Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-13
ECLI:NL:GHDHA:2026:1
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.335.038/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/636296 / HA ZA 22-839 Arrest van 13 januari 2026 in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats], appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. C.J. Spitters, kantoorhoudend in Dongen, tegen [naam] Advocaten B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats], geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers, kantoorhoudend in Rotterdam. Het hof noemt partijen hierna [appellante] en [geïntimeerden]. 1 De zaak in het kort 1.1 Werkneemster, een “topfunctionaris” in de zin van de Wet normering topinkomens, is door een advocaat van [geïntimeerden] geadviseerd in een arbeidsconflict met haar toenmalige werkgever. Zij stelt dat de advocaat daarbij fouten heeft gemaakt, waardoor zij schade heeft geleden. Zij houdt [geïntimeerden] daarvoor aansprakelijk. 1.2 Het hof is van oordeel dat de advocaat inderdaad beroepsfouten heeft gemaakt. Ten aanzien van de schade wenst het hof nader geïnformeerd te worden over het scenario ‘de beroepsfout van de advocaat weggedacht’. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 3 oktober 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2023; het arrest van dit hof van 9 januari 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast; de brief van [appellante], met producties 6 t/m 19; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 maart 2024; de memorie van grieven van [appellante], met bijlagen; de memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel van [geïntimeerden], met bijlagen; de memorie van antwoord van [appellante] in incidenteel appel, met bijlagen. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.2 t/m 2.7 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Daartegen is niet gegriefd. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. a. Stichting Smart Limburg (hierna: de Stichting) is een onderwijsstichting, die onder zich heeft de Islamitische basisschool El Habib in Maastricht (hierna: de basisschool). [appellante] is per 1 augustus 2012 in dienst getreden bij de Stichting. Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van bezoldigd bestuurder DB op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Haar laatstgenoten loon bedroeg € 6.308,- bruto per maand voor een voltijds dienstverband. Haar jaarloon bedroeg inclusief vakantiegeld en dertiende maand € 86.520,53. Zij gold hiermee als topfunctionaris in de zin van de Wet normering bezoldiging publieke en semi publieke sector (WNT). Bij e-mail van 11 juli 2019 heeft [appellante] zich ziek gemeld bij het algemeen bestuur. Zij schreef: “(…) Zoals julie weten heb ik de afgelopen 4 jaar onder hoge spanning gewerkt. Zelfs in mijn vakanties wat nu ook weer het geval is geweest. Al het structurele overwerk en 60 urige werkweek heeft mij zowel lichamelijk als psychisch opgebroken. Ik zal hier een arts raadplegen omdat mijn lichaam uitvalsverschijnselen vertoont. Hierover zijn jullie reeds eerder ook mondeling geïnformeerd. Zodra ik in Nederland zal ik me melden bij de arboarts. Voor nu meld ik me officieel ziek.” [appellante] is in een ernstig conflict geraakt met de directeur van de basisschool. Zij vond dat het algemeen bestuur van de Stichting haar toezichthoudende taak niet naar behoren vervulde. Zij heeft het bestuur hiervan bij brief van 19 augustus 2019 op de hoogte gebracht. Op 26 augustus 2019 heeft de Stichting [appellante] geïnformeerd dat zij het voornemen had haar met onmiddellijke ingang te ontslaan. [appellante] heeft zich in verband hiermee tot [geï In het geval uw cliënt bereid is om een vaststellingsovereenkomst te tekenen met daarin onder meer een mediaverbod, een geheimhoudingsverklaring