Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-21
ECLI:NL:GHDHA:2026:1286
Strafrecht
Hoger beroep
3,980 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1286 text/xml public 2026-04-30T12:47:45 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-21 22-002348-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1286 text/html public 2026-04-30T12:45:30 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1286 Gerechtshof Den Haag , 21-04-2026 / 22-002348-24 OM ontvankelijk in vervolging verdachte ondanks vrijspraak van feit dat aanleiding heeft gegeven voorwaardelijk sepot te herroepen. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:3639) is het ontstaan van de redelijke verdenking van een nieuw strafbaar feit voldoende om ondanks een eerder sepot alsnog tot vervolging over te gaan. Veroordeling wegens mishandeling tegenspeler tijdens amateurvoetbalwedstrijd. Taakstraf van 40 uur. Door de onherroepelijke vrijspraak ten aanzien van verboden wapenbezit is niet voldaan aan de in artikel 36b, 36c en/of 36d Sr gestelde vereisten, zodat het vuurwapen in het kader van deze strafzaak niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. Rolnummer: 22-002348-24 Parketnummers: 09-117775-24 en 09-210875-23 Datum uitspraak: 21 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding met parketnummer 09-117775-24 (hierna te noemen dagvaarding I) tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-210875-23 (hierna te noemen dagvaarding II) tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist ten aanzien van het inbeslaggenomen voorwerp als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door politierechter in de rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met dagvaarding I is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 25 maart 2023 te 's-Gravenhage , [het slachtoffer] heeft mishandeld door [het slachtoffer] één of meerdere keren tegen het hoofd, althans lichaam, te slaan/stompen. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu het Openbaar Ministerie de zaak eerder voorwaardelijk heeft geseponeerd en gelet op de door de politierechter gegeven vrijspraak van het bij dagvaarding I tenlastegelegde, niet is bewezen dat de verdachte nadien een strafbaar feit heeft gepleegd, zodat niet kan worden gezegd dat hij de voorwaarde van het sepot heeft overtreden. Dit maakt dat het voorwaardelijk sepot alsnog in stand dient te blijven en thans in de weg staat aan de verdere vervolging van de verdachte ter zake van het bij dagvaarding II tenlastegelegde. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat het Openbaar Ministerie om de door de raadsman aangevoerde redenen niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Het hof overweegt hierover als volgt. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:3639) is het ontstaan van de redelijke verdenking van een nieuw strafbaar feit voldoende om ondanks een eerder sepot, zoals in de onderhavige zaak, alsnog tot vervolging over te gaan. Nu de verdachte in een auto is aangetroffen waarin een vuurwapen lag waarop (op verscheidene plaatsen) DNA van de verdachte is aangetroffen, was sprake van een redelijke verdenking ter zake van verboden vuurwapenbezit, hetgeen overigens ook niet is betwist. Dat de verdachte vervolgens is vrijgesproken van dat nieuwe feit (omdat de politierechter niet kon vaststellen dat de verdachte op de ten laste gelegde datum beschikkingsmacht had over het vuurwapen) maakt niet dat het Openbaar Ministerie reeds om die reden alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het aanvankelijk voorwaardelijk geseponeerde feit. Het hof verwerpt het verweer en verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 25 maart 2023 te ’s-Gravenhage , [het slachtoffer] heeft mishandeld door [het slachtoffer] één of meerdere keren tegen het hoofd , althans lichaam, te slaan/stompen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het in de zaak met dagvaarding II bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich tijdens een amateurvoetbalwedstrijd schuldig gemaakt aan mishandeling van een tegenspeler. De verdachte was kennelijk boos in verband met een door het slachtoffer geplaatste tackle en heeft het slachtoffer vervolgens tweemaal tegen zijn hoofd geslagen. Door zo te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Op het voetbalveld is geen plek voor geweld. Ook het voetbalveld dient een plek te zijn waar juist respect voor elkaar bestaat. Door een speler van de tegenstander tijdens een voetbalwedstrijd op de bewezen verklaarde wijze te mishandelen heeft de verdachte voorts – gelet op de aanwezige voetballers en toeschouwers - bijgedragen aan in de samenleving reeds bestaande gevoelens van onveiligheid, in het bijzonder in relatie tot het amateurvoetbal.