Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-01-28
ECLI:NL:GHDHA:2026:107
Strafrecht
Hoger beroep
36,438 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:107 text/xml public 2026-04-28T11:59:58 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-01-28 22-002080-23 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:107 text/html public 2026-04-28T11:51:57 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:107 Gerechtshof Den Haag , 28-01-2026 / 22-002080-23 Veroordeling voor overtredingen van de EVOA, ter zake van de overbrenging van een tweetal schepen naar een sloopwerf in Turkije. Bevat overwegingen over het toepasselijke juridisch kader, het begrip ‘afvalstof’ en het moment waarop sprake is van een voornemen tot overbrenging. Daarnaast is beslist op verweren ter zake van feitelijke leidinggeven, rechtsdwaling en de toepasselijkheid van de EVOA na het inwerkingtreden van Scheepsrecyclingsverordening. Rolnummer: 22-002080-23 Parketnummer: 83-156495-22 Datum uitspraak: 28 januari 2026 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag economische kamer Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 2.500 subsidiair 35 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. [B.V. 1] en/of [N.V.] , in of omstreeks de periode van 24 oktober 2013 tot en met 6 maart 2014, te Rotterdam en/of te Schiedam en/of Vlissingen, in elk geval in Nederland en/of te Frankrijk, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en/of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door (een) afvalstof(fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [schip 1] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en/of stook- en/of dieselolie en/of bilge-olie en/of fuel olie en/of sludge en/of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie(s) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen, zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Nederland en/of Frankrijk naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven; subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 24 oktober 2013 tot en met 6 maart 2014, te Rotterdam en/of te Schíedam en/of Vlissingen, in elk geval in Nederland, en/of te Frankrijk, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en/of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door (een) afvalstof(fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [schip 1] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en/of stook- en/of dieselolie en/of bilge-olie en/of fuel olie en/of sludge en/of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie(s) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen, zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Nederland en/of Frankrijk naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; 2. [B.V. 1] en/of [B.V. 2] , in of omstreeks de periode van 27 januari 2015 tot en met 28 april 2015, te Schiedam, in elk geval in Nederland en/of te Spanje, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en/of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door (een) afvalstof(fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [schip 2] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en/of stook- en/of dieselolie en/of bilge-olie en/of fuel olie en/of sludge en/of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie(s) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen en/of asbest, zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Spanje naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven; subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 27 januari 2015 tot en met 28 april 2015, te Schiedam, in elk geval in Nederland en/of te Spanje, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en/of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door (een) afvalstof(fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [schip 2] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en/of stook- en/of dieselolie en/of bilge-olie en/of fuel olie en/of sludge en/of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie(s) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen en/of asbest, zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Spanje naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 2.500 subsidiair 35 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Het hof doet op dezelfde datum uitspraak in de samenhangende zaken met de rolnummers: 22-002078-23 ( verdachte [bestuurder 2] ) 22-002080-23 ( verdachte [bestuurder 1/verdachte] ) 22-002089-23 ( verdachte [B.V. 1] ) 22-000290-23 ( verdachte [B.V. 2] Beoordeling van de zaak en de gevoerde verweren Inleiding Uit het dossier leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af. [B.V.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:107 text/xml public 2026-04-28T11:59:58 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-01-28 22-002080-23 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:107 text/html public 2026-04-28T11:51:57 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:107 Gerechtshof Den Haag , 28-01-2026 / 22-002080-23 Veroordeling voor overtredingen van de EVOA, ter zake van de overbrenging van een tweetal schepen naar een sloopwerf in Turkije. Bevat overwegingen over het toepasselijke juridisch kader, het begrip ‘afvalstof’ en het moment waarop sprake is van een voornemen tot overbrenging. Daarnaast is beslist op verweren ter zake van feitelijke leidinggeven, rechtsdwaling en de toepasselijkheid van de EVOA na het inwerkingtreden van Scheepsrecyclingsverordening. Rolnummer: 22-002080-23 Parketnummer: 83-156495-22 Datum uitspraak: 28 januari 2026 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag economische kamer Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 2.500 subsidiair 35 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. [B.V. 1] en/of [N.V.] , in of omstreeks de periode van 24 oktober 2013 tot en met 6 maart 2014, te Rotterdam en/of te Schiedam en/of Vlissingen, in elk geval in Nederland en/of te Frankrijk, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en/of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door (een) afvalstof(fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [schip 1] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en/of stook- en/of dieselolie en/of bilge-olie en/of fuel olie en/of sludge en/of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie(s) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen, zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Nederland en/of Frankrijk naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven; subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 24 oktober 2013 tot en met 6 maart 2014, te Rotterdam en/of te Schíedam en/of Vlissingen, in elk geval in Nederland, en/of te Frankrijk, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en/of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door (een) afvalstof(fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [schip 1] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en/of stook- en/of dieselolie en/of bilge-olie en/of fuel olie en/of sludge en/of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie(s) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen, zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Nederland en/of Frankrijk naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; 2. [B.V. 1] en/of [B.V. 2] , in of omstreeks de periode van 27 januari 2015 tot en met 28 april 2015, te Schiedam, in elk geval in Nederland en/of te Spanje, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en/of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door (een) afvalstof(fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [schip 2] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en/of stook- en/of dieselolie en/of bilge-olie en/of fuel olie en/of sludge en/of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie(s) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen en/of asbest, zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Spanje naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven; subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 27 januari 2015 tot en met 28 april 2015, te Schiedam, in elk geval in Nederland en/of te Spanje, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en/of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door (een) afvalstof(fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [schip 2] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en/of stook- en/of dieselolie en/of bilge-olie en/of fuel olie en/of sludge en/of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie(s) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen en/of asbest, zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Spanje naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 2.500 subsidiair 35 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Het hof doet op dezelfde datum uitspraak in de samenhangende zaken met de rolnummers: 22-002078-23 ( verdachte [bestuurder 2] ) 22-002080-23 ( verdachte [bestuurder 1/verdachte] ) 22-002089-23 ( verdachte [B.V. 1] ) 22-000290-23 ( verdachte [B.V. 2] Beoordeling van de zaak en de gevoerde verweren Inleiding Uit het dossier leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af. [B.V.
Volledig
1] maakte in de tenlastegelegde periode onderdeel uit van een groep van vennootschappen waarin [bestuurder 2] steeds een actieve en bestuurlijke rol vervulde. Het hof zal om die reden dan ook spreken van het “ [concern 1] ”. [concern 1] houdt zich bezig met de exploitatie van schepen die zijn gebouwd voor het vervoeren van zware en moeilijk te vervoeren lading. [concern 2] beheert een vloot van dit soort gespecialiseerde schepen en opereert wereldwijd. [schip 1] was een E-klasse schip, een zwaar ladingschip, gebouwd in 1989. [schip 2] was een G-klasse schip, gebouwd in 1995,een cargoschip, speciaal gebouwd voor het vervoeren van krachtcentrale materialen. [bestuurder 2] , verdachte in de zaak met rolnummer 22-002078-23, was destijds bestuurder van [B.V. 3] Deze vennootschap was enig aandeelhouder van [B.V. 4] (zelfstandig bevoegd) van [B.V. 4] was de verdachte, [bestuurder 2] . [B.V. 4] was enig aandeelhouder van een aantal vennootschappen, waaronder [B.V. 1] , [B.V. 5] , [N.V.] en [B.V. 2] Bestuurders van [B.V. 1] waren [bestuurder 2] , [bestuurder 1/verdachte] , [bestuurder 3] , [bestuurder 4] en [bestuurder 5] . Zij waren allen zelfstandig bevoegd. Bestuurders van [B.V. 5] waren [B.V. 1] en [bestuurder 2] . [N.V.] was een op Curaçao geregistreerde vennootschap met als enig aandeelhouder [bestuurder 2] Holding B.V. en als bestuurder [B.V. 1] en [geïnteresseerde 1] als directeur. [B.V. 1] was eveneens bestuurder van [B.V. 2] Het schip [schip 1] was ondergebracht in [N.V.] Het schip [schip 2] was ondergebracht in [B.V. 2] Bovenstaande kan als volgt in een schema worden weergegeven: [schema betrokken vennootschappen] Het schema laat zien dat [bestuurder 2] de uiteindelijk belanghebbende en de (directe of indirecte) bestuurder van alle in deze zaak relevante vennootschappen was. [B.V. 4] was bestuurder van zowel [B.V. 1] als van [B.V. 2] als van [N.V.] [bestuurder 2] was weer bestuurder van [B.V. 4] [bestuurder 2] had dan ook een functionele verantwoordelijkheid met betrekking tot de operationele exploitatie van beide schepen. Hierna zal het hof verder ingaan op de sloop van twee schepen; [schip 1] en [schip 2] . [schip 1] In het najaar van 2013 heeft de directie van [B.V. 1] de beslissing genomen om [schip 1] niet langer te exploiteren vanwege tegenvallende commerciële resultaten, daarbij in aanmerking nemend dat [schip 1] op korte termijn ook een verplichte survey zou moeten ondergaan, tegen aanzienlijke kosten. Besloten werd dat het schip zou worden verkocht. Uit een e-mail van 23 oktober 2013 van [fleetmanager] , fleetmanager bij [concern 1] , aan [tussenpersoon 1] , volgt dat aanvankelijk alleen naar verkoop aan een sloper wordt gekeken. Uit een e-mail van 24 oktober 2013 volgt dat prijzen worden opgevraagd bij zowel Europese/Turkse slopers als bij Indiase/Aziatische slopers. Op 28 oktober 2013 vraagt [verdachte] per e-mail aan de verdachte of men ook (de mogelijkheid van) commerciële verkoop (hierna: ‘varende verkoop’) uit moet gaan. De verdachte antwoordt op dezelfde datum dat men voorlopig voor een maximale opbrengst gaat en dat over prijsverschillen tussen Turkse en Aziatische slopers te zijner tijd wordt beslist. In zijn e-mail van 30 oktober 2013 aan de bestuurders [bestuurder 5] en [bestuurder 3] (in cc aan onder andere de [bestuurder 1/verdachte] ) vraagt de verdachte hen expliciet om een, gelet op de naderende onderhoudsdatum, spoedig advies over de te maken keuze tussen slopen, verder exploiteren (maar dan met winst) en varende verkoop. Diezelfde avond vraagt [fleetmanager] ( [bestuurder 1/verdachte] in cc), kennelijk als reactie naar aanleiding van het verzoek om advies van de verdachte, aan [tussenpersoon 1] of er ook een tweedehands markt is voor [schip 1] . [tussenpersoon 1] laat in een e-mail van 18 november 2013, gericht aan onder andere [bestuurder 1/verdachte] , weten dat sloop de beste optie lijkt, omdat verkoop op de tweedehandsmarkt niet méér zou opbrengen dan de schrootwaarde terwijl het schip in geval van sloop geen concurrentie voor het concern zou opleveren. Vanaf dat moment zijn alleen mogelijkheden tot sloop bekeken. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat nog concreet aan een varende verkoop van [schip 1] werd gedacht. [fleetmanager] heeft bij de redersvereniging geïnformeerd naar toepasselijke wetgeving in geval van sloop. Naar aanleiding van zijn vragen heeft de redersvereniging hem enkele stukken toegezonden. Hij heeft in zijn e-mail van 17 januari 2014 aan [bestuurder 1/verdachte] en [bedrijfsjurist] , de bedrijfsjurist binnen [concern 1] , bericht dat het schip volgens deze vereniging als een afvalstof wordt gezien en dat een EVOA verklaring moet worden opgemaakt als het schip vanuit Europa wordt uitgevoerd naar een land buiten Europa. [bedrijfsjurist] heeft de verdachte en [bestuurder 1/verdachte] vervolgens, op basis van de informatie van de redersvereniging en op basis van mondelinge informatie van [informateur] geadviseerd dat de EVOA niet van toepassing zou zijn als er maar voor werd gezorgd dat het schip van buiten de EU werd overgebracht naar Turkije. Turkije was relevant omdat de slooplocaties van de geïnteresseerde sloopwerven in Turkije lagen. In een e-mail aan [bestuurder 1/verdachte] berichtte [bedrijfsjurist] verder nog dat hij het liefst de formele procedures wilde vermijden vanwege de Nederlandse, tijdrovende bureaucratie. De verdachte en [bestuurder 1/verdachte] zijn afgegaan op het advies van [bedrijfsjurist] . Op 30 januari 2014 hadden zich zeven geïnteresseerde sloopwerven gemeld, die allen het schip in Aliaga, Turkije, wilden ontvangen. Eén daarvan was de sloopwerf [een sloper] . Nadat in opdracht van [concern 1] op 13 februari 2014 ter plaatse nog een inspectie was uitgevoerd en gerapporteerd was dat de werf geschikt was voor milieuvriendelijke sloop, heeft de directie van [B.V. 1] besloten [schip 1] aan sloper [een sloper] te verkopen. Bij Memorandum of Agreement (hierna: MOA) van 14 februari 2014 heeft [geïnteresseerde 1] als directeur van [N.V.] [schip 1] verkocht aan [een sloper] voor een bedrag van $ 1.089.921,-. Op 30 januari 2014 bevond [schip 1] zich op de Westerschelde, voor de kust van Vlissingen. Van 31 januari 2014 tot 2 maart 2014 is [schip 1] nog operationeel geweest en vervoerde het schip lading binnen de Europese Unie. Op 24 februari 2014 bevond [schip 1] zich in de haven van Sête (Frankrijk). Van daaruit voer het schip naar Libanon. Op 3 maart 2014 is [schip 1] van buiten Europa (Libanon) naar Turkije gevaren, waar het op 10 maart 2014 het strand van Aliaga is opgevaren en vervolgens is gesloopt. [schip 1] bevatte nog gevaarlijke stoffen, te weten brandstoffen zoals dieselolie, fuel olie, en koudemiddelen, toen het bij sloopwerf [een sloper] het land op werd gevaren. Van de voorgenomen sloop van [schip 1] is geen kennisgeving als bedoeld in de EVOA gedaan en evenmin is daarvoor van enige autoriteit toestemming verkregen. [schip 2] Op 27 januari 2015 is tijdens een directievergadering van [B.V. 1] besloten dat afscheid zou worden genomen van [schip 2] en twee andere schepen van dezelfde (G-)klasse, omdat de schepen te klein werden voor de grootte van de ladingen die werden aangeboden op de markt en ook deze schepen een paar maanden later de verplichte survey zouden moeten ondergaan. Dit besluit is vastgelegd in de ‘ Action and decision list’ van die vergadering. Bij deze directievergadering waren onder andere aanwezig de bestuurders [bestuurder 2] , [bestuurder 1/verdachte] en [bestuurder 3] . Als er geen interesse voor een varende verkoop van de schepen zou zijn, zouden ze worden gesloopt. Commercieel directeur van [B.V. 1] , [bestuurder 3] , werd als projectleider aangesteld. Hij heeft [tussenpersoon 2] gevraagd om uit te zoeken of er interesse was op de tweedehandsmarkt. Op 10 maart 2015 meldde [tussenpersoon 2] dat [een Italiaanse aspirant koper] een bod van $ 4.600.000 voor de koop van de drie G-klasse schepen had gedaan, onder voorbehoud van financiering. Gelijktijdig met dit mogelijke verkooptraject heeft [bestuurder 3] door [tussenpersoon 1] onderzoek laten doen naar de mogelijkheden voor sloop door [tussenpersoon 1] .
