Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-28
ECLI:NL:GHDHA:2026:108
Rolnummer: 22-002078-23 Parketnummer: 83-156169-22 Datum uitspraak: 28 januari 2026 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag economische kamer Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 2.500 subsidiair 35 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. [medeverdachte/bedrijf 1] en/of [bedrijf 3] , in of omstreeks de periode van 24 oktober 2013 tot en met 6 maart 2014, te Rotterdam en/of te Schiedam en/of Vlissingen, in elk geval in Nederland en/of te Frankrijk, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en/of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door (een) afvalstof(fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [Schip 1] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en/of stook- en/of dieselolie en/of bilge-olie en/of fuel olie en/of sludge en/of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie(s) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen, zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Nederland en/of Frankrijk naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven; subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 24 oktober 2013 tot en met 6 maart 2014, te Rotterdam en/of te Schíedam en/of Vlissingen, in elk geval in Nederland, en/of te Frankrijk, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en/of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door (een) afvalstof(fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [Schip 1] , in we [medeverdachte/bedrijf 1] maakte in de tenlastegelegde periode onderdeel uit van een groep van vennootschappen waarin [verdachte] steeds een actieve en bestuurlijke rol vervulde. Het hof zal om die reden dan ook spreken van het “ [verdachte] concern”. Het [verdachte] concern houdt zich bezig met de exploitatie van schepen die zijn gebouwd voor het vervoeren van zware en moeilijk te vervoeren lading. Het [medeverdachte/bedrijf 2] concern beheert een vloot van dit soort gespecialiseerde schepen en opereert wereldwijd. De [Schip 1] was een E-klasse schip, een zwaar ladingschip, gebouwd in 1989. De [Schip 2] was een G-klasse schip, gebouwd in 1995,een cargoschip, speciaal gebouwd voor het vervoeren van krachtcentrale materialen. [verdachte] , verdachte in de zaak met rolnummer 22-002078-23, was destijds bestuurder van [bedrijf 4] Deze vennootschap was enig aandeelhouder van [bedrijf 5] Bestuurder (zelfstandig bevoegd) van [bedrijf 5] was de verdachte, [verdachte] . [bedrijf 5] was enig aandeelhouder van een aantal vennootschappen, waaronder [medeverdachte/bedrijf 1] , [bedrijf 6] , [bedrijf 3] en [medeverdachte/bedrijf 2] . Bestuurders van [medeverdachte/bedrijf 1] waren [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [bestuurder 1] en [bestuurder 2] . Zij waren allen zelfstandig bevoegd. Bestuurders van [bedrijf 6] waren [medeverdachte/bedrijf 1] en [verdachte] . [bedrijf 3] was een op Curaçao geregistreerde vennootschap met als enig aandeelhouder [bedrijf 5] en als bestuurder [medeverdachte/bedrijf 1] en [directeur] als directeur. [medeverdachte/bedrijf 1] was eveneens bestuurder van [medeverdachte/bedrijf 2] . Het schip [Schip 1] was ondergebracht in [bedrijf 3] Het schip [Schip 2] was ondergebracht in [medeverdachte/bedrijf 2] . Bovenstaande kan als volgt in een schema worden weergegeven: [schema betrokken vennootschappen] Het schema laat zien dat [verdachte] de uiteindelijk belanghebbende en de (directe of indirecte) bestuurder van alle in deze zaak relevante vennootschappen was. [bedrijf 5] was bestuurder van zowel [medeverdachte/bedrijf 1] als van [medeverdachte/bedrijf 2] . als van [bedrijf 3] [verdachte] was weer bestuurder van [bedrijf 5] [verdachte] had dan ook een functionele verantwoordelijkheid met betrekking tot de operationele exploitatie van beide schepen. Hierna zal het hof verder ingaan op de sloop van twee schepen; de [Schip 1] en de [Schip 2] . De [Schip 1] In het najaar van 2013 heeft de directie van [medeverdachte/bedrijf 1] de beslissing genomen om de [Schip 1] niet langer te exploiteren vanwege tegenvallende commerciële resultaten, daarbij in aanmerking nemend dat de [Schip 1] op korte termijn ook een verplichte survey zou moeten ondergaan, tegen aanzienlijke kosten. Besloten werd dat het schip zou worden verkocht. Uit een e-mail van 23 oktober 2013 van [fleetmanager] , fleetmanager bij het [medeverdachte/bedrijf 2] concern, aan