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1286 text/xml public 2026-04-30T12:47:45 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-21 22-002348-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1286 text/html public 2026-04-30T12:45:30 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1286 Gerechtshof Den Haag , 21-04-2026 / 22-002348-24 OM ontvankelijk in vervolging verdachte ondanks vrijspraak van feit dat aanleiding heeft gegeven voorwaardelijk sepot te herroepen. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:3639) is het ontstaan van de redelijke verdenking van een nieuw strafbaar feit voldoende om ondanks een eerder sepot alsnog tot vervolging over te gaan. Veroordeling wegens mishandeling tegenspeler tijdens amateurvoetbalwedstrijd. Taakstraf van 40 uur. Door de onherroepelijke vrijspraak ten aanzien van verboden wapenbezit is niet voldaan aan de in artikel 36b, 36c en/of 36d Sr gestelde vereisten, zodat het vuurwapen in het kader van deze strafzaak niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. Rolnummer: 22-002348-24 Parketnummers: 09-117775-24 en 09-210875-23 Datum uitspraak: 21 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding met parketnummer 09-117775-24 (hierna te noemen dagvaarding I) tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-210875-23 (hierna te noemen dagvaarding II) tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist ten aanzien van het inbeslaggenomen voorwerp als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door politierechter in de rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met dagvaarding I is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 25 maart 2023 te 's-Gravenhage , [het slachtoffer] heeft mishandeld door [het slachtoffer] één of meerdere keren tegen het hoofd, althans lichaam, te slaan/stompen. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu het Openbaar Ministerie de zaak eerder voorwaardelijk heeft geseponeerd en gelet op de door de politierechter gegeven vrijspraak van het bij dagvaarding I tenlastegelegde, niet is bewezen dat de verdachte nadien een strafbaar feit heeft gepleegd, zodat niet kan worden gezegd dat hij de voorwaarde van het sepot heeft overtreden. Dit maakt dat het voorwaardelijk sepot alsnog in stand dient te blijven en thans in de weg staat aan de verdere vervolging van de verdachte ter zake van het bij dagvaarding II tenlastegelegde. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat het Openbaar Ministerie om de door de raadsman aangevoerde redenen niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Het hof overweegt hierover als volgt. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:3639) is het ontstaan van de redelijke verdenking van een nieuw strafbaar feit voldoende om ondanks een eerder sepot, zoals in de onderhavige zaak, alsnog tot vervolging over te gaan. Nu de verdachte in een auto is aangetroffen waarin een vuurwapen lag waarop (op verscheidene plaatsen) DNA van de verdachte is aangetroffen, was sprake van een redelijke verdenking ter zake van verboden vuurwapenbezit, hetgeen overigens ook niet is betwist. Dat de verdachte vervolgens is vrijgesproken van dat nieuwe feit (omdat de politierechter niet kon vaststellen dat de verdachte op de ten laste gelegde datum beschikkingsmacht had over het vuurwapen) maakt niet dat het Openbaar Ministerie reeds om die reden alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het aanvankelijk voorwaardelijk geseponeerde feit. Het hof verwerpt het verweer en verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 25 maart 2023 te ’s-Gravenhage , [het slachtoffer] heeft mishandeld door [het slachtoffer] één of meerdere keren tegen het hoofd , althans lichaam, te slaan/stompen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het in de zaak met dagvaarding II bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich tijdens een amateurvoetbalwedstrijd schuldig gemaakt aan mishandeling van een tegenspeler. De verdachte was kennelijk boos in verband met een door het slachtoffer geplaatste tackle en heeft het slachtoffer vervolgens tweemaal tegen zijn hoofd geslagen. Door zo te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Op het voetbalveld is geen plek voor geweld. Ook het voetbalveld dient een plek te zijn waar juist respect voor elkaar bestaat. Door een speler van de tegenstander tijdens een voetbalwedstrijd op de bewezen verklaarde wijze te mishandelen heeft de verdachte voorts – gelet op de aanwezige voetballers en toeschouwers - bijgedragen aan in de samenleving reeds bestaande gevoelens van onveiligheid, in het bijzonder in relatie tot het amateurvoetbal.