Volledig
1] maakte in de tenlastegelegde periode onderdeel uit van een groep van vennootschappen waarin [bestuurder 2] steeds een actieve en bestuurlijke rol vervulde. Het hof zal om die reden dan ook spreken van het “ [concern 1] ”. [concern 1] houdt zich bezig met de exploitatie van schepen die zijn gebouwd voor het vervoeren van zware en moeilijk te vervoeren lading. [concern 2] beheert een vloot van dit soort gespecialiseerde schepen en opereert wereldwijd. [schip 1] was een E-klasse schip, een zwaar ladingschip, gebouwd in 1989. [schip 2] was een G-klasse schip, gebouwd in 1995,een cargoschip, speciaal gebouwd voor het vervoeren van krachtcentrale materialen. [bestuurder 2] , verdachte in de zaak met rolnummer 22-002078-23, was destijds bestuurder van [B.V. 3] Deze vennootschap was enig aandeelhouder van [B.V. 4] (zelfstandig bevoegd) van [B.V. 4] was de verdachte, [bestuurder 2] . [B.V. 4] was enig aandeelhouder van een aantal vennootschappen, waaronder [B.V. 1] , [B.V. 5] , [N.V.] en [B.V. 2] Bestuurders van [B.V. 1] waren [bestuurder 2] , [bestuurder 1/verdachte] , [bestuurder 3] , [bestuurder 4] en [bestuurder 5] . Zij waren allen zelfstandig bevoegd. Bestuurders van [B.V. 5] waren [B.V. 1] en [bestuurder 2] . [N.V.] was een op Curaçao geregistreerde vennootschap met als enig aandeelhouder [bestuurder 2] Holding B.V. en als bestuurder [B.V. 1] en [geïnteresseerde 1] als directeur. [B.V. 1] was eveneens bestuurder van [B.V. 2] Het schip [schip 1] was ondergebracht in [N.V.] Het schip [schip 2] was ondergebracht in [B.V. 2] Bovenstaande kan als volgt in een schema worden weergegeven: [schema betrokken vennootschappen] Het schema laat zien dat [bestuurder 2] de uiteindelijk belanghebbende en de (directe of indirecte) bestuurder van alle in deze zaak relevante vennootschappen was. [B.V. 4] was bestuurder van zowel [B.V. 1] als van [B.V. 2] als van [N.V.] [bestuurder 2] was weer bestuurder van [B.V. 4] [bestuurder 2] had dan ook een functionele verantwoordelijkheid met betrekking tot de operationele exploitatie van beide schepen. Hierna zal het hof verder ingaan op de sloop van twee schepen; [schip 1] en [schip 2] . [schip 1] In het najaar van 2013 heeft de directie van [B.V. 1] de beslissing genomen om [schip 1] niet langer te exploiteren vanwege tegenvallende commerciële resultaten, daarbij in aanmerking nemend dat [schip 1] op korte termijn ook een verplichte survey zou moeten ondergaan, tegen aanzienlijke kosten. Besloten werd dat het schip zou worden verkocht. Uit een e-mail van 23 oktober 2013 van [fleetmanager] , fleetmanager bij [concern 1] , aan [tussenpersoon 1] , volgt dat aanvankelijk alleen naar verkoop aan een sloper wordt gekeken. Uit een e-mail van 24 oktober 2013 volgt dat prijzen worden opgevraagd bij zowel Europese/Turkse slopers als bij Indiase/Aziatische slopers. Op 28 oktober 2013 vraagt [verdachte] per e-mail aan de verdachte of men ook (de mogelijkheid van) commerciële verkoop (hierna: ‘varende verkoop’) uit moet gaan. De verdachte antwoordt op dezelfde datum dat men voorlopig voor een maximale opbrengst gaat en dat over prijsverschillen tussen Turkse en Aziatische slopers te zijner tijd wordt beslist. In zijn e-mail van 30 oktober 2013 aan de bestuurders [bestuurder 5] en [bestuurder 3] (in cc aan onder andere de [bestuurder 1/verdachte] ) vraagt de verdachte hen expliciet om een, gelet op de naderende onderhoudsdatum, spoedig advies over de te maken keuze tussen slopen, verder exploiteren (maar dan met winst) en varende verkoop. Diezelfde avond vraagt [fleetmanager] ( [bestuurder 1/verdachte] in cc), kennelijk als reactie naar aanleiding van het verzoek om advies van de verdachte, aan [tussenpersoon 1] of er ook een tweedehands markt is voor [schip 1] . [tussenpersoon 1] laat in een e-mail van 18 november 2013, gericht aan onder andere [bestuurder 1/verdachte] , weten dat sloop de beste optie lijkt, omdat verkoop op de tweedehandsmarkt niet méér zou opbrengen dan de schrootwaarde terwijl het schip in geval van sloop geen concurrentie voor het concern zou opleveren. Vanaf dat moment zijn alleen mogelijkheden tot sloop bekeken. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat nog concreet aan een varende verkoop van [schip 1] werd gedacht. [fleetmanager] heeft bij de redersvereniging geïnformeerd naar toepasselijke wetgeving in geval van sloop. Naar aanleiding van zijn vragen heeft de redersvereniging hem enkele stukken toegezonden. Hij heeft in zijn e-mail van 17 januari 2014 aan [bestuurder 1/verdachte] en [bedrijfsjurist] , de bedrijfsjurist binnen [concern 1] , bericht dat het schip volgens deze vereniging als een afvalstof wordt gezien en dat een EVOA verklaring moet worden opgemaakt als het schip vanuit Europa wordt uitgevoerd naar een land buiten Europa. [bedrijfsjurist] heeft de verdachte en [bestuurder 1/verdachte] vervolgens, op basis van de informatie van de redersvereniging en op basis van mondelinge informatie van [informateur] geadviseerd dat de EVOA niet van toepassing zou zijn als er maar voor werd gezorgd dat het schip van buiten de EU werd overgebracht naar Turkije. Turkije was relevant omdat de slooplocaties van de geïnteresseerde sloopwerven in Turkije lagen. In een e-mail aan [bestuurder 1/verdachte] berichtte [bedrijfsjurist] verder nog dat hij het liefst de formele procedures wilde vermijden vanwege de Nederlandse, tijdrovende bureaucratie. De verdachte en [bestuurder 1/verdachte] zijn afgegaan op het advies van [bedrijfsjurist] . Op 30 januari 2014 hadden zich zeven geïnteresseerde sloopwerven gemeld, die allen het schip in Aliaga, Turkije, wilden ontvangen. Eén daarvan was de sloopwerf [een sloper] . Nadat in opdracht van [concern 1] op 13 februari 2014 ter plaatse nog een inspectie was uitgevoerd en gerapporteerd was dat de werf geschikt was voor milieuvriendelijke sloop, heeft de directie van [B.V. 1] besloten [schip 1] aan sloper [een sloper] te verkopen. Bij Memorandum of Agreement (hierna: MOA) van 14 februari 2014 heeft [geïnteresseerde 1] als directeur van [N.V.] [schip 1] verkocht aan [een sloper] voor een bedrag van $ 1.089.921,-. Op 30 januari 2014 bevond [schip 1] zich op de Westerschelde, voor de kust van Vlissingen. Van 31 januari 2014 tot 2 maart 2014 is [schip 1] nog operationeel geweest en vervoerde het schip lading binnen de Europese Unie. Op 24 februari 2014 bevond [schip 1] zich in de haven van Sête (Frankrijk). Van daaruit voer het schip naar Libanon. Op 3 maart 2014 is [schip 1] van buiten Europa (Libanon) naar Turkije gevaren, waar het op 10 maart 2014 het strand van Aliaga is opgevaren en vervolgens is gesloopt. [schip 1] bevatte nog gevaarlijke stoffen, te weten brandstoffen zoals dieselolie, fuel olie, en koudemiddelen, toen het bij sloopwerf [een sloper] het land op werd gevaren. Van de voorgenomen sloop van [schip 1] is geen kennisgeving als bedoeld in de EVOA gedaan en evenmin is daarvoor van enige autoriteit toestemming verkregen. [schip 2] Op 27 januari 2015 is tijdens een directievergadering van [B.V. 1] besloten dat afscheid zou worden genomen van [schip 2] en twee andere schepen van dezelfde (G-)klasse, omdat de schepen te klein werden voor de grootte van de ladingen die werden aangeboden op de markt en ook deze schepen een paar maanden later de verplichte survey zouden moeten ondergaan. Dit besluit is vastgelegd in de ‘ Action and decision list’ van die vergadering. Bij deze directievergadering waren onder andere aanwezig de bestuurders [bestuurder 2] , [bestuurder 1/verdachte] en [bestuurder 3] . Als er geen interesse voor een varende verkoop van de schepen zou zijn, zouden ze worden gesloopt. Commercieel directeur van [B.V. 1] , [bestuurder 3] , werd als projectleider aangesteld. Hij heeft [tussenpersoon 2] gevraagd om uit te zoeken of er interesse was op de tweedehandsmarkt. Op 10 maart 2015 meldde [tussenpersoon 2] dat [een Italiaanse aspirant koper] een bod van $ 4.600.000 voor de koop van de drie G-klasse schepen had gedaan, onder voorbehoud van financiering. Gelijktijdig met dit mogelijke verkooptraject heeft [bestuurder 3] door [tussenpersoon 1] onderzoek laten doen naar de mogelijkheden voor sloop door [tussenpersoon 1] .
Volledig
Op 17 april 2015 liet [tussenpersoon 1] weten dat meerdere sloopwerven een bod hadden gedaan op [schip 2] , waaronder [een sloper] , waar eerder ook [schip 1] gesloopt werd. Uit e-mail correspondentie op 16 april 2015 tussen [bestuurder 3] en [een senior technical superintendent] volgt dat is besloten ervan uit te gaan dat [schip 2] gesloopt gaat worden: “ we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk”. De mogelijkheid dat het nog zou lukken om het schip aan de Italiaanse aspirant koper te verkopen (‘varende verkoop’) werd toen niet meer reëel geacht. Op 16 april 2015 lag het schip voor de kust van Cadiz, Spanje. Op 21 april 2015 is [B.V. 1] met de genoemde sloopwerf [een sloper] overeengekomen dat [schip 2] voor een bedrag van $ 788.912,40 aan [een sloper] zou worden verkocht, onder voorbehoud van goedkeuring van de directie uiterlijk op 24 april 2015. De memorandum of agreement MOA tussen [B.V. 2] en [een sloper] is diezelfde dag getekend. Van 27 januari 2015 tot en met 18 april 2015 is [schip 2] operationeel geweest en vervoerde het schip lading naar Baltimore (USA) en binnen de Europese Unie. Op 18 april 2015 is [schip 2] vanuit Cádiz (Spanje) naar La Goulette (Tunesië) en dus buiten de Europese Unie gevaren, waar het op 21 apri1 2015 arriveerde. Op 27 april 2015 is de [winkel] via de Egeïsche zee richting Turkije gevaren, waar het op 28 april 2015 het strand van Aliaga is opgevaren en vervolgens is gesloopt. Van de voorgenomen sloop van [schip 2] is geen kennisgeving als bedoeld in de EVOA gedaan en evenmin is daarvoor door enige autoriteit toestemming verkregen. Juridisch kader De navolgende bepalingen — zoals die golden ten tijde van het ten laste gelegde — zijn relevant. - Op grond van artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) is het verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EVOA. Overtreding van artikel 10.60, tweede lid, Wm is strafbaar gesteld in artikel 1 a, sub 1°, van de Wet op de economische delicten (Hierna: WED). Indien opzettelijk gepleegd is dit economische delict op grond van artikel 2 WED een misdrijf. - Hoofddoel van de EVOA is de bescherming van het milieu. In de EVOA zijn procedures en controleregelingen voor de overbrenging van afvalstoffen vastgelegd. De EVOA is onder andere van toepassing op de overbrenging van afvalstoffen die uit de Gemeenschap naar derde landen worden uitgevoerd (artikel 1). - Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 1 van de EVOA wordt onder afvalstoffen verstaan: `afvalstoffen als omschreven in artikel l, lid l, onder a) van Richtlijn 2006/12/EG'. Richtlijn 2006/12/EG is vervangen door de Kaderrichtlijn Afvalstoffen 2008/98/EG (hierna: KRA). Ten tijde van de tenlastegelegde feiten in 2012 was de KRA van toepassing. - Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 1 KRA wordt onder afvalstof verstaan: `elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen'. - Volgens artikel 2, aanhef en onder 34 van de EVOA is `overbrenging' het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen dat plaatsvindt of gepland is plaats te hebben tussen een land en een ander land. - Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 15 KRA wordt onder nuttige toepassing verstaan: `elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt'. Bijlage II bevat een niet-limitatieve lijst van nuttige toepassingen. - Volgens artikel 2, aanhef en onder 35 van de EVOA is een `illegale overbrenging' de overbrenging van afvalstoffen zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening, en/of zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening. - Voor de uitvoer uit de Gemeenschap van niet in bijlage III, IV of IV A onder één code ingedeelde afvalstoffen naar landen waarop het OESO-besluit van toepassing is, geldt dat indien die overbrenging bestemd is voor nuttige toepassing de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving aan en toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten moet worden gevolgd (artike138 j° artikel 3, lid l, onder b) iii van de EVOA). - Artikel 4 van de EVOA schrijft voor dat wanneer de kennisgever voornemens is afvalstoffen als bedoeld in artikel 3, lid l, onder a) en b), over te brengen, hij daaraan voorafgaand schriftelijke kennisgeving doet bij en via de bevoegde autoriteit van verzending. In dit artikel staat verder aan welke eisen een kennisgeving moet voldoen. De kennisgeving moet worden gedaan met behulp van een daartoe bestemd formulier, waarin naast informatie over de afvalstof, de route, ontvanger en plaats waar de afvalstof naartoe gaat moeten worden vermeld. Een kennisgeving wordt pas als volledig beschouwd indien de bevoegde autoriteit van bestemming zich ervan heeft vergewist dat het kennisgevingsdocument is ingevuld. - Volgens artikel 2, aanhef en onder 15 van de EVOA is `kennisgever' in geval van overbrenging vanuit een lidstaat, de onder de rechtsmacht van die lidstaat vallende natuurlijke of rechtspersoon die voornemens is de afvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen en gehouden is tot de kennisgevingsplicht. Het begrip ‘afvalstof’ Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging bepleit dat de schepen niet vielen onder het begrip ‘afvalstof’. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. De kwalificatie als afvalstof hangt volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ 12 september 2013, C241/12 en C242/12, r.o. 37-53; Shell-arrest)vooral af van het gedrag van de houder en van de betekenis van de uitdrukking “zich ontdoen van”. Met betrekking tot de uitdrukking “zich ontdoen van” vloeit tevens uit deze rechtspraak voort dat bij de uitleg van deze uitdrukking rekening moet worden gehouden met de doelstelling van richtlijn 2006/12, te weten, volgens punt 2 van de considerans ervan, de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu tegen de schadelijke gevolgen veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen, en dat zij moet worden uitgelegd in het licht van artikel 191, lid 2, VWEU, dat bepaalt dat de Europese Unie in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming streeft en dat dit beleid onder meer berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Daaruit volgt dat de uitdrukking “zich ontdoen van”, en dus het begrip afvalstof niet restrictief mag worden uitgelegd. De uitdrukking “zich ontdoen van” omvat zowel de verwijdering als de nuttige toepassing van een stof of een voorwerp. Bepaalde omstandigheden kunnen een aanwijzing zijn voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich te ontdoen van een stof of voorwerp. Zo verdient bijzondere aandacht dat het voorwerp of de stof in kwestie voor de houder ervan geen nut heeft of meer heeft, zodat dit voorwerp of deze stof een last is waarvan deze zich wil ontdoen. Dergelijke voorwerpen of stoffen vallen onder het begrip afvalstof in de zin van richtlijn 2006/12 en van de KRA. Zij zijn derhalve onderworpen aan de bepalingen van deze richtlijnen. Eveneens volgens vaste rechtspraak worden stoffen of voorwerpen die een commerciële waarde hebben of voor economisch hergebruik geschikt zijn, niet om die reden uitgesloten van het begrip afvalstof. Met andere woorden: onder omstandigheden kan een voorwerp zowel kwalificeren als afvalstof als voor economisch hergebruik geschikt zijn. In verband met het uitgangspunt dat het begrip afvalstof ruim moet worden uitgelegd, kan van economisch hergebruik slechts dan sprake zijn indien dat hergebruik niet slechts mogelijk, maar zeker is. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of de houder van het voorwerp of de stof in kwestie daadwerkelijk voornemens was zich ervan te ontdoen . Daarbij moet hij alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen.