en een verbod om zich negatief over (de basisschool en de Stichting, hof) uit te laten, onder last van een dwangsom, zouden cliënten een regeling in overweging kunnen nemen. Binnen de grenzen van de WNT stelt cliënt voor om aan uw cliënt te betalen een alles inclusief bedrag van Euro 100.000,-- bruto (in één keer). Herstel van de arbeidsrelatie is niet aan de orde, behoudens op kunstmatige wijze door (en met als enige doel om) de vaststellingsovereenkomst UWV-proof te maken tegen de eerst mogelijke kalendermaand, doch uiterlijk tegen 01.11.2019 (binnen het budget van Euro 100.000,-- bruto en binnen de grenzen van de WNT), waarbij uw cliënt zich in dat geval hersteld dient te melden en het risico van ziekte vanaf einddatum volledig bij uw cliënt zal komen te liggen. (…) Dit voorstel wordt gedaan in de vorm van "take it or leave it", met de nadruk op het maximum budget van Euro 100.000,- bruto en het streven om zo spoedig als mogelijk, doch uiterlijk per 01.11.2019 (binnen het genoemde budget), definitief en tegen finale kwijting over en weer; uit elkaar te gaan. Dit voorstel is geldig gedurende 3 werkdagen (…); en zal moeten worden gegoten in de vorm van een vaststellingsovereenkomst als hierboven omschreven. (…)” [advocaat 1] stuurde voornoemde mail door aan [appellante] met de volgende toelichting: “Zie hieronder de reactie van het AB. Je moet ten eerste door de ronkende teksten heen lezen. Dan zie je een wat andere insteek, maar wel een hoge eindvergoeding die ze bieden. Zullen we maandag telefonisch overleggen (…)” Later voegde hij daar bij e-mail het volgende aan toe: “[advocaat 2] belde (…). Waar hij waarschijnlijk vooral over belde was het volgende. Hij gaf aan dat de Inspectie op 18/9 op school zal komen en dat de Inspectie dan ook met jou zou willen spreken. In de geest van de afspraken die partijen met de vaststellingsovereenkomst (vso) willen maken, vindt hij dat niet voor de hand liggen. Ik kan me daar iets bij voorstellen; zij zoeken natuurlijk rust en kopen – zo zullen zij dat althans zeker zien – jou kritiek ook gedeeltelijk af met de vso. (…)” Bij e-mail van 9 september 2019 schreef [advocaat 1] aan [advocaat 2]: “(…) Namens cliënte laat ik u weten dat zij om haar moverende reden het voorstel wil accepteren op de volgende wijze: - De einddatum wordt 1 januari 2020. Dit is noodzakelijk in verband met de opzegtermijn. Willen partijen de zaak "UWV- en Participatiefonds proof” maken dan is dat een eerste voorwaarde. - De vaststellingsovereenkomst moet dus in september 2019 door partijen ondertekend en ook overigens inderdaad "UWV-proof” zijn. Verder wil cliënte ook meewerken om de zaak voor uw cliënte Participatiefonds proof te maken. - Cliënte zal zich vóór 1 december 2020 hersteld melden. Zij blijft tot 1 januari 2020 vrijgesteld van werkzaamheden onder behoud van volledige bezoldiging. - Over en weer geen negatieve uitlatingen, geheel geen contact meer tussen partijen, simpel samengevat volledige rust en radiostilte van en tussen alle betrokkenen. - Eindvergoeding, uit te keren in januari 2020, van € 100.000,00 bruto en all-inclusive. Graag zie ik een concept vaststellingsovereenkomst, waarin het bovenstaande is uitgewerkt, tegemoet.” Eind september 2019 hebben [appellante] en de Stichting een vaststellingsovereenkomst getekend. Deze bevat onder meer de volgende bepalingen: “ 1. Beëindiging arbeidsovereenkomst 1.1 De tussen Partijen bestaande arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden per 1 januari 2020. (…) Partijen hebben bij het bepalen van deze einddatum rekening gehouden met de tussen partijen geldende opzegtermijn van 3 maanden. 