de ingeschakelde tussenpersoon [tussenpersoon 1] (hierna: [tussenpersoon 1] ), volgt dat aanvankelijk alleen naar verkoop aan een sloper wordt gekeken. Uit een e-mail van 24 oktober 2013 volgt dat prijzen worden opgevraagd bij zowel Europese/Turkse slopers als bij Indiase/Aziatische slopers. Op 28 oktober 2013 vraagt [medeverdachte 1] per e-mail aan de verdachte of men ook van (de mogelijkheid van) commerciële verkoop (hierna: ‘varende verkoop’) uit moet gaan. De verdachte antwoordt op dezelfde datum dat men voorlopig voor een maximale opbrengst gaat en dat over prijsverschillen tussen Turkse en Aziatische slopers te zijner tijd wordt beslist. In zijn e-mail van 30 oktober 2013 aan de bestuurders [bestuurder 2] en [medeverdachte 2] (in cc aan onder andere de bestuurder [medeverdachte 1] ) vraagt de verdachte hen expliciet om een, gelet op de naderende onderhoudsdatum, spoedig advies over de te maken keuze tussen slopen, verder exploiteren (maar dan met winst) en varende verkoop. Diezelfde avond vraagt [fleetmanager] ( [medeverdachte 1] in cc), kennelijk als reactie naar aanle Commercieel directeur van [medeverdachte/bedrijf 1] , de heer [medeverdachte 2] , werd als projectleider aangesteld. Hij heeft tussenpersoon [tussenpersoon 2] gevraagd om uit te zoeken of er interesse was op de tweedehandsmarkt. Op 10 maart 2015 meldde [tussenpersoon 2] dat het Italiaanse bedrijf [Italiaanse aspirant koper] (hierna: de Italiaanse aspirant koper) een bod van $ 4.600.000 voor de koop van de drie G-klasse schepen had gedaan, onder voorbehoud van financiering. Gelijktijdig met dit mogelijke verkooptraject heeft [medeverdachte 2] door broker [tussenpersoon 1] onderzoek laten doen naar de mogelijkheden voor sloop. Op 17 april 2015 liet [tussenpersoon 1] weten dat meerdere sloopwerven een bod hadden gedaan op de [Schip 2] , waaronder [sloopwerf] , waar eerder ook de [Schip 1] gesloopt werd. Uit e-mail correspondentie op 16 april 2015 tussen [medeverdachte 2] en [senior technical superintendent] ( senior technical superintendent ) volgt dat is besloten ervan uit te gaan dat de [Schip 2] gesloopt gaat worden: “ we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk”. De mogelijkheid dat het nog zou lukken om het schip aan de Italiaanse aspirant koper te verkopen (‘varende verkoop’) werd toen niet meer reëel geacht. Op 16 april 2015 lag het schip voor de kust van Cadiz, Spanje. Op 21 april 2015 is [medeverdachte/bedrijf 1] met de genoemde sloopwerf [sloopwerf] overeengekomen dat de [Schip 2] voor een bedrag van $ 788.912,40 aan [sloopwerf] zou worden verkocht, onder voorbehoud van goedkeuring van de directie uiterlijk op 24 april 2015. De memorandum of agreement (MOA) tussen [medeverdachte/bedrijf 2] . en [sloopwerf] is diezelfde dag getekend. Van 27 januari 2015 tot en met 18 april 2015 is de [Schip 2] operationeel geweest en vervoerde het schip lading naar Baltimore (USA) en binnen de Europese Unie. Op 18 april 2015 is de [Schip 2] vanuit Cádiz (Spanje) naar La Goulette (Tunesië) en dus buiten de Europese Unie gevaren, waar het op 21 apri1 2015 arriveerde. Op 27 april 2015 is de [medeverdachte/bedrijf 2] via de Egeïsche zee richting Turkije gevaren, waar het op 28 april 2015 het strand van Aliaga is opgevaren en vervolgens is gesloopt. Van de voorgenomen sloop van de [Schip 2] is geen kennisgeving als bedoeld in de EVOA gedaan en evenmin is daarvoor door enige autoriteit toestemming verkregen. Juridisch kader De navolgende bepalingen — zoals die golden ten tijde van het ten laste gelegde — zijn relevant. - Op grond van artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) is het verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EVOA. Overtreding van artikel 10.60, tweede lid, Wm is strafbaar gesteld in artikel 1 a, sub 1°, van de Wet op de economische delicten (Hierna: WED). Indien opzettelijk gepleegd is dit economische delict op grond van artikel 2 WED een misdrijf. - Hoofddoel van de EVOA is de bescherming van het milieu. In de EVOA zijn procedures en controleregelingen voor de overbrenging van afvalstoffen vastgelegd. De EVOA is onder andere van toepassing op de overbrenging van afvalstoffen die uit de Gemeenschap naar derde landen worden uitgevoerd (artikel 1). - Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 1 van de EVOA wordt onder afvalstoffen verstaan: `afvalstoffen als omschreven in artikel l, lid l, onder a) van Richtlijn 2006/12/EG'. Richtlijn 2006/12/EG is