Volledig
Op 17 april 2015 liet [tussenpersoon 1] weten dat meerdere sloopwerven een bod hadden gedaan op [schip 2] , waaronder [een sloper] , waar eerder ook [schip 1] gesloopt werd. Uit e-mail correspondentie op 16 april 2015 tussen [bestuurder 3] en [een senior technical superintendent] volgt dat is besloten ervan uit te gaan dat [schip 2] gesloopt gaat worden: “ we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk”. De mogelijkheid dat het nog zou lukken om het schip aan de Italiaanse aspirant koper te verkopen (‘varende verkoop’) werd toen niet meer reëel geacht. Op 16 april 2015 lag het schip voor de kust van Cadiz, Spanje. Op 21 april 2015 is [B.V. 1] met de genoemde sloopwerf [een sloper] overeengekomen dat [schip 2] voor een bedrag van $ 788.912,40 aan [een sloper] zou worden verkocht, onder voorbehoud van goedkeuring van de directie uiterlijk op 24 april 2015. De memorandum of agreement MOA tussen [B.V. 2] en [een sloper] is diezelfde dag getekend. Van 27 januari 2015 tot en met 18 april 2015 is [schip 2] operationeel geweest en vervoerde het schip lading naar Baltimore (USA) en binnen de Europese Unie. Op 18 april 2015 is [schip 2] vanuit Cádiz (Spanje) naar La Goulette (Tunesië) en dus buiten de Europese Unie gevaren, waar het op 21 apri1 2015 arriveerde. Op 27 april 2015 is de [winkel] via de Egeïsche zee richting Turkije gevaren, waar het op 28 april 2015 het strand van Aliaga is opgevaren en vervolgens is gesloopt. Van de voorgenomen sloop van [schip 2] is geen kennisgeving als bedoeld in de EVOA gedaan en evenmin is daarvoor door enige autoriteit toestemming verkregen. Juridisch kader De navolgende bepalingen — zoals die golden ten tijde van het ten laste gelegde — zijn relevant. - Op grond van artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) is het verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EVOA. Overtreding van artikel 10.60, tweede lid, Wm is strafbaar gesteld in artikel 1 a, sub 1°, van de Wet op de economische delicten (Hierna: WED). Indien opzettelijk gepleegd is dit economische delict op grond van artikel 2 WED een misdrijf. - Hoofddoel van de EVOA is de bescherming van het milieu. In de EVOA zijn procedures en controleregelingen voor de overbrenging van afvalstoffen vastgelegd. De EVOA is onder andere van toepassing op de overbrenging van afvalstoffen die uit de Gemeenschap naar derde landen worden uitgevoerd (artikel 1). - Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 1 van de EVOA wordt onder afvalstoffen verstaan: `afvalstoffen als omschreven in artikel l, lid l, onder a) van Richtlijn 2006/12/EG'. Richtlijn 2006/12/EG is vervangen door de Kaderrichtlijn Afvalstoffen 2008/98/EG (hierna: KRA). Ten tijde van de tenlastegelegde feiten in 2012 was de KRA van toepassing. - Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 1 KRA wordt onder afvalstof verstaan: `elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen'. - Volgens artikel 2, aanhef en onder 34 van de EVOA is `overbrenging' het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen dat plaatsvindt of gepland is plaats te hebben tussen een land en een ander land. - Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 15 KRA wordt onder nuttige toepassing verstaan: `elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt'. Bijlage II bevat een niet-limitatieve lijst van nuttige toepassingen. - Volgens artikel 2, aanhef en onder 35 van de EVOA is een `illegale overbrenging' de overbrenging van afvalstoffen zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening, en/of zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening. - Voor de uitvoer uit de Gemeenschap van niet in bijlage III, IV of IV A onder één code ingedeelde afvalstoffen naar landen waarop het OESO-besluit van toepassing is, geldt dat indien die overbrenging bestemd is voor nuttige toepassing de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving aan en toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten moet worden gevolgd (artike138 j° artikel 3, lid l, onder b) iii van de EVOA). - Artikel 4 van de EVOA schrijft voor dat wanneer de kennisgever voornemens is afvalstoffen als bedoeld in artikel 3, lid l, onder a) en b), over te brengen, hij daaraan voorafgaand schriftelijke kennisgeving doet bij en via de bevoegde autoriteit van verzending. In dit artikel staat verder aan welke eisen een kennisgeving moet voldoen. De kennisgeving moet worden gedaan met behulp van een daartoe bestemd formulier, waarin naast informatie over de afvalstof, de route, ontvanger en plaats waar de afvalstof naartoe gaat moeten worden vermeld. Een kennisgeving wordt pas als volledig beschouwd indien de bevoegde autoriteit van bestemming zich ervan heeft vergewist dat het kennisgevingsdocument is ingevuld. - Volgens artikel 2, aanhef en onder 15 van de EVOA is `kennisgever' in geval van overbrenging vanuit een lidstaat, de onder de rechtsmacht van die lidstaat vallende natuurlijke of rechtspersoon die voornemens is de afvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen en gehouden is tot de kennisgevingsplicht. Het begrip ‘afvalstof’ Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging bepleit dat de schepen niet vielen onder het begrip ‘afvalstof’. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. De kwalificatie als afvalstof hangt volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ 12 september 2013, C241/12 en C242/12, r.o. 37-53; Shell-arrest)vooral af van het gedrag van de houder en van de betekenis van de uitdrukking “zich ontdoen van”. Met betrekking tot de uitdrukking “zich ontdoen van” vloeit tevens uit deze rechtspraak voort dat bij de uitleg van deze uitdrukking rekening moet worden gehouden met de doelstelling van richtlijn 2006/12, te weten, volgens punt 2 van de considerans ervan, de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu tegen de schadelijke gevolgen veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen, en dat zij moet worden uitgelegd in het licht van artikel 191, lid 2, VWEU, dat bepaalt dat de Europese Unie in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming streeft en dat dit beleid onder meer berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Daaruit volgt dat de uitdrukking “zich ontdoen van”, en dus het begrip afvalstof niet restrictief mag worden uitgelegd. De uitdrukking “zich ontdoen van” omvat zowel de verwijdering als de nuttige toepassing van een stof of een voorwerp. Bepaalde omstandigheden kunnen een aanwijzing zijn voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich te ontdoen van een stof of voorwerp. Zo verdient bijzondere aandacht dat het voorwerp of de stof in kwestie voor de houder ervan geen nut heeft of meer heeft, zodat dit voorwerp of deze stof een last is waarvan deze zich wil ontdoen. Dergelijke voorwerpen of stoffen vallen onder het begrip afvalstof in de zin van richtlijn 2006/12 en van de KRA. Zij zijn derhalve onderworpen aan de bepalingen van deze richtlijnen. Eveneens volgens vaste rechtspraak worden stoffen of voorwerpen die een commerciële waarde hebben of voor economisch hergebruik geschikt zijn, niet om die reden uitgesloten van het begrip afvalstof. Met andere woorden: onder omstandigheden kan een voorwerp zowel kwalificeren als afvalstof als voor economisch hergebruik geschikt zijn. In verband met het uitgangspunt dat het begrip afvalstof ruim moet worden uitgelegd, kan van economisch hergebruik slechts dan sprake zijn indien dat hergebruik niet slechts mogelijk, maar zeker is. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of de houder van het voorwerp of de stof in kwestie daadwerkelijk voornemens was zich ervan te ontdoen . Daarbij moet hij alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen.
Volledig
De doelstelling van de richtlijn, namelijk ervoor zorgen dat de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moet daarbij eveneens voor ogen worden gehouden. [schip 1] en [schip 2] als afvalstof Uit hetgeen hiervoor is weergegeven volgt dat bij [B.V. 1] op 18 november 2013 respectievelijk 16 april 2015 het voornemen ontstond om zich van de schepen te ontdoen vanwege commerciële en financiële overwegingen. De schepen waren niet meer winstgevend en het lag evenmin in de lijn der verwachting dat zij nog rendabel konden worden. Nadat het besluit om afscheid te nemen van de schepen was genomen, zijn medewerkers van [B.V. 1] actief gaan onderzoeken welke mogelijkheden er waren om de schepen op korte termijn te verkopen of te laten slopen. Bedrijfseconomisch waren beide schepen een last geworden, van welke last [B.V. 1] zich wilde ontdoen, zodat beide schepen vanaf dat moment een afvalstof waren in de zin van de EVOA. Het feit dat de schepen na dit besluit nog commercieel zijn ingezet en lading hebben vervoerd, tot kort voor het moment waarop zij naar de sloopwerf in Turkije zijn gevaren, doet niet af aan deze conclusie. Uit het hiervoor aangehaalde arrest van het Hof van Justitie blijkt immers dat voor de kwalificatie als afvalstof doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de intentie en het gedrag van de houder. Zoals hiervoor overwogen was het de intentie van [B.V. 1] zich van de schepen te ontdoen en heeft [B.V. 1] zich daar ook naar gedragen. Het feit dat het, in het geval van [schip 2] , op dat moment (nog) niet (100%) vaststond dat de schepen zouden worden gesloopt omdat varende verkoop nog tot de mogelijkheden leek te behoren, maakt in de gegeven omstandigheden evenmin dat de schepen niet als afvalstof in de zin van de EVOA moeten worden beschouwd op het moment dat besloten werd zich van de schepen te ontdoen. Ook een voorwerp dat voor hergebruik geschikt is, kan een afvalstof zijn. Door de intentie van [B.V. 1] om zich te ontdoen van de schepen en omdat varende verkoop, en dus hergebruik zonder vooraf een procedé voor de nuttige toepassing als bedoeld in bijlage 11 van de KRA, bij [schip 2] , weliswaar mogelijk maar niet zeker was, waren de schepen als afvalstof aan te merken. Op het moment dat het zeker zou zijn dat de schepen alsnog (varend) zouden worden verkocht, zouden zij de status van afvalstof hebben verloren, maar daarvan is bij beide schepen geen sprake geweest. Het hof ziet geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij de door de verdediging aangevoerde momenten waarop de schepen als afvalstof gekwalificeerd zouden moeten worden, te weten als tot sloop wordt besloten of als het schip richting sloopwerf gaat in het geval het tussentijds nog regulier vaart. Deze opvattingen getuigen van een (te) restrictieve uitleg van het “zich ontdoen van” en dus van het begrip afvalstof in de zin van artikel l, lid 1, sub a van de KRA, een uitleg die niet past bij de doelstellingen van de EVOA en de KRA en de ruime uitleg die vanwege die doelstellingen aan die uitdrukking moet worden gegeven. De verweren worden verworpen. Vereiste van een kennisgeving en/of toestemming Ter terechtzitting in hoger beroep is bepleit dat voor de onderhavige overbrenging van de schepen naar de sloopwerf in Turkije – geen kennisgeving en geen toestemming vereist was. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Nu de schepen op enig moment afvalstoffen in de zin van de EVOA werden, was de kennisgevings- en toestemmingsprocedure als bedoeld in artikel 38, juncto artikel 3 van de EVOA van toepassing. Gelet op artikel 4 van de EVOA zoals dit ingevolge de overwegingen uit het Shell-arrest moet worden geïnterpreteerd, ontstaat de verplichting tot kennisgeving op het moment dat (voldoende) zeker is dat het voornemen bestaat een afvalstof over te brengen naar een land buiten de EU. Indachtig het voorgaande, geldt voor [schip 1] het volgende. Uit de in het dossier opgenomen e-mailberichten volgt dat binnen [concern 1] in ieder geval op 30 januari 2014 duidelijk was dat het schip zou worden gesloopt in Aliaga, Turkije. Het schip is vervolgens op 1 februari 2014 vertrokken vanuit Nederland en met tussenstops in Frankrijk en Libanon aangekomen op 10 maart 2015 bij de sloopwerf in Aliaga, Turkije. Dit betekent dat de overbrenging van [schip 1] als afvalstof plaatsvond vanuit Nederland naar Turkije. Hieraan verbindt het hof met de rechtbank de conclusie dat voor deze overbrenging overeenkomstig het bepaalde in artikel 38, eerste lid, van de EVOA, de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming diende te worden gevolgd. Dat bij vertrek uit Nederland nog niet vaststond welke van de zeven sloopwerven uit Turkije die zich op 30 januari 2014 hadden gemeld de sloop zou uitvoeren, is naar het oordeel van het hof hierbij niet van belang. Vanaf 30 januari 2014 was er een duidelijk voornemen tot overbrenging naar (één van de geïnteresseerde sloopbedrijven in) Turkije. Nu is nagelaten kennisgeving van het voornemen van de overbrenging te doen is door [B.V. 1] gehandeld in strijd met artikel 38 van de EVOA. Voor [schip 2] geldt het volgende. In de periode 27 januari 2025 (besluit zich van het schip te ontdoen) tot 16 april 2015 zijn voorbereidingen getroffen voor een verkoop aan een sloper, maar zijn, via tussenpersoon [tussenpersoon 2] , tevens concrete onderhandelingen gevoerd met [een Italiaanse aspirant koper] . Gelet op dit gedrag kan betoogd worden dat het voornemen het schip over te brengen naar Turkije teneinde het daar te laten slopen nog niet de zekerheid had die in het kader van de EVOA en de KRA vereist is. Dit verandert echter als het bedrijf vanaf 16 april 2015 “uitgaat van scrappen en daarvoor alles in het werk zet” zoals verwoord in de hierboven genoemde email van [bestuurder 3] aan [een senior technical superintendent] van 16 april 2015. Aan de gedraging om te komen tot verkoop aan een sloper in Turkije wordt vervolgens ook uitvoering gegeven. Op 17 april 2015 rapporteert [tussenpersoon 1] , dat offertes van 7 slopers zijn ontvangen, waaronder [een sloper] . Op 18 april 2015 vaart [schip 2] vanaf Cádiz (Spanje) richting Turkije (via Tunesië. Op 21 april 2015 is overeenstemming over een koopovereenkomst tussen [winkel] en [een sloper] . Op 16 april 2015 lag het schip bij Cádiz (Spanje). Op 16 april 2015 was in ieder geval sprake van een voornemen tot overbrenging vanuit een EU-lidstaat naar Turkije. Vanaf deze datum was dan ook voldoende zekerheid over het lot van [schip 2] en kwalificeerde het schip als afvalstof en bestond er de verplichting tot het volgen van de kennisgevings- en toestemmingsprocedure van de EVOA aanwezig. Dat bij vertrek uit Cádiz door [bedrijfsjurist] nog gesproken wordt over een kleine kans dat de Italiaanse kandidaat koper alsnog over de brug komt doet aan de kwalificatie als afval noch aan het bestaan van een voornemen tot overbrenging en een verplichting tot kennisgeving af. Gelet op de tijdspanne die nog resteert tot het moment waarop de verplichte survey aan de orde zou zijn en gelet op de e-mail van 16 april 2015 van [bestuurder 3] aan [een senior technical superintendent] (“we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk”) werd deze kans door de verdachten niet anders dan theoretisch geacht. Nu is nagelaten kennisgeving van de overbrenging te doen of toestemming van de autoriteiten te verkrijgen, is door [B.V. 2] gehandeld in strijd met artikel 38 van de EVOA. Feitelijke leidinggeven door de verdachte Uitgangspunten Van feitelijk leidinggeven aan een door een rechtspersoon gepleegd strafbaar feit is sprake wanneer een verdachte dit strafbare feit actief en effectief heeft bevorderd. Als feitelijk leidinggeven geldt eveneens het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die gedraging feitelijk leiding te hebben gegeven.
