Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-16
ECLI:NL:GHDHA:2026:1220
Strafrecht
Hoger beroep
11,723 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1220 text/xml public 2026-04-30T11:18:45 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-16 22-001952-25 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1220 text/html public 2026-04-30T11:17:25 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1220 Gerechtshof Den Haag , 16-04-2026 / 22-001952-25 Zedenzaak. Overwegingen over de betrouwbaarheid, DNA en KVI’s (beslag). Hof verwerpt de verweren en veroordeelt voor verkrachting en poging tot verkrachting tot een gevangenisstraf van 15 maanden. Overschrijding van de redelijke termijn Rolnummer: 22-001952-25 Parketnummer: 10-159955-23 Datum uitspraak: 16 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2025 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 2000, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast is een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis opgelegd. Ook is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 2000,00, en voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid verdachte in het hoger beroep De verdachte is door rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – tenlastegelegd dat: 2. primair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - het brengen van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] ; 2. subsidiair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het onverhoeds uitvoeren van die handeling(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - het brengen van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] ; 3. primair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , - zijn penis tegen en/of in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht en/of heeft gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3. subsidiair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, onverhoeds, [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , zijn penis tegen en/of in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht en/of heeft gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3. meer subsidiair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten - het brengen en/of houden van zijn penis tegen en/of in de vagina althans schaamstreek van die [slachtoffer] ; 3. meest subsidiair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten onverhoeds [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, - door onverhoeds zijn penis tegen en/of in de vagina althans schaamstreek van die [slachtoffer] te brengen en/of houden. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en 3 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken zoals ook is gevorderd door de advocaat-generaal en betoogd door de raadsvrouw. Bewijsoverweging De verdediging heeft volledige vrijspraak bepleit van beide feiten en zij heeft daartoe allereerst gemotiveerd aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster niet betrouwbaar zijn, omdat deze op meerdere punten inconsistent en tegenstrijdig zouden zijn. Bovendien, zo stelt de verdediging, zijn er contra-indicaties; de verdachte was fysiek te beperkt en dus niet in staat de tenlastegelegde handelingen en het daaraan voorafgaande trappen lopen te verrichten. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat er geen steunbewijs is voor de verklaringen van de aangeefster. Tot slot heeft de verdediging bepleit dat het DNA-spoor van de verdachte op de binnenkant van de string van [slachtoffer] daar op verschillende manieren terecht kan zijn gekomen, en dat de KVI’s (kennisgeving van inbeslagname) ontbreken. Algemeen kader Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1220 text/xml public 2026-04-30T11:18:45 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-16 22-001952-25 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1220 text/html public 2026-04-30T11:17:25 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1220 Gerechtshof Den Haag , 16-04-2026 / 22-001952-25 Zedenzaak. Overwegingen over de betrouwbaarheid, DNA en KVI’s (beslag). Hof verwerpt de verweren en veroordeelt voor verkrachting en poging tot verkrachting tot een gevangenisstraf van 15 maanden. Overschrijding van de redelijke termijn Rolnummer: 22-001952-25 Parketnummer: 10-159955-23 Datum uitspraak: 16 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2025 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 2000, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast is een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis opgelegd. Ook is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 2000,00, en voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid verdachte in het hoger beroep De verdachte is door rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – tenlastegelegd dat: 2. primair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - het brengen van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] ; 2. subsidiair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het onverhoeds uitvoeren van die handeling(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - het brengen van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] ; 3. primair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , - zijn penis tegen en/of in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht en/of heeft gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3. subsidiair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, onverhoeds, [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , zijn penis tegen en/of in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht en/of heeft gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3. meer subsidiair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten - het brengen en/of houden van zijn penis tegen en/of in de vagina althans schaamstreek van die [slachtoffer] ; 3. meest subsidiair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten onverhoeds [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, - door onverhoeds zijn penis tegen en/of in de vagina althans schaamstreek van die [slachtoffer] te brengen en/of houden. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en 3 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken zoals ook is gevorderd door de advocaat-generaal en betoogd door de raadsvrouw. Bewijsoverweging De verdediging heeft volledige vrijspraak bepleit van beide feiten en zij heeft daartoe allereerst gemotiveerd aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster niet betrouwbaar zijn, omdat deze op meerdere punten inconsistent en tegenstrijdig zouden zijn. Bovendien, zo stelt de verdediging, zijn er contra-indicaties; de verdachte was fysiek te beperkt en dus niet in staat de tenlastegelegde handelingen en het daaraan voorafgaande trappen lopen te verrichten. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat er geen steunbewijs is voor de verklaringen van de aangeefster. Tot slot heeft de verdediging bepleit dat het DNA-spoor van de verdachte op de binnenkant van de string van [slachtoffer] daar op verschillende manieren terecht kan zijn gekomen, en dat de KVI’s (kennisgeving van inbeslagname) ontbreken. Algemeen kader Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige.
