Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-01-30
ECLI:NL:GHDHA:2026:127
Strafrecht
Hoger beroep
2,018 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHDHA:2026:127 text/xml public 2026-02-12T11:27:21 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-01-30 22-001715-25 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:127 text/html public 2026-02-12T11:22:08 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:127 Gerechtshof Den Haag , 30-01-2026 / 22-001715-25 Bevel onderzoek aan het lichaam. Aanwijzingen zijn te samen voldoende voor het aannemen van de ernstige bezwaren die vereist zijn voor het doen van onderzoek aan het lichaam van de verdachte. Strafrecht Rolnummer: 22-001715-25 Parketnummer: 09-402852-24 Datum uitspraak: 30 januari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 27 mei 2025 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600,00 subsidiair 12 dagen hechtenis, te voldoen in 12 termijnen van elk € 50,00. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 9 juli 2024 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 600,00, te betalen in termijnen. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 9 juli 2024 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Beslissing omtrent voorwaardelijk getuigenverzoek De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig de overgelegde pleitnotitie een voorwaardelijk verzoek gedaan om verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen indien het hof niet tot een vrijspraak komt. Het hof heeft die verzoeken beoordeeld als niet in voorwaardelijke zin gedaan en, nu deze ter zitting in hoger beroep zijn gedaan, getoetst aan het criterium of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Het hof overweegt hierover als volgt. In het arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het horen van getuigen door de verdediging moeten worden gemotiveerd. Als zo’n verzoek wordt gedaan met het oog op de onderbouwing van het verweer met betrekking tot de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek en strekt tot de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, wordt van de verdediging gevergd dat zij gemotiveerd uiteenzet waarom getuigen moeten worden gehoord (vlg. ECLI:NL:HR:2021:1279). De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] moeten worden gehoord over de aanhouding, de verdenking en over de (subjectieve) waarnemingen die zij hebben gedaan. In het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte heeft verbalisant [verbalisant 2] een opsomming gegeven van de aanwijzingen die tot het bevel van onderzoek aan het lichaam hebben geleid, namelijk: zenuwachtig gedrag van de verdachte; bezit van twee telefoons; positieve uitslag op twee soorten drugs die de verdachte niet zegt te gebruiken; antecedenten op het gebied van handel c.q. bezit harddrugs; een tweede telefoon die continu werd gebeld. Dit is een opsomming van aanwijzingen die naar het oordeel van het hof objectieve waarnemingen betreffen dan wel feitelijke constateringen zijn die door de verdediging niet zijn weersproken. Behalve de waarneming dat de verdachte zenuwachtig zou zijn geweest. Het hof merkt daarover op dat de verdachte tijdens het politieverhoor d.d. 9 juli 2024 zelf heeft bevestigd dat hij zenuwachtig was tijdens de controle. Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat het getuigenverzoek onvoldoende is gemotiveerd en dat dit gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad wel van de verdediging gevergd mocht worden. Het hof wijst het getuigenverzoek daarom af om reden dat het verzoek onvoldoende is gemotiveerd waardoor de noodzaak van het verzochte getuigenverzoek, aan het hof niet is gebleken. Nadere bewijsoverweging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de fouillering van de verdachte onrechtmatig is geweest, aangezien er onvoldoende ernstige bezwaren aan te nemen waren om tot onderzoek aan het lichaam van de verdachte over te gaan. De fouillering heeft uiteindelijk geleid tot de vondst van de verdovende middelen. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. In het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , is een opsomming gegeven van de aanwijzingen die hebben geleid tot het bevel van onderzoek aan het lichaam van de verdachte. Naar het oordeel van het hof zijn deze aanwijzingen te samen voldoende voor het aannemen van de ernstige bezwaren die op grond van artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering vereist zijn voor het doen van onderzoek aan het lichaam van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij is onderzocht aan zijn lichaam en dat de verbalisant daarbij met zijn hand ook in zijn onderbroek is gegaan. Hij heeft daarbij benadrukt dat hierbij ook zijn geslachtsdeel is aangeraakt, wat hij als bijzonder vervelend heeft ervaren. Dit onderzoek aan het lichaam is gerelateerd door de verbalisant in het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte. De verdachte is, blijkens dit proces-verbaal en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, vervolgens gevraagd om zich te ontdoen van zijn kleding en in zijn onderbroek is uiteindelijk cocaïne aangetroffen. Nu er een rechtmatige grond voor het onderzoek aan het lichaam van de verdachte is geweest, komt (juridisch) geen betekenis toe aan de omstandigheid dat de verdachte bij de uitvoering van deze bevoegdheid in zijn lichamelijke integriteit zou zijn aangetast omdat bij het onderzoek aan het lichaam zijn geslachtsdeel werd aangeraakt, zoals door de verdediging is gesteld.