Volledig
De doelstelling van de richtlijn, namelijk ervoor zorgen dat de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moet daarbij eveneens voor ogen worden gehouden. [schip 1] en [schip 2] als afvalstof Uit hetgeen hiervoor is weergegeven volgt dat bij [B.V. 1] op 18 november 2013 respectievelijk 16 april 2015 het voornemen ontstond om zich van de schepen te ontdoen vanwege commerciële en financiële overwegingen. De schepen waren niet meer winstgevend en het lag evenmin in de lijn der verwachting dat zij nog rendabel konden worden. Nadat het besluit om afscheid te nemen van de schepen was genomen, zijn medewerkers van [B.V. 1] actief gaan onderzoeken welke mogelijkheden er waren om de schepen op korte termijn te verkopen of te laten slopen. Bedrijfseconomisch waren beide schepen een last geworden, van welke last [B.V. 1] zich wilde ontdoen, zodat beide schepen vanaf dat moment een afvalstof waren in de zin van de EVOA. Het feit dat de schepen na dit besluit nog commercieel zijn ingezet en lading hebben vervoerd, tot kort voor het moment waarop zij naar de sloopwerf in Turkije zijn gevaren, doet niet af aan deze conclusie. Uit het hiervoor aangehaalde arrest van het Hof van Justitie blijkt immers dat voor de kwalificatie als afvalstof doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de intentie en het gedrag van de houder. Zoals hiervoor overwogen was het de intentie van [B.V. 1] zich van de schepen te ontdoen en heeft [B.V. 1] zich daar ook naar gedragen. Het feit dat het, in het geval van [schip 2] , op dat moment (nog) niet (100%) vaststond dat de schepen zouden worden gesloopt omdat varende verkoop nog tot de mogelijkheden leek te behoren, maakt in de gegeven omstandigheden evenmin dat de schepen niet als afvalstof in de zin van de EVOA moeten worden beschouwd op het moment dat besloten werd zich van de schepen te ontdoen. Ook een voorwerp dat voor hergebruik geschikt is, kan een afvalstof zijn. Door de intentie van [B.V. 1] om zich te ontdoen van de schepen en omdat varende verkoop, en dus hergebruik zonder vooraf een procedé voor de nuttige toepassing als bedoeld in bijlage 11 van de KRA, bij [schip 2] , weliswaar mogelijk maar niet zeker was, waren de schepen als afvalstof aan te merken. Op het moment dat het zeker zou zijn dat de schepen alsnog (varend) zouden worden verkocht, zouden zij de status van afvalstof hebben verloren, maar daarvan is bij beide schepen geen sprake geweest. Het hof ziet geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij de door de verdediging aangevoerde momenten waarop de schepen als afvalstof gekwalificeerd zouden moeten worden, te weten als tot sloop wordt besloten of als het schip richting sloopwerf gaat in het geval het tussentijds nog regulier vaart. Deze opvattingen getuigen van een (te) restrictieve uitleg van het “zich ontdoen van” en dus van het begrip afvalstof in de zin van artikel l, lid 1, sub a van de KRA, een uitleg die niet past bij de doelstellingen van de EVOA en de KRA en de ruime uitleg die vanwege die doelstellingen aan die uitdrukking moet worden gegeven. De verweren worden verworpen. Vereiste van een kennisgeving en/of toestemming Ter terechtzitting in hoger beroep is bepleit dat voor de onderhavige overbrenging van de schepen naar de sloopwerf in Turkije – geen kennisgeving en geen toestemming vereist was. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Nu de schepen op enig moment afvalstoffen in de zin van de EVOA werden, was de kennisgevings- en toestemmingsprocedure als bedoeld in artikel 38, juncto artikel 3 van de EVOA van toepassing. Gelet op artikel 4 van de EVOA zoals dit ingevolge de overwegingen uit het Shell-arrest moet worden geïnterpreteerd, ontstaat de verplichting tot kennisgeving op het moment dat (voldoende) zeker is dat het voornemen bestaat een afvalstof over te brengen naar een land buiten de EU. Indachtig het voorgaande, geldt voor [schip 1] het volgende. Uit de in het dossier opgenomen e-mailberichten volgt dat binnen [concern 1] in ieder geval op 30 januari 2014 duidelijk was dat het schip zou worden gesloopt in Aliaga, Turkije. Het schip is vervolgens op 1 februari 2014 vertrokken vanuit Nederland en met tussenstops in Frankrijk en Libanon aangekomen op 10 maart 2015 bij de sloopwerf in Aliaga, Turkije. Dit betekent dat de overbrenging van [schip 1] als afvalstof plaatsvond vanuit Nederland naar Turkije. Hieraan verbindt het hof met de rechtbank de conclusie dat voor deze overbrenging overeenkomstig het bepaalde in artikel 38, eerste lid, van de EVOA, de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming diende te worden gevolgd. Dat bij vertrek uit Nederland nog niet vaststond welke van de zeven sloopwerven uit Turkije die zich op 30 januari 2014 hadden gemeld de sloop zou uitvoeren, is naar het oordeel van het hof hierbij niet van belang. Vanaf 30 januari 2014 was er een duidelijk voornemen tot overbrenging naar (één van de geïnteresseerde sloopbedrijven in) Turkije. Nu is nagelaten kennisgeving van het voornemen van de overbrenging te doen is door [B.V. 1] gehandeld in strijd met artikel 38 van de EVOA. Voor [schip 2] geldt het volgende. In de periode 27 januari 2025 (besluit zich van het schip te ontdoen) tot 16 april 2015 zijn voorbereidingen getroffen voor een verkoop aan een sloper, maar zijn, via tussenpersoon [tussenpersoon 2] , tevens concrete onderhandelingen gevoerd met [een Italiaanse aspirant koper] . Gelet op dit gedrag kan betoogd worden dat het voornemen het schip over te brengen naar Turkije teneinde het daar te laten slopen nog niet de zekerheid had die in het kader van de EVOA en de KRA vereist is. Dit verandert echter als het bedrijf vanaf 16 april 2015 “uitgaat van scrappen en daarvoor alles in het werk zet” zoals verwoord in de hierboven genoemde email van [bestuurder 3] aan [een senior technical superintendent] van 16 april 2015. Aan de gedraging om te komen tot verkoop aan een sloper in Turkije wordt vervolgens ook uitvoering gegeven. Op 17 april 2015 rapporteert [tussenpersoon 1] , dat offertes van 7 slopers zijn ontvangen, waaronder [een sloper] . Op 18 april 2015 vaart [schip 2] vanaf Cádiz (Spanje) richting Turkije (via Tunesië. Op 21 april 2015 is overeenstemming over een koopovereenkomst tussen [winkel] en [een sloper] . Op 16 april 2015 lag het schip bij Cádiz (Spanje). Op 16 april 2015 was in ieder geval sprake van een voornemen tot overbrenging vanuit een EU-lidstaat naar Turkije. Vanaf deze datum was dan ook voldoende zekerheid over het lot van [schip 2] en kwalificeerde het schip als afvalstof en bestond er de verplichting tot het volgen van de kennisgevings- en toestemmingsprocedure van de EVOA aanwezig. Dat bij vertrek uit Cádiz door [bedrijfsjurist] nog gesproken wordt over een kleine kans dat de Italiaanse kandidaat koper alsnog over de brug komt doet aan de kwalificatie als afval noch aan het bestaan van een voornemen tot overbrenging en een verplichting tot kennisgeving af. Gelet op de tijdspanne die nog resteert tot het moment waarop de verplichte survey aan de orde zou zijn en gelet op de e-mail van 16 april 2015 van [bestuurder 3] aan [een senior technical superintendent] (“we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk”) werd deze kans door de verdachten niet anders dan theoretisch geacht. Nu is nagelaten kennisgeving van de overbrenging te doen of toestemming van de autoriteiten te verkrijgen, is door [B.V. 2] gehandeld in strijd met artikel 38 van de EVOA. Feitelijke leidinggeven door de verdachte Uitgangspunten Van feitelijk leidinggeven aan een door een rechtspersoon gepleegd strafbaar feit is sprake wanneer een verdachte dit strafbare feit actief en effectief heeft bevorderd. Als feitelijk leidinggeven geldt eveneens het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die gedraging feitelijk leiding te hebben gegeven.
Volledig
Ook een passievere rol kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. Daarbij heeft de Hoge Raad in het bijzonder het oog op het geval de verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming c.q. beëindiging van de verboden gedragingen en zodanige maatregelen achterwege laat. Tot slot geldt dat in het subjectieve aspect van feitelijk leidinggeven is besloten dat opzet op de verboden gedraging vereist is. Daarvoor geldt als ondergrens dat de feitelijk leidinggever de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Aanvaarding van de onrechtmatigheid van de gedraging (‘boos opzet’) is geen vereiste. Heeft de rechtspersoon een strafbaar feit begaan met betrekking tot [schip 1] ? Standpunt verdediging Ter terechtzitting in hoger beroep is allereerst bepleit – op gronden zoals vermeld in de pleitnotities van de raadslieden – dat de feiten niet aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend, alsmede dat zij niet opzettelijk hebben gehandeld. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. In het najaar van 2023 besluit de directie van [B.V. 1] , onder andere bestaande uit [bestuurder 2] en [bestuurder 1/verdachte] , dat afscheid genomen gaat worden van [schip 1] . Het feitelijk management over en de feitelijke exploitatie van zowel [schip 1] als [schip 2] geschiedde vanuit [B.V. 1] en werd door deze vennootschap in nauwe en bewuste samenwerking met de andere vennootschappen uitgevoerd. Vanuit die hoedanigheid hadden de betrokken rechtspersonen feitelijke beschikkingsmacht over het schip. De exploitatie werd feitelijk aangestuurd door, onder ander, [bestuurder 2] , [bestuurder 1/verdachte] , [bestuurder 3] (alle drie bestuurders) en [een senior technical superintendent] ), [bedrijfsjurist] , [fleetmanager] en [bestuurder 5] , allen in dienst van [B.V. 1] . Met betrekking tot [schip 1] stuurt [fleetmanager] op 24 oktober 2013 een e-mail aan [vertegenwoordiger van tussenpersoon 1] , vertegenwoordiger van [tussenpersoon 1] die [winkel] kennelijk als tussenpersoon hanteert als het gaat om het slopen van een schip. [fleetmanager] meldt [vertegenwoordiger van tussenpersoon 1] dat hij op dit moment alleen kijkt naar mogelijkheden tot sloop van [schip 1] in april/mei 2014. [bestuurder 1/verdachte] en [bestuurder 5] staan in de cc. In een -email van 28 oktober 2013 vraagt [bestuurder 1/verdachte] aan [bestuurder 2] en [bestuurder 5] of ze ook nog naar varende verkoop zullen kijken: “Willen we principieel slopen of zullen we nog naar verkoop kijken?” . Daarbij geeft hij tevens de globale verschillen in kosten aan tussen slopen door een Turkse dan wel een Indiase werf. Op dezelfde dag antwoordt [bestuurder 2] aan [bestuurder 1/verdachte] en [bestuurder 5] : “We gaan (voorlopig) voor max revenue. (…) Dus verkoop prima.” Twee dagen later rappelleert [bestuurder 2] [bestuurder 5] en [bestuurder 3] ( [bestuurder 1/verdachte] in cc) en vraagt hen om een spoedig advies: “Nog max 6 maanden tot sloop. Wat gaan we doen? * ex aqaba naar sloop doorvaren met resultaat? verkoop other Ik weet dat dit eerder ter sprake kwam maar was toen beetje hap snap tussendoor? [bestuurder 5] , kan jij svp deze collegea bij elkaar halen en met advies komen naar mij wat de doen en hoe ? Enige spoed is wel nodig lijkt me gezien openkomen datum.” Hieruit volgt dat zowel [bestuurder 2] als [bestuurder 1/verdachte] zich actief bemoeien met het besluit om afscheid te (gaan) nemen van [schip 1] en met de keuze tussen slopen of varend verkopen. [bestuurder 2] dringt er op aan dat deze keuze met “enige spoed” wordt genomen. In de daarop volgende maanden wordt met betrekking tot het afscheid van [schip 1] vooral gemaild met [tussenpersoon 1] , de tussenpersoon die offertes van slopers moet opvragen en aan [winkel] doorgeeft, waaruit volgt dat kennelijk is gekozen [schip 1] aan een sloper te verkopen. Binnen het concern is men er kennelijk van op de hoogte dat er bij het overbrengen van een schip naar een sloper de nodige regels gelden, want op 17 januari 2014 brengt [fleetmanager] verslag uit aan [bestuurder 1/verdachte] en [bedrijfsjurist] over hetgeen hij via contacten met de redersvereniging heeft vernomen over het juridisch kader rond het overbrengen van een schip ter recycling naar een sloper. De tekst van deze e-mail luidt, voor zover hier relevant, als volgt: “Als ik het goed lees is de hongkong verdrag nog niet van toepassing, maar moeten we wel aan EVOA voldoen als het schip vanuit een europese haven wordt verkocht. Dan hoort er dus een EVOA verklaring opgemaakt te worden van het schip want we gaan afval (ze zien het hele schip als afval) om hem te mogen uitvoeren naar buiten europa. Als je buiten europa verkoopt heb je niks nodig.” [bedrijfsjurist] reageert hier op in zijn email van 20 januari 2014 en adviseert dat de EVOA niet van toepassing is zolang [schip 1] vanuit een niet-EU land naar Turkije vaart. De directie volgt dit advies. Eveneens op 20 januari 2014 stuurt [tussenpersoon 1] aan [fleetmanager] ( [bestuurder 1/verdachte] in cc) een concept-verkoop overeenkomst ter commentaar, voordat deze aan de Turkse kandidaat slopers wordt gezonden. Op 27 januari 2014 geeft [bedrijfsjurist] zijn commentaar op de definitieve conceptovereenkomst met [een sloper] , die [schip 1] uiteindelijk ook zal kopen. [bestuurder 1/verdachte] heeft met betrekking tot het nemen van beslissingen door de directie van [B.V. 1] en zijn positie ten opzichte van [bestuurder 2] het volgende verklaard: “Ik ben financieel directeur van [winkel] . Ik ben in dienst bij [B.V. 1] Ik leg verantwoording af aan de algemeen directeur van de [groep] en dat ís [bestuurder 2] . De directie van [B.V. 1] bestaat uit [bestuurder 2] , [bestuurder 5] , [bestuurder 4] en [bestuurder 1/verdachte] Voor alle directieleden geldt dat bij grote beslíssingen altijd overleg wordt gepleegd met [bestuurder 2] . Voor bijvoorbeeld de beslissingen met betrekking tot de verkoop van een schip, neem ik die beslissing niet alleen maar wordt dit door de directie gedaan. Daar spelen financiële, commerciële en operationele afwegingen. (…) [bedrijfsjurist] heeft de hele documentatie verzorgd, beoordeeld op risico's en ook uiteindelijk opgesteld in onderhandeling met de koper. Dit deed hij in opdracht van mij. (…) ik was op de hoogte van het bestaan van iets met de naam EVOA en ik was ook op de hoogte van de informatie waarvan de conclusie was dat het niet van toepassing was als het schip van buiten de EU zou komen. De directie gaat af op het advies van de legal counsil.” Uit het vorengaande concludeert het hof dat de leidinggevenden van [B.V. 1] , waaronder [bestuurder 2] en [bestuurder 1/verdachte] , het besluit tot verkoop en overbrenging van [schip 1] aan een in Turkije gevestigde sloper hebben genomen waarbij zij wisten dat voldaan moest worden aan de EVOA indien het schip “vanuit een europese haven” werd verkocht en dat er dan een “EVOA verklaring” moest worden opgemaakt omdat de autoriteiten het schip in dat geval als “afval” zagen en er sprake was van een overbrenging naar een land buiten Europa. Afgaande op het advies van [bedrijfsjurist] heeft de directie van [B.V. 1] echter besloten géén voorafgaande kennisgeving te doen of om toestemming van de autoriteiten voor de overbrenging te vragen. Deze gedragingen van leidinggevenden worden redelijkerwijs aan [B.V. 1] en [N.V.] toegerekend nu de leidinggevenden in dienst waren van deze rechtsperso(o)n(en) dan wel daarvan direct of indirect bestuurder waren, de gedragingen op zichzelf passen in de sfeer van de rechtspersonen en dienstig zijn geweest aan de rechtspersonen. [B.V. 1] en [N.V.] hebben derhalve een strafbaar feit gepleegd door voorafgaand aan de overbrenging van [schip 1] naar Turkije geen kennisgeving te doen en evenmin om toestemming voor die overbrenging heeft gevraagd.