vervangen door de Kaderrichtlijn Afvalstoffen 2008/98/EG (hierna: KRA). Ten tijde van de tenlastegelegde feiten in 2012 was de KRA van toepassing. - Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 1 KRA wordt onder afvalstof verstaan: `elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen'. - Volgens artikel 2, aanhef en onder 34 van de EVOA is `overbrenging' het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen dat plaatsvindt of gepland is plaats te hebben tussen een land en een ander land. - Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 15 KRA wordt onder n Eveneens volgens vaste rechtspraak worden stoffen of voorwerpen die een commerciële waarde hebben of voor economisch hergebruik geschikt zijn, niet om die reden uitgesloten van het begrip afvalstof. Met andere woorden: onder omstandigheden kan een voorwerp zowel kwalificeren als afvalstof als voor economisch hergebruik geschikt zijn. In verband met het uitgangspunt dat het begrip afvalstof ruim moet worden uitgelegd, kan van economisch hergebruik slechts dan sprake zijn indien dat hergebruik niet slechts mogelijk, maar zeker is. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of de houder van het voorwerp of de stof in kwestie daadwerkelijk voornemens was zich ervan te ontdoen . Daarbij moet hij alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. De doelstelling van de richtlijn, namelijk ervoor zorgen dat de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moet daarbij eveneens voor ogen worden gehouden. De [Schip 1] en de [Schip 2] als afvalstof Uit hetgeen hiervoor is weergegeven volgt dat bij [medeverdachte/bedrijf 1] op 18 november 2013 respectievelijk 16 april 2015 het voornemen ontstond om zich van de schepen te ontdoen vanwege commerciële en financiële overwegingen. De schepen waren niet meer winstgevend en het lag evenmin in de lijn der verwachting dat zij nog rendabel konden worden. Nadat het besluit om afscheid te nemen van de schepen was genomen, zijn medewerkers van [medeverdachte/bedrijf 1] actief gaan onderzoeken welke mogelijkheden er waren om de schepen op korte termijn te verkopen of te laten slopen. Bedrijfseconomisch waren beide schepen een last geworden, van welke last [medeverdachte/bedrijf 1] zich wilde ontdoen, zodat beide schepen vanaf dat moment een afvalstof waren in de zin van de EVOA. Het feit dat de schepen na dit besluit nog commercieel zijn ingezet en lading hebben vervoerd, tot kort voor het moment waarop zij naar de sloopwerf in Turkije zijn gevaren, doet niet af aan deze conclusie. Uit het hiervoor aangehaalde arrest van het Hof van Justitie blijkt immers dat voor de kwalificatie als afvalstof doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de intentie en het gedrag van de houder. Zoals hiervoor overwogen was het de intentie van [medeverdachte/bedrijf 1] zich van de schepen te ontdoen en heeft [medeverdachte/bedrijf 1] zich daar ook naar gedragen. Het feit dat het, in het geval van de [Schip 2] , op dat moment (nog) niet (100%) vaststond dat de schepen zouden worden gesloopt omdat varende verkoop nog tot de mogelijkheden leek te behoren, maakt in de gegeven omstandigheden evenmin dat de schepen niet als afvalstof in de zin van de EVOA moeten worden beschouwd op het moment dat besloten werd zich van de schepen te ontdoen. Ook een voorwerp dat voor hergebruik geschikt is, kan een afvalstof zijn. Door de intentie van [medeverdachte/bedrijf 1] om zich te ontdoen van de schepen en omdat varende verkoop, en dus hergebruik zonder vooraf een procedé voor de nuttige toepassing als bedoeld in bijlage 11 van de KRA, bij de [Schip 2] , weliswaar mogelijk maar niet zeker was, waren de schepen als afvalstof aan te merken. Op het moment dat het zeker zou zijn dat de schepen alsnog (varend) zouden worden verkocht, zouden zij de status van afvalstof hebben verloren, maar daarvan is bij beide schepen geen sprake geweest. Het hof ziet geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij de door de verdediging aangevoerde momenten waarop de schepen als afvalstof gekwalificeerd zouden moeten worden, te weten als tot sloop wordt besloten of als het schip richting sloopwerf gaat in het geval het tussentijds nog regulier vaart. Deze opvattingen getuigen van een (te) restrictieve uitleg van het “zich ontdoen van” en dus van het begrip afvalstof in de zin van artikel l, lid 1, sub a van de KRA, een uitleg die niet past bij de doelstellingen van de EVOA Gelet op de tijdspanne