Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-30
ECLI:NL:GHDHA:2026:113
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie zaaknummer : 200.362.946/01 rekestnummer rechtbank : FA RK 25-7248 zaaknummer rechtbank : C/09/692115 beschikking van de meervoudige kamer van 30 januari 2026 inzake [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda, tegen [de moeder] , wonende te Zweden, verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. J. Mulder te Rotterdam. Als belanghebbende is aangemerkt: [bijzondere curator] , kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarige, hierna te noemen: de bijzondere curator. Als informant is aangemerkt: Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden, hierna te noemen: de raad. 1 De zaak en de beschikking in het kort 1.1 Deze zaak gaat over de teruggeleiding van de hierna te noemen minderjarige vanuit Nederland naar Zweden. De rechtbank Den Haag heeft op 14 november 2025 bij tussenbeschikking de gecertificeerde instelling met de voorlopige voogdij over de minderjarige belast vanaf 14 november 2025 tot het moment – voor zover het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van de minderjarige zal worden toegewezen – dat die beslissing tot teruggeleiding ten uitvoer zal zijn gelegd. Vervolgens heeft de rechtbank Den Haag in de beschikking van 15 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) op verzoek van de moeder de terugkeer van de minderjarige gelast naar Zweden. 1.2 De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Hij wil dat het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Zweden alsnog wordt afgewezen. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd. 1.3 In deze beschikking wijst het hof het hoger beroep van de vader af. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking bekrachtigt en geen andere beslissing neemt dan de rechtbank. 1.4 Het hof geeft hierna eerst een beschrijving van het verloop van de procedure tot nu toe en het geschil in hoger beroep. Daarna geeft het hof de standpunten van partijen weer en motiveert het hof zijn beslissing. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 De vader is op 29 december 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De moeder heeft op 9 januari 2026 een verweerschrift ingediend. 2.3 Op 8 januari 2026 is bij het hof een e-mailbericht van de gecertificeerde instelling ingekomen, waarbij de gecertificeerde instelling heeft verzocht om te worden betrokken in deze procedure. Het hof heeft de gecertificeerde instelling vervolgens bij brief van 9 januari 2026 als informant opgeroepen voor de mondelinge behandeling. 2.4 Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen: een e-mailbericht van de bijzondere curator van 9 januari 2026, met daarbij haar verslag; een e-mailbericht van de zijde van de vader van 12 januari 2026, met daarbij het verslag van de bijzondere curator in eerste aanleg en het bericht van de vader van 27 november 2025; een e-mailbericht van de zijde van de vader van 13 januari 2026 met daarbij het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 6 november 2025; een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 15 januari 2026, inhoudende een nadere specificatie van de kosten. 2.5 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft het hof de minderjarige, in het bijzijn van de bijzondere curator, gesproken. 2.6 De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de tolk [tolk] (tolknummer: [tolknummer] ); de moeder, bijgestaan door haar advocaat en de tolk [tolk] (tolknummer: [tolknummer] ); de bijzondere curator; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; de gecertificeerde instelling, via videoverbinding vertegenwoordigd door [vertegenw Aangezien de vader zijn woonplaats, zoals bedoeld in artikel 1:10 van het Burgerlijk Wetboek, in Nederland heeft, kan de Nederlandse rechter aan artikel 3 sub a Rv internationale bevoegdheid ontlenen om kennis te nemen van het verzoek tot teruggeleiding. Toetsingskader 5.3 Aangezien Egypte geen partij is bij het Verdrag kan de verdragsregeling niet rechtstreeks worden toegepast voor de inhoudelijke beoordeling van het teruggeleidingsverzoek van de moeder. Volgens de Nederlandse wetgever doet de Nederlandse rechter er goed aan, bij de beoordeling van een teruggeleidingsverzoek in niet door het Verdrag bestreken gevallen, zich zoveel mogelijk te richten naar de inhoud van het Verdrag. Hiermee heeft de wetgever beoogd de behandeling van niet-verdragsgevallen zoveel mogelijk op dezelfde voet te laten geschieden als gevallen die wel door het Verdrag worden beheerst (zie Kamerstukken II 1987/1988, 20 462, nr. 3, blz. 4 en 14). 