Volledig
Ook een passievere rol kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. Daarbij heeft de Hoge Raad in het bijzonder het oog op het geval de verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming c.q. beëindiging van de verboden gedragingen en zodanige maatregelen achterwege laat. Tot slot geldt dat in het subjectieve aspect van feitelijk leidinggeven is besloten dat opzet op de verboden gedraging vereist is. Daarvoor geldt als ondergrens dat de feitelijk leidinggever de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Aanvaarding van de onrechtmatigheid van de gedraging (‘boos opzet’) is geen vereiste. Heeft de rechtspersoon een strafbaar feit begaan met betrekking tot [schip 1] ? Standpunt verdediging Ter terechtzitting in hoger beroep is allereerst bepleit – op gronden zoals vermeld in de pleitnotities van de raadslieden – dat de feiten niet aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend, alsmede dat zij niet opzettelijk hebben gehandeld. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. In het najaar van 2023 besluit de directie van [B.V. 1] , onder andere bestaande uit [bestuurder 2] en [bestuurder 1/verdachte] , dat afscheid genomen gaat worden van [schip 1] . Het feitelijk management over en de feitelijke exploitatie van zowel [schip 1] als [schip 2] geschiedde vanuit [B.V. 1] en werd door deze vennootschap in nauwe en bewuste samenwerking met de andere vennootschappen uitgevoerd. Vanuit die hoedanigheid hadden de betrokken rechtspersonen feitelijke beschikkingsmacht over het schip. De exploitatie werd feitelijk aangestuurd door, onder ander, [bestuurder 2] , [bestuurder 1/verdachte] , [bestuurder 3] (alle drie bestuurders) en [een senior technical superintendent] ), [bedrijfsjurist] , [fleetmanager] en [bestuurder 5] , allen in dienst van [B.V. 1] . Met betrekking tot [schip 1] stuurt [fleetmanager] op 24 oktober 2013 een e-mail aan [vertegenwoordiger van tussenpersoon 1] , vertegenwoordiger van [tussenpersoon 1] die [winkel] kennelijk als tussenpersoon hanteert als het gaat om het slopen van een schip. [fleetmanager] meldt [vertegenwoordiger van tussenpersoon 1] dat hij op dit moment alleen kijkt naar mogelijkheden tot sloop van [schip 1] in april/mei 2014. [bestuurder 1/verdachte] en [bestuurder 5] staan in de cc. In een -email van 28 oktober 2013 vraagt [bestuurder 1/verdachte] aan [bestuurder 2] en [bestuurder 5] of ze ook nog naar varende verkoop zullen kijken: “Willen we principieel slopen of zullen we nog naar verkoop kijken?” . Daarbij geeft hij tevens de globale verschillen in kosten aan tussen slopen door een Turkse dan wel een Indiase werf. Op dezelfde dag antwoordt [bestuurder 2] aan [bestuurder 1/verdachte] en [bestuurder 5] : “We gaan (voorlopig) voor max revenue. (…) Dus verkoop prima.” Twee dagen later rappelleert [bestuurder 2] [bestuurder 5] en [bestuurder 3] ( [bestuurder 1/verdachte] in cc) en vraagt hen om een spoedig advies: “Nog max 6 maanden tot sloop. Wat gaan we doen? * ex aqaba naar sloop doorvaren met resultaat? verkoop other Ik weet dat dit eerder ter sprake kwam maar was toen beetje hap snap tussendoor? [bestuurder 5] , kan jij svp deze collegea bij elkaar halen en met advies komen naar mij wat de doen en hoe ? Enige spoed is wel nodig lijkt me gezien openkomen datum.” Hieruit volgt dat zowel [bestuurder 2] als [bestuurder 1/verdachte] zich actief bemoeien met het besluit om afscheid te (gaan) nemen van [schip 1] en met de keuze tussen slopen of varend verkopen. [bestuurder 2] dringt er op aan dat deze keuze met “enige spoed” wordt genomen. In de daarop volgende maanden wordt met betrekking tot het afscheid van [schip 1] vooral gemaild met [tussenpersoon 1] , de tussenpersoon die offertes van slopers moet opvragen en aan [winkel] doorgeeft, waaruit volgt dat kennelijk is gekozen [schip 1] aan een sloper te verkopen. Binnen het concern is men er kennelijk van op de hoogte dat er bij het overbrengen van een schip naar een sloper de nodige regels gelden, want op 17 januari 2014 brengt [fleetmanager] verslag uit aan [bestuurder 1/verdachte] en [bedrijfsjurist] over hetgeen hij via contacten met de redersvereniging heeft vernomen over het juridisch kader rond het overbrengen van een schip ter recycling naar een sloper. De tekst van deze e-mail luidt, voor zover hier relevant, als volgt: “Als ik het goed lees is de hongkong verdrag nog niet van toepassing, maar moeten we wel aan EVOA voldoen als het schip vanuit een europese haven wordt verkocht. Dan hoort er dus een EVOA verklaring opgemaakt te worden van het schip want we gaan afval (ze zien het hele schip als afval) om hem te mogen uitvoeren naar buiten europa. Als je buiten europa verkoopt heb je niks nodig.” [bedrijfsjurist] reageert hier op in zijn email van 20 januari 2014 en adviseert dat de EVOA niet van toepassing is zolang [schip 1] vanuit een niet-EU land naar Turkije vaart. De directie volgt dit advies. Eveneens op 20 januari 2014 stuurt [tussenpersoon 1] aan [fleetmanager] ( [bestuurder 1/verdachte] in cc) een concept-verkoop overeenkomst ter commentaar, voordat deze aan de Turkse kandidaat slopers wordt gezonden. Op 27 januari 2014 geeft [bedrijfsjurist] zijn commentaar op de definitieve conceptovereenkomst met [een sloper] , die [schip 1] uiteindelijk ook zal kopen. [bestuurder 1/verdachte] heeft met betrekking tot het nemen van beslissingen door de directie van [B.V. 1] en zijn positie ten opzichte van [bestuurder 2] het volgende verklaard: “Ik ben financieel directeur van [winkel] . Ik ben in dienst bij [B.V. 1] Ik leg verantwoording af aan de algemeen directeur van de [groep] en dat ís [bestuurder 2] . De directie van [B.V. 1] bestaat uit [bestuurder 2] , [bestuurder 5] , [bestuurder 4] en [bestuurder 1/verdachte] Voor alle directieleden geldt dat bij grote beslíssingen altijd overleg wordt gepleegd met [bestuurder 2] . Voor bijvoorbeeld de beslissingen met betrekking tot de verkoop van een schip, neem ik die beslissing niet alleen maar wordt dit door de directie gedaan. Daar spelen financiële, commerciële en operationele afwegingen. (…) [bedrijfsjurist] heeft de hele documentatie verzorgd, beoordeeld op risico's en ook uiteindelijk opgesteld in onderhandeling met de koper. Dit deed hij in opdracht van mij. (…) ik was op de hoogte van het bestaan van iets met de naam EVOA en ik was ook op de hoogte van de informatie waarvan de conclusie was dat het niet van toepassing was als het schip van buiten de EU zou komen. De directie gaat af op het advies van de legal counsil.” Uit het vorengaande concludeert het hof dat de leidinggevenden van [B.V. 1] , waaronder [bestuurder 2] en [bestuurder 1/verdachte] , het besluit tot verkoop en overbrenging van [schip 1] aan een in Turkije gevestigde sloper hebben genomen waarbij zij wisten dat voldaan moest worden aan de EVOA indien het schip “vanuit een europese haven” werd verkocht en dat er dan een “EVOA verklaring” moest worden opgemaakt omdat de autoriteiten het schip in dat geval als “afval” zagen en er sprake was van een overbrenging naar een land buiten Europa. Afgaande op het advies van [bedrijfsjurist] heeft de directie van [B.V. 1] echter besloten géén voorafgaande kennisgeving te doen of om toestemming van de autoriteiten voor de overbrenging te vragen. Deze gedragingen van leidinggevenden worden redelijkerwijs aan [B.V. 1] en [N.V.] toegerekend nu de leidinggevenden in dienst waren van deze rechtsperso(o)n(en) dan wel daarvan direct of indirect bestuurder waren, de gedragingen op zichzelf passen in de sfeer van de rechtspersonen en dienstig zijn geweest aan de rechtspersonen. [B.V. 1] en [N.V.] hebben derhalve een strafbaar feit gepleegd door voorafgaand aan de overbrenging van [schip 1] naar Turkije geen kennisgeving te doen en evenmin om toestemming voor die overbrenging heeft gevraagd.
Volledig
Nu de leidinggevenden wisten dat de autoriteiten het schip als “afval” kwalificeerden en de EVOA in dergelijke gevallen een ‘verklaring’ eiste alvorens werd overgegaan tot overbrenging van het schip vanuit de EU naar een land buiten de EU en niettemin die overbrenging hebben laten uitvoering zonder voorafgaande kennisgeving aan en/of toestemming van de autoriteiten hebben zij opzettelijk nagelaten van de voorgenomen overbrenging een kennisgeving te doen dan wel toestemming te vragen. Dit opzet kan aan de rechtspersonen worden toegerekend. Kwalificeert de [verdachte] als feitelijk leidinggever met betrekking tot de overbrenging van [schip 1] en van [schip 2] ? Uit het vorengaande volgt dat [verdachte] als financieel directeur, onderdeel uitmaakte van de directie van [B.V. 1] Hij was in beide gevallen intensief betrokken bij de voorbereidingen van de verkoop aan [een sloper] . Met [fleetmanager] en [bedrijfsjurist] besprak hij de mogelijke EVOA implicaties van de overbrenging. Hij werd in vele e-mails aangaande beide overbrengingen ingekopieerd. Het hof stelt vast hij op de hoogte was van het feit dat bij geen van beide overbrengingen een kennisgeving werd gedaan of om toestemming is gevraagd. Gelet op zijn positie was hij bevoegd en gehouden om in te grijpen. Hij heeft desondanks niet – al dan niet binnen een directievergadering – aan de orde gesteld dat een voorafgaande kennisgeving moest worden gedaan noch anderszins ingegrepen. Feitelijk leidinggeven met betrekking tot [schip 2] Heeft de rechtspersoon een strafbaar feit begaan met betrekking tot [schip 2] ? Standpunt verdediging Ook ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging, zoals hierboven ten aanzien van feit 1 aangegeven, betoogd dat – kort gezegd – de gedragingen niet aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend, opzet niet te bewijzen is en niet voldaan is aan de voorwaarden voor feitelijk leidinggeven. Oordeel van het hof Op 27 januari 2015 neemt het directieteam van [B.V. 1] , met daarin onder andere de bestuurders [bestuurder 2] , [bestuurder 1/verdachte] en [bestuurder 3] , het besluit dat de G-klasse schepen, waaronder [schip 2] , zullen worden vernietigd (lees: gesloopt) indien zich geen commerciële interesse voor varende verkoop zou aandienen. Op 26 april 2015 zou [schip 2] een kostbare survey moeten ondergaan. Het afscheid diende dus vóór deze datum plaats te vinden. In de daarop volgende maanden wordt een afscheid via verkoop aan een (Turkse) sloper voorbereid, maar tevens vinden serieuze onderhandelingen plaats met een Italiaanse aspirant koper. Op 4 februari 2015 geeft [tussenpersoon 1] aan projectleider [bestuurder 3] de prijzen van een potentiële sloper uit Gent door. Een dag later meldt [bestuurder 3] dat België geen optie is. Nu er ook geen andere in een EU-lidstaat gevestigde sloper in beeld is geweest, betekent dit dat alleen Turkse of Indiase slopers nog overbleven. Via tussenpersoon [tussenpersoon 2] is er contact met Italiaanse kandidaat kopers. Op 10 maart 2015 stuurt [tussenpersoon 2] een e-mail aan projectleider [bestuurder 3] met als bijlage een offerte van de Italiaanse aspirant koper. Diezelfde ochtend stuurt [bestuurder 3] deze e-mail met offerte aan [bestuurder 2] (bestuurders [bestuurder 5] en [bestuurder 1/verdachte] in cc) met een aantal opmerkingen. Zo merkt hij op dat de geoffreerde koopprijs aanzienlijk hoger ligt dan de prijs die van een Indiase of Turkse sloper zou worden verkregen. Voorts merkt hij op dat de Italianen eerst nog een inspectie van de schepen willen. Nu [schip 2] tot half maart 2015 in Baltimore zal zijn, brengt dit mee dat de deal met de sloper moet worden “getemporiseerd” (“temporized”), waardoor het afscheid nemen van de [winkel] wel erg “last minute” wordt nu het schip uiterlijk 26 april 2015 de verplichte survey zou moeten ondergaan. Met als onderwerp “G type scrapping” mailt [bestuurder 3] op 1 april 2015 aan [bedrijfsjurist] ( [bestuurder 1/verdachte] in cc) dat hij van [informateur] heeft begrepen dat indien [schip 2] bijvoorbeeld vanuit Gibraltar vertrekt naar een haven buiten Europa “er geen probleem is”. Het contract met die scrap yard moet dan tot stand komen dan wel getekend worden na vertrek vanuit die Europese haven. Hieruit volgt dat (na de overbrenging van [schip 1] , die slechts ruim een jaar eerder plaatsvond) opnieuw de vraag wordt besproken of en wanneer er een verplichting tot kennisgeving aan dan wel een toestemming van de autoriteiten voor de overbrenging is vereist. Op 9 april 2015 mailt [bestuurder 3] aan [fleetmanager] en [bedrijfsjurist] dat “maandag” (het hof begrijpt: maandag 13 april 2015) definitief wordt beslist of [schip 2] (varend) wordt verkocht. “Als het niet doorgaat, dan gaan we verder met scrappen [van schip 2] . (…) Het lijkt me verstandig om vanaf nu nog een keer naar de kwaliteit te kijken van de 3 turkse scrapyards die destijds hebben aangeboden. Dan kunnen we vanaf maandag, als de verkoop niet doorgaat, gelijk door met [tussenpersoon 1] (onze scrap broker) gelijk door.” Op 14 april 2015 meldt de kapitein van [schip 2] aan [een senior technical superintendent] (cc: [fleetmanager] ) dat hij heeft gehoord dat het schip wordt gesloopt, hetgeen diezelfde dag door [een senior technical superintendent] wordt bevestigd. Vanaf 14 april 2015 worden alle voorbereidingen getroffen voor een verkoop met en levering aan [een sloper] , inclusief afspraken over een inspectie van de sloopwerven die [een sloper] ter beschikking staan (omdat men zich zoveel mogelijk wilde verzekeren van een “groene sloop”), het overeenkomen van de definitieve voorwaarden en het opstellen van de definitieve contracten. Op 16 april 2015 mailt [bestuurder 3] aan [een senior technical superintendent] dat is besloten ervan uit te gaan dat [schip 2] gesloopt gaat worden: “ we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk”. Op 26 april 2015 arriveert het schip in Aliaga waar het op 28 april 2015 het strand werd opgevaren. Het hof stelt vast dat nog geen jaar nadat de verkoopovereenkomst met [een sloper] (14 februari 2014) was gesloten opnieuw beslist is een schip aan [een sloper] te verkopen opdat het schip opeen werf in Turkije gesloopt zou worden. In de voorbereiding tot de verkoop van [schip 2] is door leidinggevenden (in ieder geval [bestuurder 3] en [bedrijfsjurist] ) opnieuw besproken en besloten dat geen kennisgeving aan of toestemming van de autoriteiten behoefde te worden gevraagd, waarbij de directie opnieuw is afgegaan op het advies van [bedrijfsjurist] . Deze gedragingen van leidinggevenden worden redelijkerwijs aan [B.V. 1] en [B.V. 2] toegerekend nu de leidinggevenden in dienst waren van deze rechtsperso(o)n(en) dan wel direct of indirect actief bestuurder waren van de rechtspersonen, de gedragingen op zichzelf passen in de sfeer van de rechtspersonen en dienstig zijn geweest aan de rechtspersonen. [B.V. 1] en [B.V. 2] hebben derhalve een strafbaar feit gepleegd door voorafgaand aan de overbrenging van [schip 2] naar Turkije geen kennisgeving te doen en evenmin om toestemming voor die overbrenging te vragen. Nu de leidinggevenden ook ten aanzien van [schip 2] wisten dat de autoriteiten het schip als “afval” kwalificeerden en de EVOA in dergelijke gevallen een ‘verklaring’ eiste alvorens werd overgegaan tot overbrenging van het schip vanuit de EU naar een land buiten de EU en niettemin die overbrenging hebben laten uitvoeren zonder voorafgaande kennisgeving aan en/of toestemming van de autoriteiten hebben zij opzettelijk nagelaten van de voorgenomen overbrenging een kennisgeving te doen dan wel toestemming te vragen. Deze opzet kan aan de rechtspersonen worden toegerekend. Kwalificeert [verdachte] als feitelijk leidinggever met betrekking tot de overbrenging van [schip 1] en van [schip 2] ? Uit het vorengaande volgt dat [verdachte] als financieel directeur, onderdeel uitmaakte van de directie van [B.V. 1] Hij was in beide gevallen intensief betrokken bij de voorbereidingen van de verkoop aan [een sloper] . Met [fleetmanager] en [bedrijfsjurist] besprak hij de mogelijke EVOA implicaties van de overbrenging. Hij werd in vele e-mails aangaande beide overbrengingen ingekopieerd.