Volledig
Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452 en HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717). Bij zedenzaken komt het veelal aan op de vraag naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer en in hoeverre de door die persoon verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het steunbewijs hoeft echter geen betrekking te hebben op alle de tenlastegelegde gedragingen. Het is voldoende wanneer de verklaring van aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster Vooropgesteld wordt dat in het kader van de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen, deze moeten worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht door emoties of schaamte, dan wel ontstaan zijn door de heftigheid van het delict of tijdsverloop. Het gaat bij de beoordeling om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn. Aangeefster heeft verklaard dat zij en de verdachte, die zij haar beste vriend noemt, in de avond en nacht van 24 op 25 april 2022 in Ridderkerk een gezellige avond hadden. Op enig moment zijn beiden gaan slapen: aangeefster op het tweepersoonsbed op zolder en de verdachte beneden op de bank in de woonkamer. In de loop van de nacht werd aangeefster wakker en besefte niet gelijk wat er gebeurde. De verdachte was bij haar in bed en ging toen tegen de wil van aangeefster met zijn vingers in haar vagina en heeft haar gevingerd. Vervolgens heeft de verdachte beneden een condoom gehaald en na zijn terugkomst geprobeerd om zijn penis in de vagina van aangeefster te brengen. Zij voelde dat de verdachte met zijn penis tegen de plek tussen haar vagina en anus aanstootte. Toen aangeefster duidelijk maakte dat zij dit niet wilde, is de verdachte van haar afgegaan. Dit betreft de kern van het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt. De verdachte heeft wel toegegeven dat hij wakker is geworden in het tweepersoonsbed op zolder, maar dat hij geen herinnering heeft aan hoe hij daar terechtgekomen is. De aangeefster heeft op deze relevante punten steeds gedetailleerd en consistent verklaard en haar verklaringen zijn daarom betrouwbaar. Het enkele feit dat aangeefster niet onmiddellijk iedereen is gaan verwittigen over wat er precies gebeurd was doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van haar verklaring; in dergelijke situaties is er niet zoiets als een ‘standaard reactie’ die van een aangeefster verwacht kan worden. Bovendien heeft aangeefster heeft aangeefster met anderen zowel telefonisch als via tekstberichten contact gehad, zodat het enkele feit dat zij in tekstberichten bepaalde details niet noemt, niet betekent dat zij het niet gezegd heeft en dat om die reden haar verhaal niet consistent is. Tot slot geldt de feilbaarheid van het menselijk geheugen ook voor de getuigen. Deze verklaringen van de aangeefster kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt, temeer omdat deze steun vinden in andere bewijsmiddelen. DNA Zowel op de binnen- als buitenzijde van de string van aangeefster is een DNA-mengprofiel aangetroffen waarvan het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer dit afkomstig is van de aangeefster en de verdachte dan wanneer het afkomstig is van het slachtoffer en een willekeurig ander persoon. Gelet op deze hoge waarschijnlijkheid neemt het hof aan dat het DNA op de string van de aangeefster van de aangeefster zelf en van de verdachte is. De plaatsen waar het DNA van de verdachte is aangetroffen passen bij de verklaring van aangeefster. Het hof is van oordeel dat dit DNA door het hierboven omschreven handelen van de verdachte op die plaatsen op de string is terechtgekomen. Het standpunt van de verdediging dat het DNA van de verdachte op een andere wijze op de binnenzijde van de string van aangeefster terecht kan zijn gekomen is niet nader geconcretiseerd noch op andere wijze aannemelijk geworden zodat het verweer wordt verworpen. Bij dit oordeel wordt betrokken het feit dat de verdachte en aangeefster beide het standpunt betrekken dat zij nooit eerder intiem fysiek contact met elkaar hebben gehad. Ontbreken KVI’s Door de raadsvrouw is voorts betoogd dat een kennisgeving van inbeslagneming van de onderzochte string in het dossier ontbreekt en dat zulks meebrengt dat de zogenaamde ‘chain of evidence’ met betrekking tot het op de string aangetroffen DNA-materialen is doorbroken. Dit moet leiden tot uitsluiting van het DNA-bewijs, aldus de verdediging. Het hof constateert – met de raadsvrouw en de advocaat-generaal – dat een kennisgeving van inbeslagneming van de onderzochte string inderdaad niet in het dossier aanwezig is. Wel wordt in een zogenaamd raamprocesverbaal (blz. 15 digitaal dossier) door verbalisant Botterweg op ambtseed gerelateerd dat het ondergoed van aangeefster is ingestuurd voor DNA onderzoek. In het verhoor van verdachte op 19 april 2023 wordt door verbalisanten ook aan de verdachte gemeld (blz. 74 