg dat het vorderen en verleend zijn van zo’n machtiging wel een waarborg kan vormen voor het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.” Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de maatstaf van proportionaliteit en subsidiariteit ook toegepast diende te worden op de vordering van het openbaar ministerie in deze zaak, en dat de toestemming van de rechter-commissaris voor het gebruik van data/informatie uit onderzoek Lemont ten behoeve van het onderzoek Lembre ook marginaal toetsend niet blijk geeft van een juiste toepassing van deze maatstaf. De vraag of de rechter-commissaris, indien het openbaar ministerie in aanvulling op het verzoek van 1 oktober 2020 nadien nog specifiek had verzocht om toestemming om kennis te nemen van de informatie uit het onderzoek Lemont betreffende de gebruikers [gebruikersnaam 7] en [gebruikersnaam 8] , die toestemming zou hebben verleend, kan het hof op grond van het dossier niet beantwoorden. Daaruit blijkt immers slechts dat de namen van deze twee gebruikers in het onderzoek naar voren kwamen, hetgeen onvoldoende basis biedt om met terugwerkende kracht een dergelijke vaststelling te doen. Naar het oordeel van het hof levert het voorgaande geen vormverzuim op waardoor het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM geschonden is. Het geschonden belang betreft het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer dat aan de orde is bij het onderzoek aan grote gegevensverzamelingen waarin de persoonsgegevens zijn opgenomen van onder meer personen tegen wie op het moment van het vergaren van die gegevens (nog) niet een vermoeden van betrokkenheid bij een strafbaar feit bestaat en wellicht ook nimmer zal ontstaan, dan wel tegen wie niet in het onderzoek Lembre een verdenking bestaat of heeft bestaan. Dit belang is in de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad genoemd. Daarnaast blijkt uit diverse beslissingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat op de verwerking van dergelijke gegevensverzamelingen toezicht door een rechter of een (andere) onafhankelijke autoriteit dient te worden uitgeoefend. Gezien het hiervoor beschreven algemene toetsingskader dat door de rechter-commissaris is uiteengezet, is dit in voldoende mate onderkend. Het is de beschreven uitvoering ervan die tekort is geschoten. Het nadeel dat dat de verdachte heeft opgeleverd is beperkt gebleven, in aanmerking nemend dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Voorts is zijdens de verdediging niet gesteld dat kennisneming van de chats van [gebruikersnaam 7] en [gebruikersnaam 8] een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte heeft gemaakt, en blijkt zulks ook overigens niet uit de zich in het dossier bevindende chatberichten. Voorts dient bij het bepalen van de ernst van het vormverzuim mede betekenis te worden toegekend aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan. In dat verband is enerzijds van belang dat ook in andere zaken toestemming werd gegeven om data/informatie uit onderzoek Lemont ten behoeve van een andere onderzoeken te gebruiken zonder kenbare afweging van de proportionaliteit en subsidiariteit daarvan in verband met de aard en ernst van de verdenking. Zo is tegelijkertijd met het akkoord dat in de beslissing van 5 oktober 2020 voor het onderzoek Lembre werd gegeven, op gelijke wijze voor negen andere zaken akkoord gegeven. Uit andere zaken die het hof heeft behandeld, maar ook uit gepubliceerde uitspraken van andere rechters, komt hetzelfde beeld naar voren. Anderzijds is van belang dat, zoals reeds vermeld, uit het proces-verbaal van 11 juli 2024 blijkt, geruime tijd na de live-fase in 2021 de rechter-commissaris specifiek instemming is gaan verlenen tot verstrekking van informatie in een beperkt kader (A, A/B of A/B/C). Ook dit wordt bevestigd door gepubliceerde uitspraken. Daarmee is de ernst van het vormverzuim in zaaksoverstijgend perspectief gering te noemen. Er is zodoende geen sprake van een zo ingrijpende inbreuk op de rechten van de verdachte, noch van een zodanig nadeel voor hem van het verzuim, dat het rechtsgevolg bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Ook voor strafvermindering ziet het hof gezien het voorgaande geen aanleiding. Het hof volstaat derhalve met de constatering van het verzuim. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Volledig
Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt. Feit 1: witwassen Aan verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van dan wel medeplichtigheid aan gewoontewitwassen van een groot contant geldbedrag. Standpunt openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door het bouwen van een zogenoemde stashruimte medeplichtig is aan gewoontewitwassen, nu hij wist of minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze stashruimte gebruikt zou worden om grote contante geldbedragen die van misdrijf afkomstig waren op te slaan. De advocaat-generaal acht het onder 1 subsidiair tenlastegelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen. Standpunt verdediging De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit nu het dubbel opzet bij de verdachte ontbreekt. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte weliswaar een stashruimte heeft gebouwd, maar dat hij geen opzet heeft gehad op het gronddelict, namelijk witwassen, omdat hij op het moment van bouwen niet wist waarvoor de ruimte zou worden gebruikt. Beoordeling Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden verklaard, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. Het hof is voorts van oordeel dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde niet bewezen kan worden verklaard. Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid is opzet vereist. Dit opzet moet enerzijds gericht zijn op de eigen deelnemingsgedraging en anderzijds – eventueel in voorwaardelijke zin – op het misdrijf dat bevorderd wordt. Met culpa – rekening moeten houden met de eventualiteit dat een ander een misdrijf begaat, c.q. dat dit bevorderd wordt – mag geen genoegen worden genomen. Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte ergens ná 9 december 2019, zijnde 9 december de factuurdatum van de aangekochte elektronica, een stashruimte heeft gebouwd in de woning aan de [adres] . Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op het gronddelict, wetende witwassen. Uit de chatberichten van ver na de vermoedelijke bouwdatum van de stashruimte kan niet de wetenschap voorafgaand aan of tijdens het bouwen van de stashruimte worden afgeleid. Het dossier bevat bovendien enkele contra-indicaties voor de aanwezigheid van bedoelde wetenschap van verdachte ten tijde van het bouwen van de verborgen ruimte. De verdachte vroeg immers aan een tegencontact wat er in de ontdekte ruimte lag. De verdachte ontving vervolgens een foto van een grote hoeveelheid contant geld. Pas op dat moment kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat het om een opslagplaats voor contant geld ging. Dat de verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment wel vermoedde dat het mogelijk om iets strafbaars kon gaan, kan niet tot een ander oordeel leiden. Feit 2: deelname aan een criminele organisatie Standpunt openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte veelvuldig contact hield met de [medeverdachte 1] . Deze [medeverdachte 1] onderhield op zijn beurt weer contact met andere leden van het criminele samenwerkingsverband. De verdachte bouwde uitsluitend voor de organisatie van [medeverdachte 1] verborgen ruimtes. Met het bouwen van de stash heeft de verdachte een aandeel gehad in de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie, het witwassen van grote contante sommen drugsgeld. Standpunt verdediging De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 vrijspraak bepleit. Het enige tegencontact van verdachte, [medeverdachte 1] , is niet tenlastegelegd als deelnemer aan het crimineel samenwerkingsverband. Daarnaast is het tenlastegelegde crimineel samenwerkingsverband blijkens eerdere veroordelingen pas ontstaan in februari 2020, ruim na de betrokkenheid van verdachte, en had hij toen hij de bouwwerkzaamheden verrichtte voor [medeverdachte 1] op geen enkele manier wetenschap van een eventueel samenwerkingsverband waar [medeverdachte 1] deel van uitmaakte. Hij kende [medeverdachte 1] , en heeft op zijn verzoek als klusjesman opgetreden. Tot slot is het incidenteel ondersteunen van een samenwerkingsverband onvoldoende om deelname aan die criminele organisatie bewezen te verklaren. Beoordeling Van deelname aan een criminele organisatie kan slechts sprake zijn indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Om tot een crimineel samenwerkingsverband te behoren, dient sprake te zijn van een samenwerking met een zekere duurzaamheid. Het hof stelt vast dat de verdachte