die nog resteert tot het moment waarop de verplichte survey aan de orde zou zijn en gelet op de e-mail van 16 april 2015 van [medeverdachte 2] aan [senior technical superintendent] (“we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk”) werd deze kans door de verdachten niet anders dan theoretisch geacht. Nu is nagelaten kennisgeving van de overbrenging te doen of toestemming van de autoriteiten te verkrijgen, is door [medeverdachte/bedrijf 2] . gehandeld in strijd met artikel 38 van de EVOA. Feitelijke leidinggeven door de verdachte Uitgangspunten Van feitelijk leidinggeven aan een door een rechtspersoon gepleegd strafbaar feit is sprake wanneer een verdachte dit strafbare feit actief en effectief heeft bevorderd. Als feitelijk leidinggeven geldt eveneens het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die gedraging feitelijk leiding te hebben gegeven. Ook een passievere rol kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. Daarbij heeft de Hoge Raad in het bijzonder het oog op het geval de verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming c.q. beëindiging van de verboden gedragingen en zodanige maatregelen achterwege laat. Tot slot geldt dat in het subjectieve aspect van feitelijk leidinggeven is besloten dat opzet op de verboden gedraging vereist is. Daarvoor geldt als ondergrens dat de feitelijk leidinggever de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Aanvaarding van de onrechtmatigheid van de gedraging (‘boos opzet’) is geen vereiste. Heeft de rechtspersoon een strafbaar feit begaan met betrekking tot de [Schip 1] ? Standpunt verdediging Ter terechtzitting in hoger beroep is allereerst bepleit – op gronden zoals vermeld in de pleitnotities van de raadslieden – dat de feiten niet aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend, alsmede dat zij niet opzettelijk hebben gehandeld. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. In het najaar van 2023 besluit de directie van [medeverdachte/bedrijf 1] , onder andere bestaande uit [verdachte] en [medeverdachte 1] , dat afscheid genomen gaat worden van de [Schip 1] . Het feitelijk management over en de feitelijke exploitatie van zowel de [Schip 1] als de [Schip 2] geschiedde vanuit [medeverdachte/bedrijf 1] en werd door deze vennootschap in nauwe en bewuste samenwerking met de andere vennootschappen uitgevoerd. Vanuit die hoedanigheid hadden de betrokken rechtspersonen feitelijke beschikkingsmacht over het schip. De exploitatie werd feitelijk aangestuurd door, onder andere, [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] (alle drie bestuurders) en [senior technical superintendent] ( senior technical superintendent ), [bedrijfsjurist] (bedrijfsjurist), [fleetmanager] ( fleetmanager ) en [bestuurder 2] (eveneens bestuurder), allen in dienst van een [verdachte] vennootschap. Met betrekking tot de [Schip 1] stuurt fleetmanager [fleetmanager] op 24 oktober 2013 een e-mail aan [vertegenwoordiger] , vertegenwoordiger van de broker [tussenpersoon 1] die [medeverdachte/bedrijf 2] kennelijk als tussenpersoon hanteert als het gaat om het slopen van een schip. [fleetmanager] meldt [vertegenwoordiger] dat hij op dit moment alleen kijkt naar mogelijkheden tot sloop van de [Schip 1] in april/mei 2014. [medeverdachte 1] en [bestuurder 2] staan in de cc. In een -email van 28 oktober 2013 vraagt [medeverdachte 1] aan [verdachte] en [bestuurder 2] of ze ook nog naar varende verkoop zullen kijken: “Willen we principieel slopen of zullen we nog naar verkoop kijken?” . Daarbij geeft hij tevens de globale verschillen in kosten aan tussen slopen door een Turkse dan wel een Indiase werf. Op dezelfde dag antwoordt [verdachte] a De directie gaat af op het advies van de legal counsil.” Uit het vorengaande concludeert het hof dat de leidinggevenden van [medeverdachte/bedrijf 1] , waaronder [verdachte] en [medeverdachte 1] , het besluit tot verkoop en overbrenging van de [Schip 1] aan een in Turkije gevestigde sloper hebben genomen waarbij zij wisten dat voldaan moest worden aan de EVOA indien het schip “vanuit een europese haven” werd verkocht en dat er dan een “EVOA verklaring” moest worden opgemaakt omdat de autoriteiten het schip in dat geval als “afval” zagen en er sprake was van een overbrenging naar een land buiten Europa. Afgaande op het advies van [bedrijfsjurist] heeft de directie van [medeverdachte/bedrijf 1] echter besloten géén voorafgaande kennisgeving te doen of om toestemming