proces-verbaal, blz. 89 digitaal dossier) dat zij voornemens zijn het slipje en de bh van aangeefster in te sturen voor DNA onderzoek. Uit het rapport van het NFI van ing. J.L.W. Dietjes kan worden opgemaakt dat het betreffende DNA onderzoek heeft plaatsgevonden op de string van het slachtoffer en dat – naast de aan verdachte te relateren DNA-sporen – het DNA van aangeefster op veel plekken op en in het kledingstuk is aangetroffen. Het hof is van oordeel dat er dan ook geen twijfel bestaat dat de onderzochte string toebehoort aan aangeefster en dat er overigens ook door de verdediging geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die zouden kunnen leiden tot een andere herkomst. Het verweer met betrekking tot het uitsluiten van de onderzoeksresultaten aan de string wordt verworpen. Contra-indicaties Tot slot is door de verdediging betoogd dat de verdachte fysiek beperkt was en niet kon traplopen. Het hof overweegt dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij ’s ochtends de trap af is gelopen en dat verder ook ieder objectief bewijs voor zijn verhaal – dat het onmogelijk was om trap te lopen en de seksuele handelingen te verrichten op de wijze zoals aangeefster heeft verklaard – ontbreekt. Het verweer wordt verworpen. Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Volledig
Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452 en HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717). Bij zedenzaken komt het veelal aan op de vraag naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer en in hoeverre de door die persoon verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het steunbewijs hoeft echter geen betrekking te hebben op alle de tenlastegelegde gedragingen. Het is voldoende wanneer de verklaring van aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster Vooropgesteld wordt dat in het kader van de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen, deze moeten worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht door emoties of schaamte, dan wel ontstaan zijn door de heftigheid van het delict of tijdsverloop. Het gaat bij de beoordeling om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn. Aangeefster heeft verklaard dat zij en de verdachte, die zij haar beste vriend noemt, in de avond en nacht van 24 op 25 april 2022 in Ridderkerk een gezellige avond hadden. Op enig moment zijn beiden gaan slapen: aangeefster op het tweepersoonsbed op zolder en de verdachte beneden op de bank in de woonkamer. In de loop van de nacht werd aangeefster wakker en besefte niet gelijk wat er gebeurde. De verdachte was bij haar in bed en ging toen tegen de wil van aangeefster met zijn vingers in haar vagina en heeft haar gevingerd. Vervolgens heeft de verdachte beneden een condoom gehaald en na zijn terugkomst geprobeerd om zijn penis in de vagina van aangeefster te brengen. Zij voelde dat de verdachte met zijn penis tegen de plek tussen haar vagina en anus aanstootte. Toen aangeefster duidelijk maakte dat zij dit niet wilde, is de verdachte van haar afgegaan. Dit betreft de kern van het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt. De verdachte heeft wel toegegeven dat hij wakker is geworden in het tweepersoonsbed op zolder, maar dat hij geen herinnering heeft aan hoe hij daar terechtgekomen is. De aangeefster heeft op deze relevante punten steeds gedetailleerd en consistent verklaard en haar verklaringen zijn daarom betrouwbaar. Het enkele feit dat aangeefster niet onmiddellijk iedereen is gaan verwittigen over wat er precies gebeurd was doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van haar verklaring; in dergelijke situaties is er niet zoiets als een ‘standaard reactie’ die van een aangeefster verwacht kan worden. Bovendien heeft aangeefster heeft aangeefster met anderen zowel telefonisch als via tekstberichten contact gehad, zodat het enkele feit dat zij in tekstberichten bepaalde details niet noemt, niet betekent dat zij het niet gezegd heeft en dat om die reden haar verhaal niet consistent is. Tot slot geldt de feilbaarheid van het menselijk geheugen ook voor de getuigen. Deze verklaringen van de aangeefster kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt, temeer omdat deze steun vinden in andere bewijsmiddelen. DNA Zowel op de binnen- als buitenzijde van de string van aangeefster is een DNA-mengprofiel aangetroffen waarvan het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer dit afkomstig is van de aangeefster en de verdachte dan wanneer het afkomstig is van het slachtoffer en een willekeurig ander persoon. Gelet op deze hoge waarschijnlijkheid neemt het hof aan dat het DNA op de string van de aangeefster van de aangeefster zelf en van de verdachte is. De plaatsen waar het DNA van de verdachte is aangetroffen passen bij de verklaring van aangeefster. Het hof is van oordeel dat dit DNA door het hierboven omschreven handelen van de verdachte op die