Volledig
Nu de leidinggevenden wisten dat de autoriteiten het schip als “afval” kwalificeerden en de EVOA in dergelijke gevallen een ‘verklaring’ eiste alvorens werd overgegaan tot overbrenging van het schip vanuit de EU naar een land buiten de EU en niettemin die overbrenging hebben laten uitvoering zonder voorafgaande kennisgeving aan en/of toestemming van de autoriteiten hebben zij opzettelijk nagelaten van de voorgenomen overbrenging een kennisgeving te doen dan wel toestemming te vragen. Dit opzet kan aan de rechtspersonen worden toegerekend. Kwalificeert de [verdachte] als feitelijk leidinggever met betrekking tot de overbrenging van [schip 1] en van [schip 2] ? Uit het vorengaande volgt dat [verdachte] als financieel directeur, onderdeel uitmaakte van de directie van [B.V. 1] Hij was in beide gevallen intensief betrokken bij de voorbereidingen van de verkoop aan [een sloper] . Met [fleetmanager] en [bedrijfsjurist] besprak hij de mogelijke EVOA implicaties van de overbrenging. Hij werd in vele e-mails aangaande beide overbrengingen ingekopieerd. Het hof stelt vast hij op de hoogte was van het feit dat bij geen van beide overbrengingen een kennisgeving werd gedaan of om toestemming is gevraagd. Gelet op zijn positie was hij bevoegd en gehouden om in te grijpen. Hij heeft desondanks niet – al dan niet binnen een directievergadering – aan de orde gesteld dat een voorafgaande kennisgeving moest worden gedaan noch anderszins ingegrepen. Feitelijk leidinggeven met betrekking tot [schip 2] Heeft de rechtspersoon een strafbaar feit begaan met betrekking tot [schip 2] ? Standpunt verdediging Ook ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging, zoals hierboven ten aanzien van feit 1 aangegeven, betoogd dat – kort gezegd – de gedragingen niet aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend, opzet niet te bewijzen is en niet voldaan is aan de voorwaarden voor feitelijk leidinggeven. Oordeel van het hof Op 27 januari 2015 neemt het directieteam van [B.V. 1] , met daarin onder andere de bestuurders [bestuurder 2] , [bestuurder 1/verdachte] en [bestuurder 3] , het besluit dat de G-klasse schepen, waaronder [schip 2] , zullen worden vernietigd (lees: gesloopt) indien zich geen commerciële interesse voor varende verkoop zou aandienen. Op 26 april 2015 zou [schip 2] een kostbare survey moeten ondergaan. Het afscheid diende dus vóór deze datum plaats te vinden. In de daarop volgende maanden wordt een afscheid via verkoop aan een (Turkse) sloper voorbereid, maar tevens vinden serieuze onderhandelingen plaats met een Italiaanse aspirant koper. Op 4 februari 2015 geeft [tussenpersoon 1] aan projectleider [bestuurder 3] de prijzen van een potentiële sloper uit Gent door. Een dag later meldt [bestuurder 3] dat België geen optie is. Nu er ook geen andere in een EU-lidstaat gevestigde sloper in beeld is geweest, betekent dit dat alleen Turkse of Indiase slopers nog overbleven. Via tussenpersoon [tussenpersoon 2] is er contact met Italiaanse kandidaat kopers. Op 10 maart 2015 stuurt [tussenpersoon 2] een e-mail aan projectleider [bestuurder 3] met als bijlage een offerte van de Italiaanse aspirant koper. Diezelfde ochtend stuurt [bestuurder 3] deze e-mail met offerte aan [bestuurder 2] (bestuurders [bestuurder 5] en [bestuurder 1/verdachte] in cc) met een aantal opmerkingen. Zo merkt hij op dat de geoffreerde koopprijs aanzienlijk hoger ligt dan de prijs die van een Indiase of Turkse sloper zou worden verkregen. Voorts merkt hij op dat de Italianen eerst nog een inspectie van de schepen willen. Nu [schip 2] tot half maart 2015 in Baltimore zal zijn, brengt dit mee dat de deal met de sloper moet worden “getemporiseerd” (“temporized”), waardoor het afscheid nemen van de [winkel] wel erg “last minute” wordt nu het schip uiterlijk 26 april 2015 de verplichte survey zou moeten ondergaan. Met als onderwerp “G type scrapping” mailt [bestuurder 3] op 1 april 2015 aan [bedrijfsjurist] ( [bestuurder 1/verdachte] in cc) dat hij van [informateur] heeft begrepen dat indien [schip 2] bijvoorbeeld vanuit Gibraltar vertrekt naar een haven buiten Europa “er geen probleem is”. Het contract met die scrap yard moet dan tot stand komen dan wel getekend worden na vertrek vanuit die Europese haven. Hieruit volgt dat (na de overbrenging van [schip 1] , die slechts ruim een jaar eerder plaatsvond) opnieuw de vraag wordt besproken of en wanneer er een verplichting tot kennisgeving aan dan wel een toestemming van de autoriteiten voor de overbrenging is vereist. Op 9 april 2015 mailt [bestuurder 3] aan [fleetmanager] en [bedrijfsjurist] dat “maandag” (het hof begrijpt: maandag 13 april 2015) definitief wordt beslist of [schip 2] (varend) wordt verkocht. “Als het niet doorgaat, dan gaan we verder met scrappen [van schip 2] . (…) Het lijkt me verstandig om vanaf nu nog een keer naar de kwaliteit te kijken van de 3 turkse scrapyards die destijds hebben aangeboden. Dan kunnen we vanaf maandag, als de verkoop niet doorgaat, gelijk door met [tussenpersoon 1] (onze scrap broker) gelijk door.” Op 14 april 2015 meldt de kapitein van [schip 2] aan [een senior technical superintendent] (cc: [fleetmanager] ) dat hij heeft gehoord dat het schip wordt gesloopt, hetgeen diezelfde dag door [een senior technical superintendent] wordt bevestigd. Vanaf 14 april 2015 worden alle voorbereidingen getroffen voor een verkoop met en levering aan [een sloper] , inclusief afspraken over een inspectie van de sloopwerven die [een sloper] ter beschikking staan (omdat men zich zoveel mogelijk wilde verzekeren van een “groene sloop”), het overeenkomen van de definitieve voorwaarden en het opstellen van de definitieve contracten. Op 16 april 2015 mailt [bestuurder 3] aan [een senior technical superintendent] dat is besloten ervan uit te gaan dat [schip 2] gesloopt gaat worden: “ we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk”. Op 26 april 2015 arriveert het schip in Aliaga waar het op 28 april 2015 het strand werd opgevaren. Het hof stelt vast dat nog geen jaar nadat de verkoopovereenkomst met [een sloper] (14 februari 2014) was gesloten opnieuw beslist is een schip aan [een sloper] te verkopen opdat het schip opeen werf in Turkije gesloopt zou worden. In de voorbereiding tot de verkoop van [schip 2] is door leidinggevenden (in ieder geval [bestuurder 3] en [bedrijfsjurist] ) opnieuw besproken en besloten dat geen kennisgeving aan of toestemming van de autoriteiten behoefde te worden gevraagd, waarbij de directie opnieuw is afgegaan op het advies van [bedrijfsjurist] . Deze gedragingen van leidinggevenden worden redelijkerwijs aan [B.V. 1] en [B.V. 2] toegerekend nu de leidinggevenden in dienst waren van deze rechtsperso(o)n(en) dan wel direct of indirect actief bestuurder waren van de rechtspersonen, de gedragingen op zichzelf passen in de sfeer van de rechtspersonen en dienstig zijn geweest aan de rechtspersonen. [B.V. 1] en [B.V. 2] hebben derhalve een strafbaar feit gepleegd door voorafgaand aan de overbrenging van [schip 2] naar Turkije geen kennisgeving te doen en evenmin om toestemming voor die overbrenging te vragen. Nu de leidinggevenden ook ten aanzien van [schip 2] wisten dat de autoriteiten het schip als “afval” kwalificeerden en de EVOA in dergelijke gevallen een ‘verklaring’ eiste alvorens werd overgegaan tot overbrenging van het schip vanuit de EU naar een land buiten de EU en niettemin die overbrenging hebben laten uitvoeren zonder voorafgaande kennisgeving aan en/of toestemming van de autoriteiten hebben zij opzettelijk nagelaten van de voorgenomen overbrenging een kennisgeving te doen dan wel toestemming te vragen. Deze opzet kan aan de rechtspersonen worden toegerekend. Kwalificeert [verdachte] als feitelijk leidinggever met betrekking tot de overbrenging van [schip 1] en van [schip 2] ? Uit het vorengaande volgt dat [verdachte] als financieel directeur, onderdeel uitmaakte van de directie van [B.V. 1] Hij was in beide gevallen intensief betrokken bij de voorbereidingen van de verkoop aan [een sloper] . Met [fleetmanager] en [bedrijfsjurist] besprak hij de mogelijke EVOA implicaties van de overbrenging. Hij werd in vele e-mails aangaande beide overbrengingen ingekopieerd.
Volledig
Het hof stelt vast hij op de hoogte was van het feit dat bij geen van beide overbrengingen een kennisgeving werd gedaan of om toestemming is gevraagd. Gelet op zijn positie was hij bevoegd en gehouden om in te grijpen. Hij heeft desondanks niet – al dan niet binnen een directievergadering – aan de orde gesteld dat een voorafgaande kennisgeving moest worden gedaan noch anderszins ingegrepen. Beroep op rechtsdwaling Standpunt van de verdediging Door de verdediging is bepleit dat er zowel voor de verdachte rechtspersonen als voor de verdachte natuurlijke personen geen enkele reden was om te twijfelen aan het juridisch oordeel van [bedrijfsjurist] en dat zij derhalve mochten afgaan op het advies van deze bedrijfsjurist, hetgeen moet leiden tot ontslag van rechtsvervolging dan wel vrijspraak. Oordeel van het hof [bedrijfsjurist] heeft de verdachten geadviseerd dat de EVOA, en daarmee een verplichte kennisgeving aan of toestemming van de autoriteiten aangaande de overbrenging van de schepen naar Turkije waar ze zouden worden gesloopt, niet van toepassing was indien het schip Turkije zou binnenvaren vanuit een niet-EU land. Hij baseerde dit advies op een verslag van [fleetmanager] van diens gesprek met een vertegenwoordiger van de redersvereniging, enkele stukken die van die redersvereniging waren ontvangen en op een telefonisch contact met een vertegenwoordiger van ‘ [informateur] ’. Gesteld noch gebleken is dat [bedrijfsjurist] , de redersvereniging of [informateur] beroepshalve gespecialiseerd waren in de (interpretatie van) de EVOA of de Kaderrichtlijn Afvalstoffen. Evenmin is gesteld noch gebleken dat de verdachten een in de complexe materie van overbrenging van afvalstoffen gespecialiseerde en onafhankelijke jurist om advies hebben gevraagd. Opvallend is dat in de correspondentie en het overleg tussen [winkel] medewerkers onderling en tussen [winkel] medewerkers en derden geen enkele aandacht wordt besteed aan het gegeven, welk gegeven uit de tekst van de regelgeving op simpele wijze valt op te maken, dat een persoon al een kennisgevingsplicht omtrent de overbrenging van afvalstoffen heeft als hij voornemens is afvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen (EVOA artikel 2 sub 15 onder a) en dat “overbrenging” gedefinieerd wordt als “het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen dat plaatsvindt of gepland is plaats te hebben” (EVOA artikel 2 sub 34). Het advies van [bedrijfsjurist] komt erop neer dat, indien ervoor wordt gezorgd dat het schip te allen tijde vanuit een niet-EU land Turkije binnenvaart de EVOA nimmer van toepassing is. Daarmee wordt een dermate beperkte interpretatie van het begrip “voornemen tot overbrenging” toegepast dat voor een professionele scheepvaart exploitant duidelijk is dat deze interpretatie geen recht doet aan de bedoelingen van de EVOA en de KRA. Om deze redenen verwerpt het hof dit verweer, nog daargelaten dat een ieder wordt geacht de wet te kennen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. [B.V. 1] en /of [N.V.] , in of omstreeks de periode van 24 oktober 2013 tot en met 6 maart 2014, te Rotterdam en/of te Schiedam en/of Vlissingen, in elk geval in Nederland en/of te Frankrijk , in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met ( een ) ander (en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling ( en ) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en /of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door ( een ) afvalstof ( fen ) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [schip 1] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en /of stook- en /of dieselolie en /of bilge-olie en /of fuel olie en /of sludge en /of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie ( s ) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen , zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Nederland en/of Frankrijk naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en /of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander ( en ) , althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven; 2. [B.V. 1] en /of [B.V. 2] , in of omstreeks de periode van 27 januari 2015 tot en met 28 april 2015, te Schiedam, in elk geval in Nederland en/of te Spanje , in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met ( een ) ander (en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling ( en ) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en /of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door ( een ) afvalstof (fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [schip 2] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en /of stook- en /of dieselolie en /of bilge-olie en /of fuel olie en /of sludge en /of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie ( s ) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen en/of asbest , zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Spanje naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en /of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander ( en ) , althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Standpunt verdediging De verdediging heeft – kort samengevat - aangevoerd dat de verweten gedragingen, voor zover het betreft de verplichting om van de voorgenomen overbrenging melding te doen, met de inwerkingtreding van de Scheepsrecyclingsverordening niet langer als strafbaar feit worden beschouwd. Bepaling 6 lid 1 van de Scheepsrecyclingsverordening is vergelijkbaar met de kennisgevingsverplichting uit de EVOA. Er is sprake van een gewijzigd inzicht bij de wetgever ten aanzien van de strafbaarheid van de verweten gedraging en bovendien is de gedraging niet langer strafbaar. Op grond van het lex mitior beginsel, zoals onder meer vastgelegd in artikel 1 lid 2 Wetboek van Strafrecht en artikel 7 EVRM, dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu de verweten gedraging, indien bewezen, niet langer kwalificeert als strafbaar feit. Voor zover het hof dit anders ziet, meent de verdediging dat het aangewezen is om vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat de EVOA verordening in dit geval toepasselijk is en dat het verweer dient te worden verworpen.
