Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-28
ECLI:NL:GHDHA:2026:105
Rolnummer: 22-002090-23 Parketnummer: 83-155776-22 Datum uitspraak: 28 januari 2026 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag economische kamer Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: de besloten vennootschap [verdachte/bedrijf 1] , Gevestigd aan de [adres] , [plaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: zij in of omstreeks de periode van 27 januari 2015 tot en met 28 april 2015, te Schiedam, in elk geval in Nederland en/of te Spanje, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en/of b van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door (een) afvalstof(fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [Schip 1] , in welk schip aanwezig was (onder andere) staal en/of stook- en/of dieselolie en/of bilge-olie en/of fuel olie en/of sludge en/of (lood)accu's en/of (een) koelinstallatie(s) met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon) en/of tl buizen en/of asbest, zijnde, dat schip, een afvalstof die niet onder één code van bijlage III, IV of IV A van die verordening is ingedeeld, over te brengen van Spanje naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 50.000. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Het hof doet op dezelfde datum uitspraak in de samenhangende zaken met de rolnummers: 22-002078-23 (verdachte [medeverdachte 1] ) 22-002080-23 (verdachte [medeverdachte 2] ) 22-002089-23 (verdachte [medeverdachte/bedrijf 2] ) 22-000290-23 (verdachte [verdachte/bedrijf 1] Beoordeling van de zaak en de gevoerde verweren Inleiding Uit het dossier leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af. [medeverdachte/bedrijf 2] maakte in de tenlastegelegde periode onderdeel uit van een groep van vennootschappen waarin [medeverdachte 1] steeds een actieve en bestuurlijke rol vervulde. Het hof zal om die reden dan ook spreken van het “ [medeverdachte 1] concern”. Het [medeverdachte 1] concern houdt zich bezig met de exploitatie van schepen die zijn gebouwd voor het vervoeren van zware en moeilijk te vervoeren lading. Het [verdachte/bedrijf 1] concern beheert een vloot van dit soort gespecialiseerde schepen en opereert wereldwijd. De [Schip 2] was een E-klasse schip, een zwaar ladingschip, gebouwd in 1989. De [Schip 1] was een G-klasse schip, gebouwd in 1995,een cargoschip, speciaal gebouwd voor het vervoeren van krachtcentrale materialen. [medeverdachte 1] , verdachte in de zaak met rolnummer 22-002078-23, was destijds bestuurder van [bedrijf 5] Deze vennootschap was enig aandeelhouder van [bedrijf 4] Bestuurder (zelfstandig bevoegd) van [bedrijf 4] was de verdachte, [medeverdachte 1] . [bedrijf 4] was enig aandeelhouder van een aantal vennootschappen, waaronder [medeverdachte/bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 6] en [verdachte/bedrijf 1] Bestuurders van [medeverdachte/bedrijf 2] waren [medeverdachte 1] , [medeverdach Van de voorgenomen sloop van de [Schip 1] is geen kennisgeving als bedoeld in de EVOA gedaan en evenmin is daarvoor door enige autoriteit toestemming verkregen. Juridisch kader De navolgende bepalingen — zoals die golden ten tijde van het ten laste gelegde — zijn relevant. - Op grond van artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) is het verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EVOA. Overtreding van artikel 10.60, tweede lid, Wm is strafbaar gesteld in artikel 1 a, sub 1°, van de Wet op de economische delicten (Hierna: WED). Indien opzettelijk gepleegd is dit economische delict op grond van artikel 2 WED een misdrijf. - Hoofddoel van de EVOA is de bescherming van het milieu. In de EVOA zijn procedures en controleregelingen voor de overbrenging van afvalstoffen vastgelegd. De EVOA is onder andere van toepassing op de overbrenging van afvalstoffen die uit de Gemeenschap naar derde landen worden uitgevoerd (artikel 1). - Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 1 van de EVOA wordt onder afvalstoffen verstaan: `afvalstoffen als omschreven in artikel l, lid l, onder a) van Richtlijn 2006/12/EG'. Richtlijn 2006/12/EG is vervangen door de Kaderrichtlijn Afvalstoffen 2008/98/EG (hierna: KRA). Ten tijde van de tenlastegelegde feiten in 2012 was de KRA van toepassing. - Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 1 KRA wordt onder afvalstof verstaan: `elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen'. - Volgens artikel 2, aanhef en onder 34 van de EVOA is `overbrenging' het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen dat plaatsvindt of gepland is plaats te hebben tussen een land en een ander land. - Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 15 KRA wordt onder nuttige toepassing verstaan: `elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt'. Bijlage II bevat een niet-limitatieve lijst van nuttige toepassingen. - Volgens artikel 2, aanhef en onder 35 van de EVOA is een `illegale overbrenging' de overbrenging van afvalstoffen zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening, en/of zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening. - Voor de uitvoer uit de Gemeenschap van niet in bijlage III, IV of IV A onder één code ingedeelde afvalstoffen naar landen waarop het OESO-besluit van toepassing is, geldt dat indien die overbrenging bestemd is voor nuttige toepassing de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving aan en toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten moet worden gevolgd (artike1 38 j° artikel 3, lid l, onder b) iii van de EVOA). - Artikel 4 van de EVOA schrijft voor dat wanneer de kennisgever voornemens is afvalstoffen als bedoeld in artikel 3, lid l, onder a) en b), over te brengen, hij daaraan voorafgaand schriftelijke kennisgeving doet bij en via de bevoegde autoriteit van verzending. In dit artikel staat verder aan welke eisen een kennisgeving moet voldoen. De kennisgeving moet worden gedaan met behulp van een daartoe bestemd formulier, waarin naast informatie over de afvalstof, de route, ontvanger en plaats waar de afvalstof naartoe gaat moeten worden vermeld. Een kennisgeving wordt pas als volledig beschouwd indien de bevoegde autoriteit van bestemming zich ervan heeft vergewist dat het kennisgevingsdocument is ingevuld. - Volgens artikel 2, aanhef en onder 15 van de EVOA is `kennisgever' in geval van overbrenging vanuit een lidstaat, de onder de rechtsmacht van die lidstaat vallende natuurlijke of rechtspersoon die voornemens is de afvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen en gehouden is tot de kennisgevingsplicht. Het begrip ‘afva Uit het hiervoor aangehaalde arrest van het Hof van Justitie blijkt immers dat voor de kwalificatie als afvalstof doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de intentie en het gedrag van de houder. Zoals hiervoor overwogen was het de intentie van [medeverdachte/bedrijf 2] zich van het schip te ontdoen en heeft [medeverdachte/bedrijf 2] zich daar ook naar gedragen. Het feit dat het (nog) niet (100%) vaststond dat de [Schip 1] zou worden gesloopt omdat varende verkoop nog tot de mogelijkheden leek te behoren, maakt in de gegeven omstandigheden evenmin dat het schip niet als afvalstof in de zin van de EVOA moet worden beschouwd op het moment dat besloten werd zich van het schip te ontdoen. Ook een voorwerp dat voor hergebruik geschikt is, kan een afvalstof zijn. Door de intentie van [medeverdachte/bedrijf 2] om zich te ontdoen van het schip en omdat varende verkoop, en dus hergebruik zonder vooraf een procedé voor de nuttige toepassing als bedoeld in bijlage 11 van de KRA, bij de [Schip 1] , weliswaar mogelijk maar niet zeker was, was het schip als afvalstof aan te merken. Op het moment dat het zeker zou zijn dat het schip alsnog (varend) zouden worden verkocht, zoud zij de status van afvalstof hebben verloren, maar daarvan is bij het schip geen sprake geweest. Het hof ziet geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij de door de verdediging aangevoerde momenten waarop het schipals afvalstof gekwalificeerd zou moeten worden, te weten als tot sloop wordt besloten of als het schip richting sloopwerf gaat in het geval het tussentijds nog regulier vaart. Deze opvattingen getuigen van een (te) restrictieve uitleg van het “zich ontdoen van” en dus van het begrip afvalstof in de zin van artikel l, lid 1, sub a van de KRA, een uitleg die niet past bij de doelstellingen van de EVOA en de KRA en de ruime uitleg die vanwege die doelstellingen aan die uitdrukking moet worden gegeven. De verweren worden verworpen. Vereiste van een kennisgeving en/of toestemming Ter terechtzitting in hoger beroep is bepleit dat voor de onderhavige overbrenging van de schepen naar de sloopwerf in Turkije – geen kennisgeving en geen toestemming vereist was. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Nu het schip op enig moment een afvalstof in de zin van de EVOA werd, was de kennisgevings- en toestemmingsprocedure als bedoeld in artikel 38, juncto artikel 3 van de EVOA van toepassing. Gelet op artikel 4 van de EVOA zoals dit ingevolge de overwegingen uit het Shell-arrest moet worden geïnterpreteerd, ontstaat de verplichting tot kennisgeving op het moment dat (voldoende) zeker is dat het voornemen bestaat een afvalstof over te brengen naar een land buiten de EU. Voor de [Schip 1] geldt het volgende. In de periode 27 januari 2025 (besluit zich van het schip te ontdoen) tot 16 april 2015 zijn voorbereidingen getroffen voor een verkoop aan een sloper, maar zijn, via tussenpersoon [tussenpersoon 1] , tevens concrete onderhandelingen gevoerd met een Italiaanse kandidaat koper. Gelet op dit gedrag kan betoogd worden dat het voornemen het schip over te brengen naar Turkije teneinde het daar te laten slopen nog niet de zekerheid had die in het kader van de EVOA en de KRA vereist is. Dit verandert echter als het bedrijf vanaf 16 april 2015 “uitgaat van scrappen en daarvoor alles in het werk zet” zoals verwoord in de hierboven genoemde email van [medeverdachte 3] aan [senior technical superintendent] van 16 april 2015. Aan de gedraging om te komen tot verkoop aan een sloper in Turkije wordt vervolgens ook uitvoering gegeven. Op 17 april 2015 rapporteert [tussenpersoon 2] , dat offertes van 7 slopers zijn ontvangen, waaronder [sloopwerf] . Op 18 april 2015 vaart de [Schip 1] vanaf Cádiz (Spanje) richting Turkije (via Tunesië). Op 21 april 2015 is overeenstemming over een koopovereenkomst tussen [verdachte/bedrijf 1] en sloper [sloopwerf] . Op 16 april 2015 lag het schip bij Cádiz (Spanje). Op 16 april 2015 was in ieder geval sprake van een voornemen tot overbrengi Op 9 april 2015 mailt bestuurder [medeverdachte 3] aan [fleetmanager] en [bedrijfsjurist] dat “maandag” (het hof begrijpt: maandag 13 april 2015) definitief wordt beslist of de [Schip 1] (varend) wordt verkocht. “Als het niet doorgaat, dan gaan we verder met scrappen vd [Schip 1] . (…) Het lijkt me verstandig om vanaf nu nog een keer naar de kwaliteit te kijken van de 3 turkse scrapyards die destijds hebben aangeboden. Dan kunnen we vanaf maandag, als de verkoop niet doorgaat, gelijk door met [tussenpersoon 2] (onze scrap broker) gelijk door.” Op 14 april 2015 meldt de kapitein van de [Schip 1] aan [senior technical superintendent] (cc: [fleetmanager] ) dat hij heeft gehoord dat het schip wordt gesloopt, hetgeen diezelfde dag door [senior technical superintendent] wordt bevestigd. Vanaf 14 april 2015 worden alle voorbereidingen getroffen voor een verkoop met en levering aan een Turkse sloper ( [sloopwerf] ), inclusief afspraken over een inspectie van de sloopwerven die [sloopwerf] ter beschikking staan (omdat men zich zoveel mogelijk wilde verzekeren van een “groene sloop”), het overeenkomen van de definitieve voorwaarden en het opstellen van de definitieve contracten. Op 16 april 2015 mailt bestuurder [medeverdachte 3] aan [senior technical superintendent] dat is besloten ervan uit te gaan dat de [Schip 1] gesloopt gaat worden: “ we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk”. Op 26 april 2015 arriveert het schip in Aliaga waar het op 28 april 2015 het strand werd opgevaren. Het hof stelt vast dat nog geen jaar nadat de verkoopovereenkomst met [sloopwerf] (14 februari 2014) was gesloten opnieuw beslist is een schip aan [sloopwerf] te verkopen opdat het schip op een werf in Turkije gesloopt zou worden. In de voorbereiding tot de verkoop van de [Schip 1] is door leidinggevenden (in ieder geval [medeverdachte 3] en [bedrijfsjurist] ) opnieuw besproken en besloten dat geen kennisgeving aan of toestemming van de autoriteiten behoefde te worden gevraagd, waarbij de directie opnieuw is afgegaan op het advies van bedrijfsjurist [bedrijfsjurist] . Deze gedragingen van leidinggevenden worden redelijkerwijs aan [medeverdachte/bedrijf 2] en [verdachte/bedrijf 1] toegerekend nu de leidinggevenden in dienst waren van deze rechtsperso(o)n(en) dan wel direct of indirect actief bestuurder waren van de rechtspersonen, de gedragingen op zichzelf passen in de sfeer van de rechtspersonen en dienstig zijn geweest aan de rechtspersonen. [medeverdachte/bedrijf 2] en [verdachte/bedrijf 1] hebben derhalve een strafbaar feit gepleegd door voorafgaand aan de overbrenging van de [Schip 1] naar Turkije geen kennisgeving te doen en evenmin om toestemming voor die overbrenging te vragen. Nu de leidinggevenden ook ten aanzien van de [Schip 1] wisten dat de autoriteiten het schip als “afval” kwalificeerden en de EVOA in dergelijke gevallen een ‘verklaring’ eiste alvorens werd overgegaan tot overbrenging van het schip vanuit de EU naar een land buiten de EU en niettemin die overbrenging hebben laten uitvoeren zonder voorafgaande kennisgeving aan en/of toestemming van de autoriteiten, hebben zij opzettelijk nagelaten van de voorgenomen overbrenging een kennisgeving te doen dan wel toestemming te vragen. Deze opzet kan aan de rechtspersonen worden toegerekend. Beroep op rechtsdwaling Standpunt van de verdediging Door de verdediging is bepleit dat er zowel voor de verdachte rechtspersonen als voor de verdachte natuurlijke personen geen enkele reden was om te twijfelen aan het juridisch oordeel van [bedrijfsjurist] en dat zij derhalve mochten afgaan op het advies van deze bedrijfsjurist, hetgeen moet leiden tot ontslag van rechtsvervolging dan wel vrijspraak. Oordeel van het hof [bedrijfsjurist] heeft de verdachten geadviseerd dat de EVOA, en daarmee een verplichte kennisgeving aan of toestemming van de autoriteiten aangaande de overbrenging van de schepen naar Turkije waar ze zouden worden gesloopt, niet van toepassing was indien het schip Turkije Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Standpunt verdediging De verdediging heeft – kort samengevat - aangevoerd dat de verweten gedragingen, voor zover het betreft de verplichting om van de voorgenomen overbrenging melding te doen, met de inwerkingtreding van de Scheepsrecyclingsverordening niet langer als strafbaar feit worden beschouwd. Bepaling 6 lid 1 van de Scheepsrecyclingsverordening is vergelijkbaar met de kennisgevingsverplichting uit de EVOA. Er is sprake van een gewijzigd inzicht bij de wetgever ten aanzien van de strafbaarheid van de verweten gedraging en bovendien is de gedraging niet langer strafbaar. Op grond van het lex mitior beginsel, zoals onder meer vastgelegd in artikel 1 lid 2 Wetboek van Strafrecht en artikel 7 EVRM, dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu de verweten gedraging, indien bewezen, niet langer kwalificeert als strafbaar feit. Voor zover het hof dit anders ziet, meent de verdediging dat het aangewezen is om vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat de EVOA verordening in dit geval toepasselijk is en dat het verweer dient te worden verworpen. Europese regelgeving De Scheepsrecyclingsverordening bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende: Overweging 10: “Doublures moeten worden vermeden, en daarom dienen schepen die de vlag van een lidstaat voeren en die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, te worden uitgesloten van het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1013/2006, respectievelijk van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad. Verordening (EG) nr. 1013/2006 is van toepassing op de overbrenging van afvalstoffen vanuit de Unie, behoudens bepaalde categorieën van afval waarvoor een afwijkende regeling geldt. Schepen waarop deze verordening van toepassing is, worden gedurende hun hele levenscyclus aan controles onderworpen, teneinde het milieuverantwoord recyclen ervan te waarborgen. Daarom moet worden gepreciseerd dat een schip dat gedurende zijn hele levenscyclus aan de afwijkende controleregeling in het kader van deze verordening is onderworpen, niet aan Verordening (EG) nr. 1013/2006 mag worden onderworpen. De schepen die buiten het toepassingsgebied van het Verdrag van Hongkong en buiten deze verordening vallen, en alle afval aan boord van een schip, met uitzondering van het operationeel afval, moeten onderworpen blijven aan Verordening (EG) nr. 1013/2006 respectievelijk aan Richtlijnen 2008/98/EG en 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad.” Overweging 17: “De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties die gelden voor inbreuken op deze verordening en ervoor zorgen dat die sancties worden toegepast om te voorkomen dat de scheepsrecyclingregels worden omzeild. De sancties, die van civiel- of bestuursrechtelijke aard kunnen zijn, moeten doeltreffend en evenredig zijn en een afschrikkende werking hebben. Artikel 2 “ werkingssfeer 1. Deze verordening, met uitzondering van artikel 12, is van toepassing op schepen die de vlag van een lidstaat voeren. (…)” Artikel 6: “ Algemene voorschriften voor scheepseigenaren 1. Bij het voorbereiden van het recyclen van een schip moeten scheepseigenaren: a. a) de exploitant van de scheepsrecyclinginrichting alle relevante informatie over het