plaatsen op de string is terechtgekomen. Het standpunt van de verdediging dat het DNA van de verdachte op een andere wijze op de binnenzijde van de string van aangeefster terecht kan zijn gekomen is niet nader geconcretiseerd noch op andere wijze aannemelijk geworden zodat het verweer wordt verworpen. Bij dit oordeel wordt betrokken het feit dat de verdachte en aangeefster beide het standpunt betrekken dat zij nooit eerder intiem fysiek contact met elkaar hebben gehad. Ontbreken KVI’s Door de raadsvrouw is voorts betoogd dat een kennisgeving van inbeslagneming van de onderzochte string in het dossier ontbreekt en dat zulks meebrengt dat de zogenaamde ‘chain of evidence’ met betrekking tot het op de string aangetroffen DNA-materialen is doorbroken. Dit moet leiden tot uitsluiting van het DNA-bewijs, aldus de verdediging. Het hof constateert – met de raadsvrouw en de advocaat-generaal – dat een kennisgeving van inbeslagneming van de onderzochte string inderdaad niet in het dossier aanwezig is. Wel wordt in een zogenaamd raamprocesverbaal (blz. 15 digitaal dossier) door verbalisant Botterweg op ambtseed gerelateerd dat het ondergoed van aangeefster is ingestuurd voor DNA onderzoek. In het verhoor van verdachte op 19 april 2023 wordt door verbalisanten ook aan de verdachte gemeld (blz. 74 proces-verbaal, blz. 89 digitaal dossier) dat zij voornemens zijn het slipje en de bh van aangeefster in te sturen voor DNA onderzoek. Uit het rapport van het NFI van ing. J.L.W. Dietjes kan worden opgemaakt dat het betreffende DNA onderzoek heeft plaatsgevonden op de string van het slachtoffer en dat – naast de aan verdachte te relateren DNA-sporen – het DNA van aangeefster op veel plekken op en in het kledingstuk is aangetroffen. Het hof is van oordeel dat er dan ook geen twijfel bestaat dat de onderzochte string toebehoort aan aangeefster en dat er overigens ook door de verdediging geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die zouden kunnen leiden tot een andere herkomst. Het verweer met betrekking tot het uitsluiten van de onderzoeksresultaten aan de string wordt verworpen. Contra-indicaties Tot slot is door de verdediging betoogd dat de verdachte fysiek beperkt was en niet kon traplopen. Het hof overweegt dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij ’s ochtends de trap af is gelopen en dat verder ook ieder objectief bewijs voor zijn verhaal – dat het onmogelijk was om trap te lopen en de seksuele handelingen te verrichten op de wijze zoals aangeefster heeft verklaard – ontbreekt. Het verweer wordt verworpen. Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Volledig
Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 2.subsidiair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid , te weten het onverhoeds uitvoeren van die handeling (en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handeling en die bestond en uit of mede bestond en uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - het brengen van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] ; 3.subsidiair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, onverhoeds , [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , zijn penis tegen en/of in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht en /of heeft gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op: verkrachting . Het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde levert op: poging tot verkrachting . Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft een goede vriendin van hem eerst verkracht en daarna nogmaals geprobeerd te verkrachten terwijl die zich veilig in zijn aanwezigheid waande. Hij heeft dit gedaan terwijl zij er niet op bedacht was, omdat ze tot op het moment dat het plaatsvond lag te slapen en terwijl zij dit niet wilde. Het hof rekent het verdachte aan dat hij zijn eigen lustgevoelens heeft laten prevaleren boven de gerechtvaardigde belangen van het slachtoffer. De verdachte heeft met zijn handelen een zeer grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de seksuele eerbaarheid van het slachtoffer en heeft haar vertrouwen ernstig aangetast. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke zedenmisdrijven nog lang last kunnen hebben van de fysieke en/of mentale gevolgen hiervan, zo niet de rest van hun leven. Dat het slachtoffer de gevolgen van het handelen van de verdachte nog elke dag ondervindt, blijkt uit de slachtofferverklaring die zij heeft afgelegd. Het slachtoffer worstelt tot op de dag van vandaag met de gevolgen van het handelen van de verdachte. Zij heeft moeite met het oppakken van haar dagelijkse leven en heeft diverse behandeltrajecten gevolgd. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Bij het bepalen van de straf heeft het hof voorts acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid is opgenomen. Als uitgangspunt voor verkrachting (met beperkte mate van dwang) wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden gehanteerd. Een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf zoals gevraagd door de verdediging is dan ook niet passend. Voor een voorwaardelijk deel ziet het hof geen aanleiding. Tot slot overweegt het hof dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen neemt. Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden een passende en geboden reactie vormt. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in eerste aanleg is overschreden. Het vonnis is immers gewezen op 16 juni 2025, terwijl de termijn is gaan lopen bij de aanhouding van de verdachte op 19 april 2023. In hoger beroep heeft het hof de zaak evenwel voortvarend, namelijk binnen een 10 maanden na instellen hoger beroep, behandeld en afgedaan. Gelet hierop en gelet op de relatief beperkte overschrijding van de redelijke termijn, volstaat het hof met constatering van voornoemde overschrijding. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 5.000,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending op zich al meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, Bovendien is de vordering nog met enkele behandelverslagen onderbouwd. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 4000, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Volledig
Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 2.subsidiair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid , te weten het onverhoeds uitvoeren van die handeling (en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handeling en die bestond en uit of mede bestond en uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - het brengen van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] ; 3.subsidiair hij op of omstreeks 25 april 2022 te Ridderkerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, onverhoeds , [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , zijn penis tegen en/of in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht en /of heeft gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op: verkrachting . Het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde levert op: poging tot verkrachting . Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft een goede vriendin van hem eerst verkracht en daarna nogmaals geprobeerd te verkrachten terwijl die zich veilig in zijn aanwezigheid waande. Hij heeft dit gedaan terwijl zij er niet op bedacht was, omdat ze tot op het moment dat het plaatsvond lag te slapen en terwijl zij dit niet wilde. Het hof rekent het verdachte aan dat hij zijn eigen lustgevoelens heeft laten prevaleren boven de gerechtvaardigde belangen van het slachtoffer. De verdachte heeft met zijn handelen een zeer grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de seksuele eerbaarheid van het slachtoffer en heeft haar vertrouwen ernstig aangetast. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke zedenmisdrijven nog lang last kunnen hebben van de fysieke en/of mentale gevolgen hiervan, zo niet de rest van hun leven. Dat het slachtoffer de gevolgen van het handelen van de verdachte nog elke dag ondervindt, blijkt uit de slachtofferverklaring die zij heeft afgelegd. Het slachtoffer worstelt tot op de dag van vandaag met de gevolgen van het handelen van de verdachte. Zij heeft moeite met het oppakken van haar dagelijkse leven en heeft diverse behandeltrajecten gevolgd. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Bij het bepalen van de straf heeft het hof voorts acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid is opgenomen. Als uitgangspunt voor verkrachting (met beperkte mate van dwang) wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden gehanteerd. Een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf zoals gevraagd door de verdediging is dan ook niet passend. Voor een voorwaardelijk deel ziet het hof geen aanleiding. Tot slot overweegt het hof dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen neemt. Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden een passende en geboden reactie vormt. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in eerste aanleg is overschreden. Het vonnis is immers gewezen op 16 juni 2025, terwijl de termijn is gaan lopen bij de aanhouding van de verdachte op 19 april 2023. In hoger beroep heeft het hof de zaak evenwel voortvarend, namelijk binnen een 10 maanden na instellen hoger beroep, behandeld en afgedaan. Gelet hierop en gelet op de relatief beperkte overschrijding van de redelijke termijn, volstaat het hof met constatering van voornoemde overschrijding. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 5.000,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending op zich al meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, Bovendien is de vordering nog met enkele behandelverslagen onderbouwd. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 4000, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.