van de autoriteiten voor de overbrenging te vragen. Deze gedragingen van leidinggevenden worden redelijkerwijs aan [medeverdachte/bedrijf 1] en [bedrijf 3] toegerekend nu de leidinggevenden in dienst waren van deze rechtsperso(o)n(en) dan wel daarvan direct of indirect bestuurder waren, de gedragingen op zichzelf passen in de sfeer van de rechtspersonen en dienstig zijn geweest aan de rechtspersonen. [medeverdachte/bedrijf 1] en [bedrijf 3] hebben derhalve een strafbaar feit gepleegd door voorafgaand aan de overbrenging van de [Schip 1] naar Turkije geen kennisgeving te doen en evenmin om toestemming voor die overbrenging heeft gevraagd. Nu de leidinggevenden wisten dat de autoriteiten het schip als “afval” kwalificeerden en de EVOA in dergelijke gevallen een ‘verklaring’ eiste alvorens werd overgegaan tot overbrenging van het schip vanuit de EU naar een land buiten de EU en niettemin die overbrenging hebben laten uitvoeren zonder voorafgaande kennisgeving aan en/of toestemming van de autoriteiten hebben zij opzettelijk nagelaten van de voorgenomen overbrenging een kennisgeving te doen dan wel toestemming te vragen. Dit opzet kan aan de rechtspersonen worden toegerekend. Kwalificeert de verdachte [verdachte] als feitelijk leidinggever met betrekking tot de [Schip 1] ? Standpunt verdediging Betoogd is, zoals uitgewerkt in de overgelegde pleitnota, dat [verdachte] feitelijk niet (actief) betrokken was bij de operationele gang van zaken rond het afstoten van de beide schepen. Noch via [bedrijfsjurist] (die niet aan [verdachte] maar rechtstreeks aan [medeverdachte 1] rapporteerde), noch via [medeverdachte 1] , noch via fleetmanager [fleetmanager] is [verdachte] in kennis gesteld van hetgeen zich in het kader van het afstoten van de [Schip 1] en de [Schip 2] heeft afgespeeld. Daarom ontbreekt bij [verdachte] het vereiste element van ‘wetenschap’ en daardoor tevens het voor feitelijk leiding geven zelfstandig opzet vereiste. Zonder kennis te hebben gedragen van de verboden gedraging kan evenmin worden gesteld dat [verdachte] ‘gehouden was’ in te grijpen. Voorts wordt betoogd dat het (kleurloze) opzet niet alleen moet zijn gericht op de overbrenging, maar ook op het feit dat sprake is van een afvalstof en dat geen kennisgeving is gedaan. Zulk opzet kan niet worden bewezen. Tenslotte is betoogd dat de verdachten mochten afgaan op het advies van [bedrijfsjurist] (de bedrijfsjurist) omtrent de toepasselijkheid van de EVOA en dat, zo zij niet op dat advies mochten vertrouwen er sprake was van verschoonbare rechtsdwaling ten aanzien van die toepasselijkheid, hetgeen zou moeten resulteren in een ontslag van alle rechtsvervolging. Overwegingen van het hof Uit het vorengaande concludeert het hof echter dat [verdachte] de belangrijkste, beleidsbepalende persoon was binnen het [verdachte] concern. Belangrijke beslissingen, zoals het afstoten van schepen, werden niet zonder overleg met hem genomen. Met betrekking tot de beslissing om de [Schip 1] varend te verkopen dan wel te slopen drong hij aan op spoed. Bovendien wilde [verdachte] zich nadrukkelijk inzetten voor “groene sloop” teneinde te voorkomen dat werknemers in dienst van de sloper onder onveilige omstandigheden moesten werken Hieruit volgt dat (na de overbrenging van de [Schip 1] , die slechts ruim een jaar eerder plaatsvond) opnieuw de vraag wordt besproken of en wanneer er een verplichting tot kennisgeving aan dan wel een toestemming van de autoriteiten voor de overbrenging is vereist. Op 9 april 2015 mailt bestuurder [medeverdachte 2] aan [fleetmanager] en [bedrijfsjurist] dat “maandag” (het hof begrijpt: maandag 13 april 2015) definitief wordt beslist of de [Schip 2] (varend) wordt verkocht. “Als het niet doorgaat, dan gaan we verder met scrappen vd [Schip 2] . (…) Het lijkt me verstandig om vanaf nu nog een keer naar de kwaliteit te kijken van de 3 turkse scrapyards die destijds hebben aangeboden. Dan kunnen we vanaf maandag, als de verkoop niet doorgaat, gelijk door met [tussenpersoon 1] (onze scrap broker) gelijk door.” Op 14 april 2015 meldt de kapitein van de [Schip 2] aan [senior technical superintendent] (cc: [fleetmanager] ) dat hij heeft gehoord dat het schip wordt gesloopt, hetgeen diezelfde dag door [senior technical superintendent] wordt bevestigd. Vanaf 14 april 2015 worden alle voorbereidingen getroffen voor een verkoop met en levering aan een Turkse sloper ( [sloopwerf] ), inclusief afspraken over een inspectie van