schip verstrekken die nodig is voor het opstellen van het scheepsrecyclingplan beschreven in artikel 7; b) de betrokken administratie binnen een door die administratie te bepalen termijn schriftelijk kennisgeven van de intentie om een schip te recyclen in één of meerdere specifieke scheepsrecyclinginrichtingen. De kennisgeving bevat ten minste: i) de inventaris van gevaarlijke materialen, en ii) alle relevante informatie over het schip als bedoeld in punt a). Artikel 7: “ Scheepsrecyclingplan 1. Voordat er enige recycling van een schip plaatsvindt, wordt een voor elk schip specifiek scheepsrecyclingplan opgesteld. Het s De norm onder de EVOA beoogt een overbrenging niet ongemerkt te laten geschieden terwijl de Scheepsrecyclingsverordening beoogt ervoor te zorgen dat niet alleen een voornemen tot recycling bij de autoriteiten gemeld wordt, maar daarnaast ook nog allerhande andere noodzakelijk geachte documentatie en informatie. Het hof laat de bespreking van de vraag in hoeverre de norm onder de EVOA en de norm onder de Scheepsrecyclingsverordening dezelfde norm behelzen verder achterwege omdat, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake is van dezelfde norm het volgende geldt. Met de verdediging constateert het hof dat het schenden van de in artikel 6 lid 1 onder b van de Scheepsrecyclingsverordening opgenomen verplichting niet strafbaar is gesteld. De handhaving van deze norm geschiedt door de inspectie leefomgeving en transport met toepassing van het bestuursrecht. Nu deze norm onder de Nederlandse wet- en regelgeving niet (langer) strafrechtelijk wordt gehandhaafd, maar bestuursrechtelijk, zou er, ten aanzien van deze kennisgevingsverplichting, sprake zijn van het vervallen van een strafbaarstelling. In zijn arrest van 12 juli 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6878) overwoog de Hoge Raad dat in dat geval de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die gold ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Verder overwoog de Hoge Raad dat een uitzondering daarop gerechtvaardigd wordt ingeval sprake is van een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten (r.o. 3.6.2.). Verandering van inzicht inzake de strafwaardigheid? Ten aanzien van die vraag overweegt het hof dat nergens uit blijkt dat de norm onder artikel 6 lid 1 onder b van de Scheepsrecyclingsverordening is ingevoerd omdat sprake zou zijn van een gewijzigde opvatting inzake de strafbaarheid van de (unie)wetgever waar het de tenlastegelegde norm onder de EVOA betreft. Daarbij is het volgende van belang. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de toepassing van het strafrecht niet uitgesloten op grond van de Scheepsrecyclingsverordening. Op grond van artikel Artikel 16c lid 2 van de Regeling voorkoming verontreiniging door schepen, in samenhang met artikel 36a, eerste lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, in samenhang met Artikel 1a onder 1° van de Wet economische delicten, volgt dat een aantal bepalingen van de Scheepsrecyclingsverordening strafrechtelijk handhaafbaar zijn. Uit het feit dat de kennisgevingsnorm onder artikel 6 lid 1 onder b van de Scheepsrecyclingsverordening niet ook strafrechtelijk gehandhaafd wordt, volgt op zichzelf niet dat bij de (unie)wetgever sprake is van een gewijzigd inzicht voor wat betreft de strafwaardigheid van de EVOA norm. Bedoelde kennisgeving van de Scheepsrecyclingsverordening is een essentieel onderdeel van een breder stelsel van regels dat tot doel heeft omzeiling van de regels voor de recycling (‘sloop’) van schepen te voorkomen en te verminderen en tot een betere grip op de recycling van schepen te komen. In zoverre moet eerder gesproken worden van een verzwaring van de bij recycling van schepen na te leven (combinatie van) regels. De kennisgeving kan daar niet zomaar worden uitgelicht en afzonderlijk worden beschouwd. Nu niet is gebleken van een gewijzigde opvatting van de (unie)wetgever inzake de strafbaarheid van de onderhavige norm van de EVOA, geldt het door de Hoge Raad gememoreerde uitgangspunt dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Dit betekent dat het verweer van de verdediging dient te worden verworpen, ook indien ervan uit wordt gegaan dat sprake is van dezelfde norm en dus van verandering in de wetgeving als bedoeld in artikel 1 lid 2 Sr. Voorwaardelijk verzoek Gelet op het vorenstaande – waarin het hof zelf antwoord heeft gegeven op de voorliggende rechtsvragen – wordt het stellen van preju