Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-24
ECLI:NL:GHDHA:2026:1215
Strafrecht
Hoger beroep
7,957 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1215 text/xml public 2026-05-07T12:13:15 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-24 22-000518-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1215 text/html public 2026-05-07T12:11:41 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1215 Gerechtshof Den Haag , 24-04-2026 / 22-000518-24 Veroordeling voor medeplichtigheid witwassen. De verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ze de medeverdachte hielp om middels de door haar geopende bankrekening gelden wit te wassen. Hof legt een onvoorwaardelijke taakstraf van 40 uren op. NO-verklaring vordering benadeelde partij nu schade niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Rolnummer: 22-000518-24 Parketnummer: 10-047982-22 Datum uitspraak: 24 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 1 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uur, waarvan 15 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij is bepaald dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 dagen, voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal €10.500, althans enig geldbedrag - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en)en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [mededader] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal €10.500, althans enig geldbedrag - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl die mededader en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan [mededader] en/of onbekend gebleven personen/persoon (meermalen) haar, verdachtes, bankpas en/of pincode en/of bankrekening (mee) te geven en/of ter beschikking te stellen; Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: [mededader] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag ( en ) van in totaal €10.500, 00 althans enig geldbedrag - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of - heeft verworven en /of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl hij die mededader en/of zijn mededader(s) wist (en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/ die voorwerp(en) en/of geldbedrag ( en ) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/ waren uit enig (eigen) misdrijf, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en /of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan [mededader] en/of onbekend gebleven personen/persoon (meermalen) haar, verdachtes, bankpas en/of pincode en /of bankrekening (mee) te geven en/of ter beschikking te stellen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Bewijsverweer Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn aan de witwashandelingen, en dat de verdachte daarom van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De verdachte kon immers niet weten dat de door haar geopende en ter beschikking gestelde bankrekening zou worden gebruikt voor witwaspraktijken, aldus de raadsman.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1215 text/xml public 2026-05-07T12:13:15 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-24 22-000518-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1215 text/html public 2026-05-07T12:11:41 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1215 Gerechtshof Den Haag , 24-04-2026 / 22-000518-24 Veroordeling voor medeplichtigheid witwassen. De verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ze de medeverdachte hielp om middels de door haar geopende bankrekening gelden wit te wassen. Hof legt een onvoorwaardelijke taakstraf van 40 uren op. NO-verklaring vordering benadeelde partij nu schade niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Rolnummer: 22-000518-24 Parketnummer: 10-047982-22 Datum uitspraak: 24 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 1 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uur, waarvan 15 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij is bepaald dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 dagen, voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal €10.500, althans enig geldbedrag - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en)en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [mededader] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal €10.500, althans enig geldbedrag - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl die mededader en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan [mededader] en/of onbekend gebleven personen/persoon (meermalen) haar, verdachtes, bankpas en/of pincode en/of bankrekening (mee) te geven en/of ter beschikking te stellen; Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: [mededader] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag ( en ) van in totaal €10.500, 00 althans enig geldbedrag - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of - heeft verworven en /of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl hij die mededader en/of zijn mededader(s) wist (en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/ die voorwerp(en) en/of geldbedrag ( en ) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/ waren uit enig (eigen) misdrijf, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en /of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan [mededader] en/of onbekend gebleven personen/persoon (meermalen) haar, verdachtes, bankpas en/of pincode en /of bankrekening (mee) te geven en/of ter beschikking te stellen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Bewijsverweer Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn aan de witwashandelingen, en dat de verdachte daarom van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De verdachte kon immers niet weten dat de door haar geopende en ter beschikking gestelde bankrekening zou worden gebruikt voor witwaspraktijken, aldus de raadsman.
Volledig
Het hof gaat op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden. Twee personen hebben - onafhankelijk van elkaar - aangifte gedaan van fraude. Naar aanleiding van WhatsApp-berichten die zij ontvingen van iemand, die zich in beide gevallen valselijk voordeed als zijn/haar kind, maakten zij op 28 en 29 juli 2020 geld over naar een rekeningnummer van [een bank] . De geldbedragen die op de rekening waren gestort, zijn telkens kort daarna door een onbekend gebleven persoon contant opgenomen. De verdachte heeft voorafgaand hieraan op 26 juli 2020 de betreffende bankrekening voor en op verzoek van de medeverdachte geopend, en op verschillende momenten de nodige codes en een foto van haar gezicht aan de medeverdachte opgestuurd om de activering van de bankrekening compleet te maken. Op 26 juli 2020 om 13.36 uur heeft zij met haar telefoon ingelogd op het bankaccount. Na opening van de bankrekening heeft zij [een bank] -app van haar telefoon verwijderd. Het hof is van oordeel dat de verdachte aldoende bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ze de medeverdachte hielp om middels de door haar geopende bankrekening gelden wit te wassen. Niet valt immers in te zien welk ander doel het voor hem openen en ter beschikking stellen van die bankrekening anders kan hebben, dan dat hij zelf buiten beeld moest blijven. Een andersluidende, aannemelijke verklaring daarvoor van de verdachte is uitgebleven. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte zowel opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn bij/tot en/of verschaffen van middelen, als voorwaardelijk opzet op het witwassen. Dat ze door de medeverdachte hierbij naar eigen zeggen onder enige druk is gezet, doet daaraan niet aan af. Het hof zal het verweer dan ook verwerpen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: medeplichtigheid aan/tot witwassen. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft een bankrekening geopend en de nodige codes verstrekt aan de medeverdachte. De verdachte is op die wijze behulpzaam geweest aan het witwassen van geld dat op slinkse wijze is afgenomen van de slachtoffers. Door het handelen van de verdachte is de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Daarnaast veroorzaakt deze vorm van fraude financiële schade en emotioneel leed bij de slachtoffers, die in goed vertrouwen grote geldbedragen overmaakten omdat zij dachten dat hun kinderen in financiële nood zaten. Het hof rekent de verdachte dit aan. Het hof zal – anders dan door de verdediging is bepleit – gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde geen toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Het hof constateert voorts dat de redelijke termijn (inzendtermijn en termijn van berechting in hoger beroep), als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met enkele maanden is overschreden. Nu het een beperkte overschrijding betreft en daarmee een betrekkelijk geringe inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op berechting binnen redelijke termijn, en voorts ook gelet op de gekozen strafmodaliteit en strafduur, wordt met deze constatering volstaan. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1] In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 7.500,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezenverklaarde. Het hof acht de geleden materiële schade in de concrete omstandigheden van dit geval in een dermate ver verwijderd verband staan met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, dat deze schade niet aan de verdachte kan worden toegerekend. De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2] In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 8.001,15. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan, dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezenverklaarde. Het hof acht de geleden materiële schade in de concrete omstandigheden van dit geval in een dermate ver verwijderd verband staan met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, dat deze schade niet aan de verdachte kan worden toegerekend. De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 48 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis . Vordering van de [benadeelde partij 1] Verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Vordering van de [benadeelde partij 2] Verklaart de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Dit arrest is gewezen door mr. N.M. Boersma, als voorzitter, mr. L.C. van Walree en mr. M. Bakker, leden, in bijzijn van griffiers mr. I.L. Vollering en mr. E.E.N. Birkhoff. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2026. Mr. M. Bakker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Volledig
Het hof gaat op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden. Twee personen hebben - onafhankelijk van elkaar - aangifte gedaan van fraude. Naar aanleiding van WhatsApp-berichten die zij ontvingen van iemand, die zich in beide gevallen valselijk voordeed als zijn/haar kind, maakten zij op 28 en 29 juli 2020 geld over naar een rekeningnummer van [een bank] . De geldbedragen die op de rekening waren gestort, zijn telkens kort daarna door een onbekend gebleven persoon contant opgenomen. De verdachte heeft voorafgaand hieraan op 26 juli 2020 de betreffende bankrekening voor en op verzoek van de medeverdachte geopend, en op verschillende momenten de nodige codes en een foto van haar gezicht aan de medeverdachte opgestuurd om de activering van de bankrekening compleet te maken. Op 26 juli 2020 om 13.36 uur heeft zij met haar telefoon ingelogd op het bankaccount. Na opening van de bankrekening heeft zij [een bank] -app van haar telefoon verwijderd. Het hof is van oordeel dat de verdachte aldoende bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ze de medeverdachte hielp om middels de door haar geopende bankrekening gelden wit te wassen. Niet valt immers in te zien welk ander doel het voor hem openen en ter beschikking stellen van die bankrekening anders kan hebben, dan dat hij zelf buiten beeld moest blijven. Een andersluidende, aannemelijke verklaring daarvoor van de verdachte is uitgebleven. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte zowel opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn bij/tot en/of verschaffen van middelen, als voorwaardelijk opzet op het witwassen. Dat ze door de medeverdachte hierbij naar eigen zeggen onder enige druk is gezet, doet daaraan niet aan af. Het hof zal het verweer dan ook verwerpen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: medeplichtigheid aan/tot witwassen. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft een bankrekening geopend en de nodige codes verstrekt aan de medeverdachte. De verdachte is op die wijze behulpzaam geweest aan het witwassen van geld dat op slinkse wijze is afgenomen van de slachtoffers. Door het handelen van de verdachte is de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Daarnaast veroorzaakt deze vorm van fraude financiële schade en emotioneel leed bij de slachtoffers, die in goed vertrouwen grote geldbedragen overmaakten omdat zij dachten dat hun kinderen in financiële nood zaten. Het hof rekent de verdachte dit aan. Het hof zal – anders dan door de verdediging is bepleit – gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde geen toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Het hof constateert voorts dat de redelijke termijn (inzendtermijn en termijn van berechting in hoger beroep), als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met enkele maanden is overschreden. Nu het een beperkte overschrijding betreft en daarmee een betrekkelijk geringe inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op berechting binnen redelijke termijn, en voorts ook gelet op de gekozen strafmodaliteit en strafduur, wordt met deze constatering volstaan. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1] In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 7.500,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezenverklaarde. Het hof acht de geleden materiële schade in de concrete omstandigheden van dit geval in een dermate ver verwijderd verband staan met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, dat deze schade niet aan de verdachte kan worden toegerekend. De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2] In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 8.001,15. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan, dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezenverklaarde. Het hof acht de geleden materiële schade in de concrete omstandigheden van dit geval in een dermate ver verwijderd verband staan met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, dat deze schade niet aan de verdachte kan worden toegerekend. De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 48 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis . Vordering van de [benadeelde partij 1] Verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Vordering van de [benadeelde partij 2] Verklaart de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Dit arrest is gewezen door mr. N.M. Boersma, als voorzitter, mr. L.C. van Walree en mr. M. Bakker, leden, in bijzijn van griffiers mr. I.L. Vollering en mr. E.E.N. Birkhoff. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2026. Mr. M. Bakker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.