de sloopwerven die [sloopwerf] ter beschikking staan (omdat men zich zoveel mogelijk wilde verzekeren van een “groene sloop”), het overeenkomen van de definitieve voorwaarden en het opstellen van de definitieve contracten. Op 16 april 2015 mailt bestuurder [medeverdachte 2] aan [senior technical superintendent] dat is besloten ervan uit te gaan dat de [Schip 2] gesloopt gaat worden: “ we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk”. Op 26 april 2015 arriveert het schip in Aliaga waar het op 28 april 2015 het strand werd opgevaren. Het hof stelt vast dat nog geen jaar nadat de verkoopovereenkomst met [sloopwerf] (14 februari 2014) was gesloten opnieuw beslist is een schip aan [sloopwerf] te verkopen opdat het schip op een werf in Turkije gesloopt zou worden. In de voorbereiding tot de verkoop van de [Schip 2] is door leidinggevenden (in ieder geval [medeverdachte 2] en [bedrijfsjurist] ) opnieuw besproken en besloten dat geen kennisgeving aan of toestemming van de autoriteiten behoefde te worden gevraagd, waarbij de directie opnieuw is afgegaan op het advies van bedrijfsjurist [bedrijfsjurist] . Deze gedragingen van leidinggevenden worden redelijkerwijs aan [medeverdachte/bedrijf 1] en [medeverdachte/bedrijf 2] . toegerekend nu de leidinggevenden in dienst waren van deze rechtsperso(o)n(en) dan wel direct of indirect actief bestuurder waren van de rechtspersonen, de gedragingen op zichzelf passen in de sfeer van de rechtspersonen en dienstig zijn geweest aan de rechtspersonen. [medeverdachte/bedrijf 1] en [medeverdachte/bedrijf 2] . hebben derhalve een strafbaar feit gepleegd door voorafgaand aan de overbrenging van de [Schip 2] naar Turkije geen kennisgeving te doen en evenmin om toestemming voor die overbrenging te vragen. Nu de leidinggevenden ook ten aanzien van de [Schip 2] wisten dat de autoriteiten het schip als “afval” kwalificeerden en de EVOA in dergelijke gevallen een ‘verklaring’ eiste alvorens werd overgegaan tot overbrenging van het schip vanuit de EU naar een land buiten de EU en niettemin die overbrenging hebben laten uitvoeren zonder voorafgaande kennisgeving aan en/of toestemming van de autoriteiten hebben zij opzettelijk nagelaten van de voorgenomen overbrenging een kennisgeving te doen dan wel toestemming te vragen. Deze opzet kan aan de rechtspersonen worden toegerekend. Kwalificeert de verdachte [verdachte] als feitelijk leidinggever met betrekking tot de [Schip 2] ? Standpunt verdediging De verweren van de verdediging, zoals nader uitgewerkt in de overgelegde pleitnotites, ten aanzien van het feitelijk leidinggeven met betrekking tot de [Schip 2] , zijn dezelfde als de verweren die zijn gevoerd met betrekking tot het feitelijk leidinggeven ten aanzien van de [Schip 1] . Zij komen er Evenmin is gesteld noch gebleken dat de verdachten een in de complexe materie van overbrenging van afvalstoffen gespecialiseerde en onafhankelijke jurist om advies hebben gevraagd. Opvallend is dat in de correspondentie en het overleg tussen [medeverdachte/bedrijf 2] medewerkers onderling en tussen [medeverdachte/bedrijf 2] medewerkers en derden geen enkele aandacht wordt besteed aan het gegeven, welk gegeven uit de tekst van de regelgeving op simpele wijze valt op te maken, dat een persoon al een kennisgevingsplicht omtrent de overbrenging van afvalstoffen heeft als hij voornemens is afvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen (EVOA artikel 2 sub 15 onder a) en dat “overbrenging” gedefinieerd wordt als “het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen dat plaatsvindt of gepland is plaats te hebben” (EVOA artikel 2 sub 34). Het advies van [bedrijfsjurist] komt erop neer dat, indien ervoor wordt gezorgd dat het schip te allen tijde vanuit een niet-EU land Turkije binnenvaart de EVOA nimmer van toepassing is. Daarmee wordt een dermate beperkte interpretatie van het begrip “voornemen tot overbrenging” toegepast dat voor een professionele scheepvaart exploitant duidelijk is dat deze interpretatie geen recht doet aan de bedoelingen van de EVOA en de KRA. Om deze redenen verwerpt het hof dit verweer, nog daargelaten dat een ieder wordt geacht de wet te kennen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. [medeverdachte/bedrijf 1] en /of [bedrijf 3] , in of omstreeks de periode van 24 oktober 2013 tot en met 6 maart 2014, te Rotterdam en/of te Schiedam en/of Vlissingen, in elk geval in Nederland en/of te Frankrijk , in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met ( een ) ander (en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling ( en ) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en /of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door ( een ) afvalstof ( fen ) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [Schip 1] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en /of stook- en /of dieselolie en /of bilge-olie en /of fuel olie en /of sludge en /of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie ( s ) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen , zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Nederland en/of Frankrijk naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en /of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander ( en ) , althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven; 2. [medeverdachte/bedrijf 1] en /of [medeverdachte/bedrijf 2] ., in of omstreeks de periode van 27 januari 2015 tot en met 28 april 2015, te Schiedam, in elk geval in Nederland en/of te Spanje , in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met ( een ) ander (en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling ( en ) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en /of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door ( een ) afvalstof (fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [Schip 2] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en /of stook- en /of dieselolie en /of bilge-olie en /of fuel olie en /of sludge en /of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie ( s ) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen en/of asbest , zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlag 1013/2006 respectievelijk aan Richtlijnen 2008/98/EG en 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad.” Overweging 17: “De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties die gelden voor inbreuken op deze verordening en ervoor zorgen dat die sancties worden toegepast om te voorkomen dat de scheepsrecyclingregels worden omzeild. De sancties, die van civiel- of bestuursrechtelijke aard kunnen zijn, moeten doeltreffend en evenredig zijn en een afschrikkende werking hebben. Artikel 2 “ werkingssfeer 1. Deze verordening, met uitzondering van artikel 12, is van toepassing op schepen die de vlag van een lidstaat voeren. (…)” Artikel 6: “ Algemene voorschriften voor scheepseigenaren 1. Bij het voorbereiden van het recyclen van een schip moeten scheepseigenaren: a. a) de exploitant van de scheepsrecyclinginrichting alle relevante informatie over het schip verstrekken die nodig is voor het opstellen van het scheepsrecyclingplan beschreven in artikel 7; b) de betrokken administratie binnen een door die administratie te bepalen termijn schriftelijk kennisgeven van de intentie om een schip te recyclen in één of meerdere specifieke scheepsrecyclinginrichtingen. De kennisgeving bevat ten minste: i) de inventaris van gevaarlijke materialen, en ii) alle relevante informatie over het schip als bedoeld in punt a). Artikel 7: “ Scheepsrecyclingplan 1. Voordat er enige recycling van een schip plaatsvindt, wordt een voor elk schip specifiek scheepsrecyclingplan opgesteld. Het scheepsrecyclingplan behandelt alle aspecten van een specifiek schip die niet onder het plan van de scheepsrecycling inrichting vallen, of waarvoor speciale procedures nodig zijn. (…)” Artikel 8: “ Inspecties 3. Schepen worden onderworpen aan de volgende inspecties: a. a) een eerste inspectie; b) een hernieuwde inspectie; c) een aanvullende inspectie; d) een laatste inspectie. 4. De eerste inspectie van een nieuw schip wordt verricht voordat het schip in dienst wordt genomen, of voordat het inventariscertificaat wordt afgegeven. Voor bestaande schepen wordt uiterlijk op 31 december 2020 een eerste inspectie uit gevoerd. (…)” Artikel 22: Handhaving in lidstaten 1. Lidstaten stellen regels voor sancties vast die gelden voor inbreuken op deze verordening, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De voorziene sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. Tussenoverweging hof Nu de [Schip 1] en de [Schip 2] onder Nederlandse vlag voeren en niet van de werking van de Scheepsrecyclingsverordening zijn uitgesloten, is de Scheepsrecyclingsverordening van toepassing op de schepen [Schip 1] en [Schip 2] . In overweging 10 van de Scheepsrecyclingsverordening is, zo begrijpt het hof, het volgende bepaald: 1. dat doublures