5.4 Tegen deze achtergrond bepaalt artikel 2 van de Uitvoeringswet dat de regeling in de Uitvoeringswet tevens van toepassing is in de gevallen van internationale kinderontvoering die niet door een verdrag worden beheerst. Verder bepaalt artikel 13 lid 3 van de Uitvoeringswet dat, in de gevallen waarin geen verdrag toepasselijk is, de rechter het teruggeleidingsverzoek kan afwijzen op de gronden vermeld in de artikelen 12, tweede lid, 13 en 20 van het Verdrag. 5.5 Het hof zal zich in deze zaak dan ook zo veel mogelijk richten naar de inhoud van het Verdrag bij de beoordeling van het teruggeleidingsverzoek van de moeder. Dat neemt niet weg dat de teruggeleidingsrechter in niet door het Verdrag bestreken gevallen van internationale kinderontvoering in het algemeen de nodige ruimte heeft om, indien daartoe aanleiding bestaat, af te wijken van de verdragsregeling (zie Hof Den Haag 19 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2020). Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag 5.6 Om te beginnen dient het hof te beoordelen of sprake is van een ongeoorloofde overbrenging of vasthouding van de minderjarige. Op grond van artikel 3 van het Verdrag is sprake van een ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging, of het niet doen terugkeren van het kind geschiedt in strijd met het gezagsrecht op grond van het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden. 5.7 Het hof merkt op dat de initiële overbrenging van de minderjarige van Egypte naar Turkije ter beoordeling aan het hof voorligt. Dat de vader, nadat hij de minderjarige vanuit Egypte had meegenomen naar Turkije, met de minderjarige verder is gereisd via Griekenland en België naar Nederland, doet daaraan niet af. Moment van overbrenging 5.8 Hoewel de vader tegen het door de rechtbank op 15 februari 2021 vastgestelde moment van overbrenging heeft gegriefd, overweegt het hof dat in hoger beroep niet is gebleken dat van een andere datum zou moeten worden uitgegaan. De vader heeft niet aangevoerd welke andere datum dan 15 februari 2021 zou moeten worden aangemerkt als het moment van overbrenging. De vader heeft zich slechts op het standpunt gesteld dat de moeder in eerste aanleg niet uitdrukkelijk heeft verzocht om 15 februari 2021 als moment van overbrenging aan te merken. Deze principiële stelling leidt er niet toe dat ook aan de juistheid van dit moment moet worden getwijfeld. Het hof is van oordeel dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat beide partijen uitgaan van een moment op of rondom 15 februari 2021, wanneer zij vertellen over het moment dat de vader de minderjarige vanuit Egypte heeft meegenomen naar Turkije. Het hof ziet, op grond van de niet nader onderbouwde stelling van de vader Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op de juiste gronden heeft geoordeeld dat de ouders op het moment van overbrenging allebei niet gerechtigd waren om zonder de toestemming van de andere ouder de beslissing te nemen om de minderjarige mee te nemen. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Voor zover de vader stelt dat de moeder haar gezagsrecht nadien niet meer zou hebben uitgeoefend, is dat in de beoordeling van dit onderdeel niet relevant, nu het peilmoment voor dit onderdeel ‘onmiddellijk voor de overbrenging’ is. Toestemming 5.12 Verder heeft de vader in het kader van artikel 3 van het Verdrag gesteld dat de moeder voorafgaand aan het moment van overbrenging – zowel mondeling als schriftelijk – toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van de minderjarige vanuit Egypte naar Turkije. Hij stelt dat de overbrenging van de minderjarige met medeweten van de moeder heeft plaatsgevonden. De moeder heeft tijdens de zitting in hoger beroep opnieuw uitgebreid toegelicht hoe en onder welke omstandigheden de vader de minderjarige onverwacht bij haar heeft weggehaald in Egypte. Zij stelt vervolgens onder grote druk en na mishandeld te zijn door vader en zijn familie op dat moment te hebben meegewerkt aan het vertrek van de minderjarige. De moeder stelt daarbij dat zij op dat moment niet wist dat de vader vervolgens met de minderjarige naar Turkije zou gaan. De vader heeft deze door de moeder gestelde omstandigheden onvoldoende gemotiveerd weersproken. Voor zover de vader stelt dat de moeder ook schriftelijk toestemming zou hebben gegeven voor het vertrek van de minderjarige met de vader naar Turkije, had het op zijn weg gelegen om deze schriftelijke verklaring over te leggen. Dat heeft hij nagelaten. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat de vader – afhankelijk van de gebleken omstandigheden – niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat de moeder duidelijk en ondubbelzinnig toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van de minderjarige van Egypte naar Turkije. (On)geoorloofde overbrenging 5.13 Gelet op het voorgaande komt het hof – net zoals de rechtbank – tot het oordeel dat de overbrenging van de minderjarige van Egypte naar Turkije aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag. Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag 5.14 Aangezien er sprake is van een ongeoorloofde overbrenging, wordt op grond van artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank. Dat er in het onderhavige geval de termijn van één jaar is verstreken, is niet in geschil. 5.15 Op grond van artikel 12 lid 2 van het Verdrag wordt ook in dergelijke gevallen de terugkeer van de minderjarige alsnog gelast, tenzij wordt aangetoond dat de minderjarige inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving. De vader heeft gesteld dat de minderjarige inmiddels in Nederland is geworteld. Hij voert daartoe aan dat de minderjarige inmiddels al twee jaar in Nederland woonachtig is. De minderjarige kan zich verstaanbaar maken in het Nederlands en het Engels en naar verwachting zal hij binnenkort doorstromen van zijn huidige taalonderwijs naar het reguliere basisonderwijs. De minderjarige heeft een sociale omgeving opgebouwd in zijn huidige woonomgeving. Ondanks dat de uitkomst van de asielprocedure op dit moment nog niet duidelijk is, verwacht de vader dat een asielstatus zal worden verleend. 5.16 De moeder heeft hiertegenover gesteld dat de verblijfsstatus van de minderjarige in Nederland tijdelijk en onzeker is. Zij acht de kans dat de minderjarige in Nederland voor een verblijfsstatus in aanmerking komt verwaarloosbaar. Buiten de AZC-opvang heeft de minderjarige bep De minderjarige woonde in Egypte samen met zijn moeder en zij was aldaar, omdat de vader op afstand was, verantwoordelijk voor de (dagelijkse) opvoeding en verzorging van de minderjarige. De moeder heeft het gezagsrecht daarmee daadwerkelijk uitgeoefend. 5.22 De vader heeft gesteld dat de moeder na de overbrenging erin heeft toegestemd dat de minderjarige niet naar haar zou terugkeren ofwel dat zij in de overbrenging heeft berust. Hij stelt dat de moeder jarenlang, stelselmatig en bij herhaling, heeft ingestemd met en berust in het verblijf van de minderjarige bij zijn vader. Ze heeft al die tijd haar gezagsrecht niet aangewend om een terugkeer van de minderjarige te verzoeken. Zelfs toen zij bekend raakte met het verblijf van de vader en de minderjarige in Nederland heeft zij nog geruime tijd gewacht met het starten van deze procedure. 5.23 Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder toegelicht dat zij zich na de overbrenging van de minderjarige heeft laten adviseren door een Egyptische advocaat. Op basis van het advies van deze advocaat is de moeder in Egypte een procedure gestart om het eenhoofdig gezag over de minderjarige toegewezen te krijgen. De rechter in Egypte heeft haar dit eenhoofdig gezag ook toegekend. Vervolgens waren haar juridische mogelijkheden, vertrouwend op het advies van haar Egyptische advocaat, uitgeput. De moeder is daarna vanwege een situatie die zich voordeed in verband met haar werk – voor haar ook plotseling – na kort een verblijf in Libanon op humanitaire gronden naar Zweden verhuisd. Toen zij daar aankwam, heeft zij, nog voordat de vader en de minderjarige Turkije verlieten, het initiatief genomen tot gezinshereniging in Zweden. Kort daarna is de vader echter met de minderjarige via Griekenland en België naar Nederland vertrokken, waardoor gezinshereniging op dat moment niet meer mogelijk was. 5.24 Het hof stelt voorop dat berusting in de zin van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag slechts onder strenge voorwaarden kan worden aangenomen. Om te beoordelen of sprake is van berusting van de achtergebleven ouder dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Daarbij dient gekeken te worden naar de gedragingen van de achtergebleven ouder zelf, zowel in actieve als in passieve zin en niet naar de wijze waarop anderen deze gedragingen hebben opgevat. Beslissend is of uit objectieve omstandigheden kan worden afgeleid dat de achtergebleven ouder heeft aanvaard dat het hoofdverblijf van het kind voortaan in Turkije respectievelijk in Nederland zou zijn. Berusting kan onder omstandigheden ook worden aangenomen op basis van een eenmalig of kortstondige, doch ondubbelzinnige en weloverwogen instemming met het definitieve verblijf van het kind in de nieuwe verblijfplaats (zie HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6126). 