een stashruimte heeft gebouwd, hetgeen de verdachte heeft bekend. Daarnaast blijkt uit de in het dossier opgenomen chatberichten dat de verdachte op enig moment heeft geïnvesteerd in een drugstransport naar Duitsland. Van dit transport is echter niet duidelijk met wie hij heeft samengewerkt, zodat er ten aanzien van deze berichten geen verband kan worden gelegd met de tenlastegelegde criminele organisatie. Ook de overige door de advocaat-generaal voorgehouden chatgesprekken zijn voor het overgrote deel niet terug te voeren op de tenlastegelegde criminele organisatie. Wel zou de verdachte eenmaal hebben geïnvesteerd in een (drugs)transport van de [medeverdachte 1] waarbij verder onduidelijk blijft of dat dan ook verband houdt met de (verdere) organisatie. Vast staat dat een criminele organisatie gebruik heeft gemaakt van de door de verdachte gemaakte stashruimte. De bijdrage van de verdachte voor zover bewezen, betreft slechts een eenmalige bijdrage. Daar komt bij dat er geen bewijs is dat de verdachte in de ten laste gelegde periode contact heeft gehad met de andere personen waarmee hij het criminele samenwerkingsverband volgens de tenlastelegging zou hebben gevormd; er was slechts contact met [medeverdachte 1] . Er is ook geen bewijs dat hij de stashruimte heeft gebouwd op verzoek van een van deze andere personen. Alles bij elkaar is het enkele feit dat de verdachte de verborgen ruimte heeft gemaakt onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verdachte tot het criminele samenwerkingsverband heeft behoord. Een eenmalige investering in een transport, wellicht van de organisatie, en eventuele wetenschap van het bestaan van een criminele organisatie na het bouwen van de verborgen ruimte is onvoldoende om de verdachte aan te merken als deelnemer aan een criminele organisatie. De verdachte zal derhalve ook van het onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, als voorzitter, mr. C.H.M. Royakkers en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.M.A. Schipper. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 april 2026. mrs. C.H.M. Royakkers en I.M.A. Schipper zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Volledig
Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt. Feit 1: witwassen Aan verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van dan wel medeplichtigheid aan gewoontewitwassen van een groot contant geldbedrag. Standpunt openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door het bouwen van een zogenoemde stashruimte medeplichtig is aan gewoontewitwassen, nu hij wist of minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze stashruimte gebruikt zou worden om grote contante geldbedragen die van misdrijf afkomstig waren op te slaan. De advocaat-generaal acht het onder 1 subsidiair tenlastegelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen. Standpunt verdediging De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit nu het dubbel opzet bij de verdachte ontbreekt. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte weliswaar een stashruimte heeft gebouwd, maar dat hij geen opzet heeft gehad op het gronddelict, namelijk witwassen, omdat hij op het moment van bouwen niet wist waarvoor de ruimte zou worden gebruikt. Beoordeling Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden verklaard, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. Het hof is voorts van oordeel dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde niet bewezen kan worden verklaard. Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid is opzet vereist. Dit opzet moet enerzijds gericht zijn op de eigen deelnemingsgedraging en anderzijds – eventueel in voorwaardelijke zin – op het misdrijf dat bevorderd wordt. Met culpa – rekening moeten houden met de eventualiteit dat een ander een misdrijf begaat, c.q. dat dit bevorderd wordt – mag geen genoegen worden genomen. Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte ergens ná 9 december 2019, zijnde 9 december de factuurdatum van de aangekochte elektronica, een stashruimte heeft gebouwd in de woning aan de [adres] . Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op het gronddelict, wetende witwassen. Uit de chatberichten van ver na de vermoedelijke bouwdatum van de stashruimte kan niet de wetenschap voorafgaand aan of tijdens het bouwen van de stashruimte worden afgeleid. Het dossier bevat bovendien enkele contra-indicaties voor de aanwezigheid van bedoelde wetenschap van verdachte ten tijde van het bouwen van de verborgen ruimte. De verdachte vroeg immers aan een tegencontact wat er in de ontdekte ruimte lag. De verdachte ontving vervolgens een foto van een grote hoeveelheid contant geld. Pas op dat moment kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat het om een opslagplaats voor contant geld ging. Dat de verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment wel vermoedde dat het mogelijk om iets strafbaars kon gaan, kan niet tot een ander oordeel leiden. Feit 2: deelname aan een criminele organisatie Standpunt openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte veelvuldig contact hield met de [medeverdachte 1] . Deze [medeverdachte 1] onderhield op zijn beurt weer contact met andere leden van het criminele samenwerkingsverband. De verdachte bouwde uitsluitend voor de organisatie van [medeverdachte 1] verborgen ruimtes. Met het bouwen van de stash heeft de verdachte een aandeel gehad in de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie, het witwassen van grote contante sommen drugsgeld. Standpunt verdediging De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 vrijspraak bepleit. Het enige tegencontact van verdachte, [medeverdachte 1] , is niet tenlastegelegd als deelnemer aan het crimineel samenwerkingsverband. Daarnaast is het tenlastegelegde crimineel samenwerkingsverband blijkens eerdere veroordelingen pas ontstaan in februari 2020, ruim na de betrokkenheid van verdachte, en had hij toen hij de bouwwerkzaamheden verrichtte voor [medeverdachte 1] op geen enkele manier wetenschap van een eventueel samenwerkingsverband waar [medeverdachte 1] deel van uitmaakte. Hij kende [medeverdachte 1] , en heeft op zijn verzoek als klusjesman opgetreden. Tot slot is het incidenteel ondersteunen van een samenwerkingsverband onvoldoende om deelname aan die criminele organisatie bewezen te verklaren. Beoordeling Van deelname aan een criminele organisatie kan slechts sprake zijn indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Om tot een crimineel samenwerkingsverband te behoren, dient sprake te zijn van een samenwerking met een zekere duurzaamheid. Het hof stelt vast dat de verdachte een stashruimte heeft gebouwd, hetgeen de verdachte heeft bekend. Daarnaast blijkt uit de in het dossier opgenomen chatberichten dat de verdachte op enig moment heeft geïnvesteerd in een drugstransport naar Duitsland. Van dit transport is echter niet duidelijk met wie hij heeft samengewerkt, zodat er ten aanzien van deze berichten geen verband kan worden gelegd met de tenlastegelegde criminele organisatie. Ook de overige door de advocaat-generaal voorgehouden chatgesprekken zijn voor het overgrote deel niet terug te voeren op de tenlastegelegde criminele organisatie. Wel zou de verdachte eenmaal hebben geïnvesteerd in een (drugs)transport van de [medeverdachte 1] waarbij verder onduidelijk blijft of dat dan ook verband houdt met de (verdere) organisatie. Vast staat dat een criminele organisatie gebruik heeft gemaakt van de door de verdachte gemaakte stashruimte. De bijdrage van de verdachte voor zover bewezen, betreft slechts een eenmalige bijdrage. Daar komt bij dat er geen bewijs is dat de verdachte in de ten laste gelegde periode contact heeft gehad met de andere personen waarmee hij het criminele samenwerkingsverband volgens de tenlastelegging zou hebben gevormd; er was slechts contact met [medeverdachte 1] . Er is ook geen bewijs dat hij de stashruimte heeft gebouwd op verzoek van een van deze andere personen. Alles bij elkaar is het enkele feit dat de verdachte de verborgen ruimte heeft gemaakt onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verdachte tot het criminele samenwerkingsverband heeft behoord. Een eenmalige investering in een transport, wellicht van de organisatie, en eventuele wetenschap van het bestaan van een criminele organisatie na het bouwen van de verborgen ruimte is onvoldoende om de verdachte aan te merken als deelnemer aan een criminele organisatie. De verdachte zal derhalve ook van het onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, als voorzitter, mr. C.H.M. Royakkers en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.M.A. Schipper. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 april 2026. mrs. C.H.M. Royakkers en I.M.A. Schipper zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.