Volledig
Het hof stelt vast hij op de hoogte was van het feit dat bij geen van beide overbrengingen een kennisgeving werd gedaan of om toestemming is gevraagd. Gelet op zijn positie was hij bevoegd en gehouden om in te grijpen. Hij heeft desondanks niet – al dan niet binnen een directievergadering – aan de orde gesteld dat een voorafgaande kennisgeving moest worden gedaan noch anderszins ingegrepen. Beroep op rechtsdwaling Standpunt van de verdediging Door de verdediging is bepleit dat er zowel voor de verdachte rechtspersonen als voor de verdachte natuurlijke personen geen enkele reden was om te twijfelen aan het juridisch oordeel van [bedrijfsjurist] en dat zij derhalve mochten afgaan op het advies van deze bedrijfsjurist, hetgeen moet leiden tot ontslag van rechtsvervolging dan wel vrijspraak. Oordeel van het hof [bedrijfsjurist] heeft de verdachten geadviseerd dat de EVOA, en daarmee een verplichte kennisgeving aan of toestemming van de autoriteiten aangaande de overbrenging van de schepen naar Turkije waar ze zouden worden gesloopt, niet van toepassing was indien het schip Turkije zou binnenvaren vanuit een niet-EU land. Hij baseerde dit advies op een verslag van [fleetmanager] van diens gesprek met een vertegenwoordiger van de redersvereniging, enkele stukken die van die redersvereniging waren ontvangen en op een telefonisch contact met een vertegenwoordiger van ‘ [informateur] ’. Gesteld noch gebleken is dat [bedrijfsjurist] , de redersvereniging of [informateur] beroepshalve gespecialiseerd waren in de (interpretatie van) de EVOA of de Kaderrichtlijn Afvalstoffen. Evenmin is gesteld noch gebleken dat de verdachten een in de complexe materie van overbrenging van afvalstoffen gespecialiseerde en onafhankelijke jurist om advies hebben gevraagd. Opvallend is dat in de correspondentie en het overleg tussen [winkel] medewerkers onderling en tussen [winkel] medewerkers en derden geen enkele aandacht wordt besteed aan het gegeven, welk gegeven uit de tekst van de regelgeving op simpele wijze valt op te maken, dat een persoon al een kennisgevingsplicht omtrent de overbrenging van afvalstoffen heeft als hij voornemens is afvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen (EVOA artikel 2 sub 15 onder a) en dat “overbrenging” gedefinieerd wordt als “het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen dat plaatsvindt of gepland is plaats te hebben” (EVOA artikel 2 sub 34). Het advies van [bedrijfsjurist] komt erop neer dat, indien ervoor wordt gezorgd dat het schip te allen tijde vanuit een niet-EU land Turkije binnenvaart de EVOA nimmer van toepassing is. Daarmee wordt een dermate beperkte interpretatie van het begrip “voornemen tot overbrenging” toegepast dat voor een professionele scheepvaart exploitant duidelijk is dat deze interpretatie geen recht doet aan de bedoelingen van de EVOA en de KRA. Om deze redenen verwerpt het hof dit verweer, nog daargelaten dat een ieder wordt geacht de wet te kennen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. [B.V. 1] en /of [N.V.] , in of omstreeks de periode van 24 oktober 2013 tot en met 6 maart 2014, te Rotterdam en/of te Schiedam en/of Vlissingen, in elk geval in Nederland en/of te Frankrijk , in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met ( een ) ander (en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling ( en ) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en /of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door ( een ) afvalstof ( fen ) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [schip 1] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en /of stook- en /of dieselolie en /of bilge-olie en /of fuel olie en /of sludge en /of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie ( s ) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen , zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Nederland en/of Frankrijk naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en /of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander ( en ) , althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven; 2. [B.V. 1] en /of [B.V. 2] , in of omstreeks de periode van 27 januari 2015 tot en met 28 april 2015, te Schiedam, in elk geval in Nederland en/of te Spanje , in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met ( een ) ander (en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling ( en ) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en /of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door ( een ) afvalstof (fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [schip 2] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en /of stook- en /of dieselolie en /of bilge-olie en /of fuel olie en /of sludge en /of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie ( s ) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen en/of asbest , zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Spanje naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en /of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander ( en ) , althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Standpunt verdediging De verdediging heeft – kort samengevat - aangevoerd dat de verweten gedragingen, voor zover het betreft de verplichting om van de voorgenomen overbrenging melding te doen, met de inwerkingtreding van de Scheepsrecyclingsverordening niet langer als strafbaar feit worden beschouwd. Bepaling 6 lid 1 van de Scheepsrecyclingsverordening is vergelijkbaar met de kennisgevingsverplichting uit de EVOA. Er is sprake van een gewijzigd inzicht bij de wetgever ten aanzien van de strafbaarheid van de verweten gedraging en bovendien is de gedraging niet langer strafbaar. Op grond van het lex mitior beginsel, zoals onder meer vastgelegd in artikel 1 lid 2 Wetboek van Strafrecht en artikel 7 EVRM, dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu de verweten gedraging, indien bewezen, niet langer kwalificeert als strafbaar feit. Voor zover het hof dit anders ziet, meent de verdediging dat het aangewezen is om vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat de EVOA verordening in dit geval toepasselijk is en dat het verweer dient te worden verworpen.
Volledig
Europese regelgeving De Scheepsrecyclingsverordening bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende: Overweging 10: “Doublures moeten worden vermeden, en daarom dienen schepen die de vlag van een lidstaat voeren en die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, te worden uitgesloten van het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1013/2006, respectievelijk van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad. Verordening (EG) nr. 1013/2006 is van toepassing op de overbrenging van afvalstoffen vanuit de Unie, behoudens bepaalde categorieën van afval waarvoor een afwijkende regeling geldt. Schepen waarop deze verordening van toepassing is, worden gedurende hun hele levenscyclus aan controles onderworpen, teneinde het milieuverantwoord recyclen ervan te waarborgen. Daarom moet worden gepreciseerd dat een schip dat gedurende zijn hele levenscyclus aan de afwijkende controleregeling in het kader van deze verordening is onderworpen, niet aan Verordening (EG) nr. 1013/2006 mag worden onderworpen. De schepen die buiten het toepassingsgebied van het Verdrag van Hongkong en buiten deze verordening vallen, en alle afval aan boord van een schip, met uitzondering van het operationeel afval, moeten onderworpen blijven aan Verordening (EG) nr. 1013/2006 respectievelijk aan Richtlijnen 2008/98/EG en 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad.” Overweging 17: “De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties die gelden voor inbreuken op deze verordening en ervoor zorgen dat die sancties worden toegepast om te voorkomen dat de scheepsrecyclingregels worden omzeild. De sancties, die van civiel- of bestuursrechtelijke aard kunnen zijn, moeten doeltreffend en evenredig zijn en een afschrikkende werking hebben. Artikel 2 “ werkingssfeer 1. Deze verordening, met uitzondering van artikel 12, is van toepassing op schepen die de vlag van een lidstaat voeren. (…)” Artikel 6: “ Algemene voorschriften voor scheepseigenaren 1. Bij het voorbereiden van het recyclen van een schip moeten scheepseigenaren: a. a) de exploitant van de scheepsrecyclinginrichting alle relevante informatie over het schip verstrekken die nodig is voor het opstellen van het scheepsrecyclingplan beschreven in artikel 7; b) de betrokken administratie binnen een door die administratie te bepalen termijn schriftelijk kennisgeven van de intentie om een schip te recyclen in één of meerdere specifieke scheepsrecyclinginrichtingen. De kennisgeving bevat ten minste: i) de inventaris van gevaarlijke materialen, en ii) alle relevante informatie over het schip als bedoeld in punt a). Artikel 7: “ Scheepsrecyclingplan 1. Voordat er enige recycling van een schip plaatsvindt, wordt een voor elk schip specifiek scheepsrecyclingplan opgesteld. Het scheepsrecyclingplan behandelt alle aspecten van een specifiek schip die niet onder het plan van de scheepsrecycling inrichting vallen, of waarvoor speciale procedures nodig zijn. (…)” Artikel 8: “ Inspecties 3. Schepen worden onderworpen aan de volgende inspecties: a. a) een eerste inspectie; b) een hernieuwde inspectie; c) een aanvullende inspectie; d) een laatste inspectie. 4. De eerste inspectie van een nieuw schip wordt verricht voordat het schip in dienst wordt genomen, of voordat het inventariscertificaat wordt afgegeven. Voor bestaande schepen wordt uiterlijk op 31 december 2020 een eerste inspectie uit gevoerd. (…)” Artikel 22: Handhaving in lidstaten 1. Lidstaten stellen regels voor sancties vast die gelden voor inbreuken op deze verordening, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De voorziene sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. Tussenoverweging hof Nu [schip 1] en [schip 2] onder Nederlandse vlag voeren en niet van de werking van de Scheepsrecyclingsverordening zijn uitgesloten, is de Scheepsrecyclingsverordening van toepassing op de schepen [schip 1] en [schip 2] . In overweging 10 van de Scheepsrecyclingsverordening is, zo begrijpt het hof, het volgende bepaald: 1. dat doublures moeten worden vermeden en dat daarom schepen die onder het toepassingsbereik van de Scheepsrecyclingsverordening vallen, dienen te worden uitgesloten van het toepassingsbereik van (onder meer) de EVOA; 2. dat een schip dat gedurende zijn hele levenscyclus aan de afwijkende controleregeling in het kader van de Scheepsrecyclingsverordening is onderworpen, niet aan de EVOA mag worden onderworpen, en 3. dat schepen die buiten het toepassingsgebied van de Scheepsrecyclingsverordening vallen onderworpen moeten blijven aan (onder meer) de EVOA. Ten aanzien van de schepen [schip 1] en [schip 2] is (uitsluitend) sprake van de hiervoor onder 1 aangeduide categorie: schepen die onder het toepassingsbereik van de Scheepsrecyclingsverordening vallen. Geen verandering van wetgeving Voor die categorie schepen bevat overweging 10 van de Scheepsrecyclingsverordening een overgangsbepaling, inhoudende dat schepen van het toepassingsbereik van de EVOA dienen te worden uitgesloten indien dat tot doublures zou leiden. In dit geval is er nimmer sprake geweest van een dergelijke doublure aangezien is gesteld noch gebleken dat de schepen [schip 1] en [schip 2] ooit onderworpen zijn geweest aan de Scheepsrecyclingsverordening, die immers nog niet van toepassing was ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Op grond van de Scheepsrecyclingsverordening zouden de onderhavige schepen uiterlijk op 31 december 2020 een eerste inspectie hebben moeten ondergaan. Er heeft zich daarom nimmer een doublure, als bedoeld in overweging 10 van de Scheepsrecyclingsverordening, voorgedaan die vermeden had moet worden en daarom behoeft het toepassingsbereik van de EVOA ten aanzien van de onderhavige schepen niet te worden uitgesloten. Gelet op het voorgaande is er ten aanzien van de verweten gedraging geen sprake van verandering van wetgeving in de zin van artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Overweging ten overvloede Voor de volledigheid overweegt het hof het volgende. De Scheepsrecyclingsverordening beoogt dat schepen worden ontmanteld in scheepsrecyclinginrichtingen waar veilige en milieuvriendelijke methoden worden gehanteerd en heeft daartoe een systeem van monitoring in het leven geroepen met verplichtingen tot kennisgeving en certificeringen. De kennisgeving als bedoeld onder artikel 6 lid 1 onder a van de Scheepsrecyclingsverordening ziet op het verstrekken van informatie inzake (1) de intentie tot recycling, voorzien van (2) een inventaris van gevaarlijke materialen en (3) alle informatie die nodig is voor het opstellen van het scheepsrecyclingsplan als bedoeld onder 6 lid 1 onder a. De EVOA, voor zover hier van belang, vereist dat een voorgenomen overbrenging van een afvalstof (hetgeen een schip kan zijn) wordt gemeld. Uit het enkele feit dat onder beide normen kennis moet worden gegeven volgt nog niet dat sprake is van dezelfde norm. De norm onder de EVOA beoogt een overbrenging niet ongemerkt te laten geschieden terwijl de Scheepsrecyclingsverordening beoogt ervoor te zorgen dat niet alleen een voornemen tot recycling bij de autoriteiten gemeld wordt, maar daarnaast ook nog allerhande andere noodzakelijk geachte documentatie en informatie. Het hof laat de bespreking van de vraag in hoeverre de norm onder de EVOA en de norm onder de Scheepsrecyclingsverordening dezelfde norm behelzen verder achterwege omdat, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake is van dezelfde norm het volgende geldt. Met de verdediging constateert het hof dat het schenden van de in artikel 6 lid 1 onder b van de Scheepsrecyclingsverordening opgenomen verplichting niet strafbaar is gesteld. De handhaving van deze norm geschiedt door de inspectie leefomgeving en transport met toepassing van het bestuursrecht. Nu deze norm onder de Nederlandse wet- en regelgeving niet (langer) strafrechtelijk wordt gehandhaafd, maar bestuursrechtelijk, zou er, ten aanzien van deze kennisgevingsverplichting, sprake zijn van het vervallen van een strafbaarstelling.