5.25 Het hof overweegt dat voldoende is gebleken dat de moeder in Egypte direct haar juridische mogelijkheden heeft onderzocht om de minderjarige bij haar terug te laten keren. Niet weersproken is dat de vader de verblijfsvergunning van de moeder heeft afgenomen toen hij de minderjarige bij haar weghaalde. Hierdoor heeft de moeder pas op een later moment aangifte kunnen doen. Daarnaast heeft zij contact gezocht met een Egyptische advocaat met wie zij haar mogelijkheden heeft besproken. De rechten van de moeder waren, zoals zij heeft toegelicht, beperkt, omdat zij overspel had gepleegd. De moeder is vervolgens op advies van haar Egyptische advocaat een echtscheidingsprocedure gestart en een procedure waarin zij eenhoofdig gezag heeft gevraagd. Doordat de moeder in deze procedure – op advies van haar advocaat – de stelling had ingenomen dat de minderjarige bij haar was, was het daarna niet mogelijk een teruggeleidingsprocedure te starten. Het hof overweegt dat Egypte, anders dan Turkije, geen partij is bij het Verdrag, waardoor het hof aannemelijk acht dat de Egyptische advocaat de moeder niet heeft geadviseerd om in Turkije een procedure op gron De moeder heeft zich al georiënteerd op mogelijke hulpverlening voor de minderjarige in Zweden, nu hij in zeer korte tijd veel ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt en mogelijk nog zal meemaken. 5.29 Het hof overweegt dat de permanente verblijfsstatus van de moeder en de onderschreven verwachting dat de minderjarige ook een permanente verblijfsstatus zal krijgen, voldoende basis zijn om aan te nemen dat de minderjarige in verblijfsrechtelijke zin niet in een langdurig onzekere en ondragelijke situatie terecht zal komen bij terugkeer naar zijn moeder. De moeder heeft voldoende toegelicht dat zij in Zweden beschikt over een familiair sociaal netwerk dat haar kan ondersteunen bij de opvoeding en verzorging van de minderjarige. De moeder volgt een opleiding en heeft zicht op een goede baan in de (nabije) toekomst. De moeder heeft zich op de zitting uitdrukkelijk bereid verklaard om de hulpverlening die in Zweden nodig zou zijn voor de minderjarige te accepteren. Ook heeft zij aangevoerd dat zij aan het contact tussen de vader en de minderjarige niet in de weg zal staan. Het hof overweegt dat dit, zoals ook de raad, de bijzondere curator en de gecertificeerde instelling hebben onderschreven, heel belangrijk voor de minderjarige is. Tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft er een spontaan contact tussen de moeder en de minderjarige plaatsgevonden. Door partijen, de raad en de bijzondere curator is verklaard dat dit een prettig moment is geweest, dat door de vader overigens ook goed is begeleid. Hieruit blijkt naar oordeel van het hof dat de moeder geen onbekende is voor de minderjarige en dat er sprake is van een goede hechting tussen moeder en zoon, ook al heeft de minderjarige haar langere tijd niet gezien. Zoals de raad op de zitting heeft aangevoerd, is het voor de minderjarige met name van belang dat er een manier kan worden gevonden waarop hij beide ouders in zijn leven kan en mag hebben. De bijzondere curator heeft aangevoerd dat beide situaties voor de minderjarige ingewikkeld zullen zijn. Het hof is in ieder geval niet gebleken dat de minderjarige bij terugkeer naar de moeder in Zweden in een ondragelijke toestand zal komen te verkeren, waarmee het beroep van de vader op deze weigeringsgrond niet slaagt. Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag 5.30 Op grond van artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechter eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden. 5.31 De vader heeft, bij herhaling van zijn grieven in eerste aanleg, gesteld dat de minderjarige zich verzet tegen een vertrek naar Zweden. Het hof is van oordeel dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat de minderjarige zich tegen een vertrek naar Zweden verzet. Nog daargelaten of de minderjarige een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt zodat daarmee rekening had kunnen worden gehouden als daarvan wel sprake was. Uit het verslag van de bijzondere curator is gebleken dat de minderjarige de gevolgen van een vertrek naar Zweden, mede gelet op zijn jonge leeftijd, niet kan overzien. Zo geeft de minderjarige bij de bijzondere curator aan dat hij de verwachting heeft dat hij in Zweden geen geld zal hebben. Het is voor het hof onduidelijk hoe deze verwachting bij de minderjarige is ontstaan. Het hof overweegt dat verzet van een minderjarige tegen terugkeer meer inhoudt dan een eventuele wens van de minderjarige om vast te houden aan dat wat voor hem nu bekend is. Gelet op het feit dat de minderjarige al enkele jaren met alleen zijn vader als opvoeder samenleeft, is het begrijpelijk dat de minderjarige erg op hem is gericht. Gelet op het vorenstaande slaagt het beroep van de vader op deze weigeringsgrond niet. Bewijsaanbod 5.32 Voor zover de vader in dit hoger beroep een bewijsaanbod heeft gedaan, passeert het hof dit aanbod nu he