moeten worden vermeden en dat daarom schepen die onder het toepassingsbereik van de Scheepsrecyclingsverordening vallen, dienen te worden uitgesloten van het toepassingsbereik van (onder meer) de EVOA; 2. dat een schip dat gedurende zijn hele levenscyclus aan de afwijkende controleregeling in het kader van de Scheepsrecyclingsverordening is onderworpen, niet aan de EVOA mag worden onderworpen, en 3. dat schepen die buiten het toepassingsgebied van de Scheepsrecyclingsverordening vallen onderworpen moeten blijven aan (onder meer) de EVOA. Ten aanzien van de schepen [Schip 1] en [Schip 2] is (uitsluitend) sprake van de hiervoor onder 1 aangeduide categorie: schepen die onder het toepassingsbereik van de Scheepsrecyclingsverordening vallen. Geen verandering van wetgeving Voor die categorie schepen bevat overweging 10 van de Scheepsrecyclingsverordening een overgangsbepaling, inhoudende dat schepen van het toepassingsbereik van de EVOA dienen te worden uitgesloten indien dat tot doublures zou leiden. In dit geval is er nimmer sprake geweest van een dergelijke doublure aangezien is gesteld noch gebleken dat de schepen [Schip 1] en [Schip 2] ooit onderworpen zijn geweest aan de Scheepsrecyclingsverordening, die immers nog ni Uit het feit dat de kennisgevingsnorm onder artikel 6 lid 1 onder b van de Scheepsrecyclingsverordening niet ook strafrechtelijk gehandhaafd wordt, volgt op zichzelf niet dat bij de (unie)wetgever sprake is van een gewijzigd inzicht voor wat betreft de strafwaardigheid van de EVOA norm. Bedoelde kennisgeving van de Scheepsrecyclingsverordening is een essentieel onderdeel van een breder stelsel van regels dat tot doel heeft omzeiling van de regels voor de recycling (‘sloop’) van schepen te voorkomen en te verminderen en tot een betere grip op de recycling van schepen te komen. In zoverre moet eerder gesproken worden van een verzwaring van de bij recycling van schepen na te leven (combinatie van) regels. De kennisgeving kan daar niet zomaar worden uitgelicht en afzonderlijk worden beschouwd. Nu niet is gebleken van een gewijzigde opvatting van de (unie)wetgever inzake de strafbaarheid van de onderhavige norm van de EVOA, geldt het door de Hoge Raad gememoreerde uitgangspunt dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Dit betekent dat het verweer van de verdediging dient te worden verworpen, ook indien ervan uit wordt gegaan dat sprake is van dezelfde norm en dus van verandering in de wetgeving als bedoeld in artikel 1 lid 2 Sr. Voorwaardelijk verzoek Gelet op het vorenstaande – waarin het hof zelf antwoord heeft gegeven op de voorliggende rechtsvragen – wordt het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie thans niet noodzakelijk geacht, zodat dit verzoek wordt afgewezen. Conclusie Het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde levert derhalve op: medeplegen van feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte is als bestuurder nauw betrokken geweest bij de besluitvorming rond het ter sloop overbrengen van een tweetal zeeschepen naar Turkije. Hiervoor was geen toestemming van alle betrokken autoriteiten gevraagd. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op regels uit de EVOA, die primair zijn gegeven ter bescherming van het milieu. Meer in het bijzonder moet gezorgd worden voor een veilig en milieuvriendelijk beheer van het slopen van schepen, teneinde de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen. De procedure zoals de EVOA voorschrijft is van essentieel belang voor het toezicht en de controle op de overbrenging van afvalstoffen in overeenstemming met dit hoofddoel, omdat de bevoegde autoriteiten zich daardoor goed op de hoogte kunnen stellen en alle nodige maatregelen kunnen treffen ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu. Daarbij zorgt deze procedure voor de mogelijkheid voor de autoriteiten om op goede gronden bezwaar te maken tegen de overbrenging. Door en namens de verdachte is betoogd dat voor het bedrijf, een familiebedrijf, alleen het beste goed genoeg is en dat het bedrijf juist voorop wenst te lopen, ook op het gebied van de bescherming van mens en milieu. Hier heeft het hof beslist oog voor, maar het hof constateert ook dat de inspanningen hiertoe plaatsvinden vanuit het perspectief van wat bedrijfseconomisch verantwoord is, waarbij onvoldoende aandacht is geweest voor de kennisgevingsverplichting en het verkrijgen van toestemming van de overheid. Dit heeft er toe geleid dat