Volledig
Europese regelgeving De Scheepsrecyclingsverordening bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende: Overweging 10: “Doublures moeten worden vermeden, en daarom dienen schepen die de vlag van een lidstaat voeren en die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, te worden uitgesloten van het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1013/2006, respectievelijk van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad. Verordening (EG) nr. 1013/2006 is van toepassing op de overbrenging van afvalstoffen vanuit de Unie, behoudens bepaalde categorieën van afval waarvoor een afwijkende regeling geldt. Schepen waarop deze verordening van toepassing is, worden gedurende hun hele levenscyclus aan controles onderworpen, teneinde het milieuverantwoord recyclen ervan te waarborgen. Daarom moet worden gepreciseerd dat een schip dat gedurende zijn hele levenscyclus aan de afwijkende controleregeling in het kader van deze verordening is onderworpen, niet aan Verordening (EG) nr. 1013/2006 mag worden onderworpen. De schepen die buiten het toepassingsgebied van het Verdrag van Hongkong en buiten deze verordening vallen, en alle afval aan boord van een schip, met uitzondering van het operationeel afval, moeten onderworpen blijven aan Verordening (EG) nr. 1013/2006 respectievelijk aan Richtlijnen 2008/98/EG en 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad.” Overweging 17: “De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties die gelden voor inbreuken op deze verordening en ervoor zorgen dat die sancties worden toegepast om te voorkomen dat de scheepsrecyclingregels worden omzeild. De sancties, die van civiel- of bestuursrechtelijke aard kunnen zijn, moeten doeltreffend en evenredig zijn en een afschrikkende werking hebben. Artikel 2 “ werkingssfeer 1. Deze verordening, met uitzondering van artikel 12, is van toepassing op schepen die de vlag van een lidstaat voeren. (…)” Artikel 6: “ Algemene voorschriften voor scheepseigenaren 1. Bij het voorbereiden van het recyclen van een schip moeten scheepseigenaren: a. a) de exploitant van de scheepsrecyclinginrichting alle relevante informatie over het schip verstrekken die nodig is voor het opstellen van het scheepsrecyclingplan beschreven in artikel 7; b) de betrokken administratie binnen een door die administratie te bepalen termijn schriftelijk kennisgeven van de intentie om een schip te recyclen in één of meerdere specifieke scheepsrecyclinginrichtingen. De kennisgeving bevat ten minste: i) de inventaris van gevaarlijke materialen, en ii) alle relevante informatie over het schip als bedoeld in punt a). Artikel 7: “ Scheepsrecyclingplan 1. Voordat er enige recycling van een schip plaatsvindt, wordt een voor elk schip specifiek scheepsrecyclingplan opgesteld. Het scheepsrecyclingplan behandelt alle aspecten van een specifiek schip die niet onder het plan van de scheepsrecycling inrichting vallen, of waarvoor speciale procedures nodig zijn. (…)” Artikel 8: “ Inspecties 3. Schepen worden onderworpen aan de volgende inspecties: a. a) een eerste inspectie; b) een hernieuwde inspectie; c) een aanvullende inspectie; d) een laatste inspectie. 4. De eerste inspectie van een nieuw schip wordt verricht voordat het schip in dienst wordt genomen, of voordat het inventariscertificaat wordt afgegeven. Voor bestaande schepen wordt uiterlijk op 31 december 2020 een eerste inspectie uit gevoerd. (…)” Artikel 22: Handhaving in lidstaten 1. Lidstaten stellen regels voor sancties vast die gelden voor inbreuken op deze verordening, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De voorziene sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. Tussenoverweging hof Nu [schip 1] en [schip 2] onder Nederlandse vlag voeren en niet van de werking van de Scheepsrecyclingsverordening zijn uitgesloten, is de Scheepsrecyclingsverordening van toepassing op de schepen [schip 1] en [schip 2] . In overweging 10 van de Scheepsrecyclingsverordening is, zo begrijpt het hof, het volgende bepaald: 1. dat doublures moeten worden vermeden en dat daarom schepen die onder het toepassingsbereik van de Scheepsrecyclingsverordening vallen, dienen te worden uitgesloten van het toepassingsbereik van (onder meer) de EVOA; 2. dat een schip dat gedurende zijn hele levenscyclus aan de afwijkende controleregeling in het kader van de Scheepsrecyclingsverordening is onderworpen, niet aan de EVOA mag worden onderworpen, en 3. dat schepen die buiten het toepassingsgebied van de Scheepsrecyclingsverordening vallen onderworpen moeten blijven aan (onder meer) de EVOA. Ten aanzien van de schepen [schip 1] en [schip 2] is (uitsluitend) sprake van de hiervoor onder 1 aangeduide categorie: schepen die onder het toepassingsbereik van de Scheepsrecyclingsverordening vallen. Geen verandering van wetgeving Voor die categorie schepen bevat overweging 10 van de Scheepsrecyclingsverordening een overgangsbepaling, inhoudende dat schepen van het toepassingsbereik van de EVOA dienen te worden uitgesloten indien dat tot doublures zou leiden. In dit geval is er nimmer sprake geweest van een dergelijke doublure aangezien is gesteld noch gebleken dat de schepen [schip 1] en [schip 2] ooit onderworpen zijn geweest aan de Scheepsrecyclingsverordening, die immers nog niet van toepassing was ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Op grond van de Scheepsrecyclingsverordening zouden de onderhavige schepen uiterlijk op 31 december 2020 een eerste inspectie hebben moeten ondergaan. Er heeft zich daarom nimmer een doublure, als bedoeld in overweging 10 van de Scheepsrecyclingsverordening, voorgedaan die vermeden had moet worden en daarom behoeft het toepassingsbereik van de EVOA ten aanzien van de onderhavige schepen niet te worden uitgesloten. Gelet op het voorgaande is er ten aanzien van de verweten gedraging geen sprake van verandering van wetgeving in de zin van artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Overweging ten overvloede Voor de volledigheid overweegt het hof het volgende. De Scheepsrecyclingsverordening beoogt dat schepen worden ontmanteld in scheepsrecyclinginrichtingen waar veilige en milieuvriendelijke methoden worden gehanteerd en heeft daartoe een systeem van monitoring in het leven geroepen met verplichtingen tot kennisgeving en certificeringen. De kennisgeving als bedoeld onder artikel 6 lid 1 onder a van de Scheepsrecyclingsverordening ziet op het verstrekken van informatie inzake (1) de intentie tot recycling, voorzien van (2) een inventaris van gevaarlijke materialen en (3) alle informatie die nodig is voor het opstellen van het scheepsrecyclingsplan als bedoeld onder 6 lid 1 onder a. De EVOA, voor zover hier van belang, vereist dat een voorgenomen overbrenging van een afvalstof (hetgeen een schip kan zijn) wordt gemeld. Uit het enkele feit dat onder beide normen kennis moet worden gegeven volgt nog niet dat sprake is van dezelfde norm. De norm onder de EVOA beoogt een overbrenging niet ongemerkt te laten geschieden terwijl de Scheepsrecyclingsverordening beoogt ervoor te zorgen dat niet alleen een voornemen tot recycling bij de autoriteiten gemeld wordt, maar daarnaast ook nog allerhande andere noodzakelijk geachte documentatie en informatie. Het hof laat de bespreking van de vraag in hoeverre de norm onder de EVOA en de norm onder de Scheepsrecyclingsverordening dezelfde norm behelzen verder achterwege omdat, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake is van dezelfde norm het volgende geldt. Met de verdediging constateert het hof dat het schenden van de in artikel 6 lid 1 onder b van de Scheepsrecyclingsverordening opgenomen verplichting niet strafbaar is gesteld. De handhaving van deze norm geschiedt door de inspectie leefomgeving en transport met toepassing van het bestuursrecht. Nu deze norm onder de Nederlandse wet- en regelgeving niet (langer) strafrechtelijk wordt gehandhaafd, maar bestuursrechtelijk, zou er, ten aanzien van deze kennisgevingsverplichting, sprake zijn van het vervallen van een strafbaarstelling.
Volledig
In zijn arrest van 12 juli 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6878) overwoog de Hoge Raad dat in dat geval de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die gold ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Verder overwoog de Hoge Raad dat een uitzondering daarop gerechtvaardigd wordt ingeval sprake is van een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten (r.o. 3.6.2.). Verandering van inzicht inzake de strafwaardigheid? Ten aanzien van die vraag overweegt het hof dat nergens uit blijkt dat de norm onder artikel 6 lid 1 onder b van de Scheepsrecyclingsverordening is ingevoerd omdat sprake zou zijn van een gewijzigde opvatting inzake de strafbaarheid van de (unie)wetgever waar het de tenlastegelegde norm onder de EVOA betreft. Daarbij is het volgende van belang. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de toepassing van het strafrecht niet uitgesloten op grond van de Scheepsrecyclingsverordening. Op grond van artikel Artikel 16c lid 2 van de Regeling voorkoming verontreiniging door schepen, in samenhang met artikel 36a, eerste lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, in samenhang met Artikel 1a onder 1° van de Wet economische delicten, volgt dat een aantal bepalingen van de Scheepsrecyclingsverordening strafrechtelijk handhaafbaar zijn. Uit het feit dat de kennisgevingsnorm onder artikel 6 lid 1 onder b van de Scheepsrecyclingsverordening niet ook strafrechtelijk gehandhaafd wordt, volgt op zichzelf niet dat bij de (unie)wetgever sprake is van een gewijzigd inzicht voor wat betreft de strafwaardigheid van de EVOA norm. Bedoelde kennisgeving van de Scheepsrecyclingsverordening is een essentieel onderdeel van een breder stelsel van regels dat tot doel heeft omzeiling van de regels voor de recycling (‘sloop’) van schepen te voorkomen en te verminderen en tot een betere grip op de recycling van schepen te komen. In zoverre moet eerder gesproken worden van een verzwaring van de bij recycling van schepen na te leven (combinatie van) regels. De kennisgeving kan daar niet zomaar worden uitgelicht en afzonderlijk worden beschouwd. Nu niet is gebleken van een gewijzigde opvatting van de (unie)wetgever inzake de strafbaarheid van de onderhavige norm van de EVOA, geldt het door de Hoge Raad gememoreerde uitgangspunt dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Dit betekent dat het verweer van de verdediging dient te worden verworpen, ook indien ervan uit wordt gegaan dat sprake is van dezelfde norm en dus van verandering in de wetgeving als bedoeld in artikel 1 lid 2 Sr. Voorwaardelijk verzoek Gelet op het vorenstaande – waarin het hof zelf antwoord heeft gegeven op de voorliggende rechtsvragen – wordt het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie thans niet noodzakelijk geacht, zodat dit verzoek wordt afgewezen. Conclusie Het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde levert op: feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte is als bestuurder nauw betrokken geweest bij de besluitvorming rond het ter sloop overbrengen van een tweetal zeeschepen naar Turkije. Hiervoor was geen toestemming van alle betrokken autoriteiten gevraagd. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op regels uit de EVOA, die primair zijn gegeven ter bescherming van het milieu. Meer in het bijzonder moet gezorgd worden voor een veilig en milieuvriendelijk beheer van het slopen van schepen, teneinde de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen. De procedure zoals de EVOA voorschrijft is van essentieel belang voor het toezicht en de controle op de overbrenging van afvalstoffen in overeenstemming met dit hoofddoel, omdat de bevoegde autoriteiten zich daardoor goed op de hoogte kunnen stellen en alle nodige maatregelen kunnen treffen ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu. Daarbij zorgt deze procedure voor de mogelijkheid voor de autoriteiten om op goede gronden bezwaar te maken tegen de overbrenging. Door en namens de verdachte is betoogd dat voor het bedrijf, een familiebedrijf, alleen het beste goed genoeg is en dat het bedrijf juist voorop wenst te lopen, ook op het gebied van de bescherming van mens en milieu. Hier heeft het hof beslist oog voor, maar het hof constateert ook dat de inspanningen hiertoe plaatsvinden vanuit het perspectief van wat bedrijfseconomisch verantwoord is, waarbij onvoldoende aandacht is geweest voor de kennisgevingsverplichting en het verkrijgen van toestemming van de overheid. Dit heeft er toe geleid dat de EVOA niet kon worden gehandhaafd, nu het doel van de procedure niet kon worden bereikt doordat de verdachte als gevolg van zijn keuze het toezicht op de overbrenging en de sloop onmogelijk heeft gemaakt. Het hof weegt evenwel ook mee dat uit het dossier blijkt dat de bij de sloop betrokken partijen – waaronder de verdachte – altijd een sterke voorkeur hadden voor een zo ‘groen’ mogelijke sloop. Hiertoe is een inspectiebezoek gebracht aan de sloopwerf en is een rapport opgesteld dat overwegend positief oordeelde over de werf aldaar. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof voorts rekening gehouden met - het doel van de overtreden bepaling; - de a-typische aard van een schip als afvalstof hetgeen ook door de wetgever is onderkend gelet op de daarvoor specifiek opgestelde regelingen (Verordening (EU) Nr. 1257/2013, 20 november 2013 inzake scheepsrecycling en het Internationaal Verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuvriendelijk recyclen van schepen van 2009); - de door de verdachte zelf in acht genomen zorg voor bescherming van gezondheid van mens en milieu, door eigen controle van de sloopwerf; - het ontbreken van eerdere veroordelingen voor een strafbaar feit; - de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarnaast is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze overschrijding is naar het oordeel van het hof evenwel niet van dien aard dat deze – zoals bepleit - aanleiding geeft voor toepassing van het rechterlijk pardon als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 24b, 23, 24, 24c, 51, en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 10.60 van de Wet milieubeheer en de artikelen 2, 3 en 38 van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Volledig
In zijn arrest van 12 juli 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6878) overwoog de Hoge Raad dat in dat geval de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die gold ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Verder overwoog de Hoge Raad dat een uitzondering daarop gerechtvaardigd wordt ingeval sprake is van een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten (r.o. 3.6.2.). Verandering van inzicht inzake de strafwaardigheid? Ten aanzien van die vraag overweegt het hof dat nergens uit blijkt dat de norm onder artikel 6 lid 1 onder b van de Scheepsrecyclingsverordening is ingevoerd omdat sprake zou zijn van een gewijzigde opvatting inzake de strafbaarheid van de (unie)wetgever waar het de tenlastegelegde norm onder de EVOA betreft. Daarbij is het volgende van belang. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de toepassing van het strafrecht niet uitgesloten op grond van de Scheepsrecyclingsverordening. Op grond van artikel Artikel 16c lid 2 van de Regeling voorkoming verontreiniging door schepen, in samenhang met artikel 36a, eerste lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, in samenhang met Artikel 1a onder 1° van de Wet economische delicten, volgt dat een aantal bepalingen van de Scheepsrecyclingsverordening strafrechtelijk handhaafbaar zijn. Uit het feit dat de kennisgevingsnorm onder artikel 6 lid 1 onder b van de Scheepsrecyclingsverordening niet ook strafrechtelijk gehandhaafd wordt, volgt op zichzelf niet dat bij de (unie)wetgever sprake is van een gewijzigd inzicht voor wat betreft de strafwaardigheid van de EVOA norm. Bedoelde kennisgeving van de Scheepsrecyclingsverordening is een essentieel onderdeel van een breder stelsel van regels dat tot doel heeft omzeiling van de regels voor de recycling (‘sloop’) van schepen te voorkomen en te verminderen en tot een betere grip op de recycling van schepen te komen. In zoverre moet eerder gesproken worden van een verzwaring van de bij recycling van schepen na te leven (combinatie van) regels. De kennisgeving kan daar niet zomaar worden uitgelicht en afzonderlijk worden beschouwd. Nu niet is gebleken van een gewijzigde opvatting van de (unie)wetgever inzake de strafbaarheid van de onderhavige norm van de EVOA, geldt het door de Hoge Raad gememoreerde uitgangspunt dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Dit betekent dat het verweer van de verdediging dient te worden verworpen, ook indien ervan uit wordt gegaan dat sprake is van dezelfde norm en dus van verandering in de wetgeving als bedoeld in artikel 1 lid 2 Sr. Voorwaardelijk verzoek Gelet op het vorenstaande – waarin het hof zelf antwoord heeft gegeven op de voorliggende rechtsvragen – wordt het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie thans niet noodzakelijk geacht, zodat dit verzoek wordt afgewezen. Conclusie Het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde levert op: feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte is als bestuurder nauw betrokken geweest bij de besluitvorming rond het ter sloop overbrengen van een tweetal zeeschepen naar Turkije. Hiervoor was geen toestemming van alle betrokken autoriteiten gevraagd. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op regels uit de EVOA, die primair zijn gegeven ter bescherming van het milieu. Meer in het bijzonder moet gezorgd worden voor een veilig en milieuvriendelijk beheer van het slopen van schepen, teneinde de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen. De procedure zoals de EVOA voorschrijft is van essentieel belang voor het toezicht en de controle op de overbrenging van afvalstoffen in overeenstemming met dit hoofddoel, omdat de bevoegde autoriteiten zich daardoor goed op de hoogte kunnen stellen en alle nodige maatregelen kunnen treffen ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu. Daarbij zorgt deze procedure voor de mogelijkheid voor de autoriteiten om op goede gronden bezwaar te maken tegen de overbrenging. Door en namens de verdachte is betoogd dat voor het bedrijf, een familiebedrijf, alleen het beste goed genoeg is en dat het bedrijf juist voorop wenst te lopen, ook op het gebied van de bescherming van mens en milieu. Hier heeft het hof beslist oog voor, maar het hof constateert ook dat de inspanningen hiertoe plaatsvinden vanuit het perspectief van wat bedrijfseconomisch verantwoord is, waarbij onvoldoende aandacht is geweest voor de kennisgevingsverplichting en het verkrijgen van toestemming van de overheid. Dit heeft er toe geleid dat de EVOA niet kon worden gehandhaafd, nu het doel van de procedure niet kon worden bereikt doordat de verdachte als gevolg van zijn keuze het toezicht op de overbrenging en de sloop onmogelijk heeft gemaakt. Het hof weegt evenwel ook mee dat uit het dossier blijkt dat de bij de sloop betrokken partijen – waaronder de verdachte – altijd een sterke voorkeur hadden voor een zo ‘groen’ mogelijke sloop. Hiertoe is een inspectiebezoek gebracht aan de sloopwerf en is een rapport opgesteld dat overwegend positief oordeelde over de werf aldaar. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof voorts rekening gehouden met - het doel van de overtreden bepaling; - de a-typische aard van een schip als afvalstof hetgeen ook door de wetgever is onderkend gelet op de daarvoor specifiek opgestelde regelingen (Verordening (EU) Nr. 1257/2013, 20 november 2013 inzake scheepsrecycling en het Internationaal Verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuvriendelijk recyclen van schepen van 2009); - de door de verdachte zelf in acht genomen zorg voor bescherming van gezondheid van mens en milieu, door eigen controle van de sloopwerf; - het ontbreken van eerdere veroordelingen voor een strafbaar feit; - de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarnaast is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze overschrijding is naar het oordeel van het hof evenwel niet van dien aard dat deze – zoals bepleit - aanleiding geeft voor toepassing van het rechterlijk pardon als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 24b, 23, 24, 24c, 51, en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 10.60 van de Wet milieubeheer en de artikelen 2, 3 en 38 van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.