1.2 De Werknemer maakt aanspraak op een vergoedingsbedrag van alles inclusief een bedrag ter hoogte van Euro 100.000. Dit bedrag is alles inclusief en houdt in de transitievergoeding, de billijke vergoeding (maximaal een bedrag De rest van het bericht is echter geen goed nieuws; de wederpartij stelt niet de hele ontslagvergoeding uit te kunnen betalen, in verband met het maximum van de wet normering topinkomens (WNT). Dit laatste is een ingewikkeld vraagstuk. De eerste vraag is, of de wederpartij dit nu direct aan BDO voor had moeten leggen. Mogelijk is een tegenrapportage mogelijk; het lijkt mij op voorhand dat deze accountant niet alle omstandigheden heeft meegewogen. Het zal echter tijd kosten om dit beter te bestuderen en met een reactie te komen. Ik zal er mee aan de slag gaan – mogelijk schakel ik hierbij een collega in, omdat ik op dit moment een hele volle agenda heb – en kom er dan z.s.m. meer inhoudelijk bij je op terug.” De Stichting heeft uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst op 13 februari 2020 € 50.775,- bruto (€ 24.997,01 netto) aan [appellante] betaald. [appellante] heeft [advocaat 3] van Van Dijk c.s. Advocaten (hierna: [advocaat 3]) in de arm genomen. [advocaat 3] heeft [geïntimeerden] benaderd met de vraag op welke wijze de problematiek opgelost zou kunnen worden. Daarbij heeft hij erop gewezen dat het probleem waarschijnlijk is ontstaan door onzorgvuldig handelen van [advocaat 1]. Bij e-mail van 13 maart 2020 schreef [advocaat 4] van [geïntimeerden] aan [advocaat 3]: “Uw mail van 27 februari jl. besprak ik met [advocaat 1]. In reactie op uw vragen kan ik u het volgende mededelen. 1. Bij het aanbod tot uitbetaling van de overeengekomen vergoeding is door Smart (de Stichting, hof) uitdrukkelijk aan de WNT gerefereerd (…). Beide partijen waren zich dus bewust van de WNT. De WNT en de consequenties daarvan zijn in het overleg met cliënte en met [advocaat 2] aan de orde geweest. Smart heeft het voorstel derhalve uitdrukkelijk gedaan na bestudering van de WNT. Dat partijen van mening waren dat het door Smart aangeboden all-in bedrag van 100.000 euro binnen de WNT-norm zou blijven, had onder andere te maken met de forse loonvordering van cliënte op Smart vanwege het doorwerken gedurende zwangerschapsverlof. 2. Waar Smart als gevolg van het standpunt van haar accountant terugkomt op een overeenkomst die haar advocaat in het licht van de WNT rechtsgeldig achtte, is het aan Smart om met een voor haar accountant aanvaardbare oplossing te komen waarmee zij alsnog tot betaling van de overeengekomen vergoeding kan overgaan. Daarbij merk ik op dat artikel 10.4 van de vaststellingsovereenkomst partijen verplicht tot overleg ingeval van partiele nietigheid. 3. Ons kantoor is mevrouw [appellante] graag van dienst bij het incasseren van de tussen partijen overeengekomen vergoeding, De daaraan verbonden kosten voor rechtsbijstand zullen wij bij haar in rekening brengen; kosteloze dienstverlening is niet aan de orde omdat, zoals de inhoud van punt 1 hierboven reeds impliceert, de ontstane situatie niet aan [advocaat 1] te verwijten is. Graag verneem ik van u of mevrouw [appellante] gebruik wil blijven maken van onze diensten.” [appellante] heeft [geïntimeerden] geen nadere opdracht verstrekt. [advocaat 3] heeft [geïntimeerden] aansprakelijk gesteld. De beroepsaansprakelijkheidsverzekering van [geïntimeerden] heeft aansprakelijkheid bij e-mail van 7 mei 2020 afgewezen en deze afwijzing aldus gemotiveerd: “Tot op heden heeft u namens uw cliënte de beweerdelijke beroepsfout van verzekerde niet voldoende onderbouwd. Het ligt op de weg van uw cliënte, nu zij aanspraak op schadevergoeding maakt, om te onderbouwen hoe verzekerde volgens haar had kunnen en moeten adviseren en hoe in dat geval de (vermogens)situatie eruit zou hebben gezien ten opzichte van de huidige (vermogens)situatie. Daar u aangeeft dat u het aanvechten van het ontslag kansrijk achtte, ligt het op uw weg om dat nader te onderbouwen. (…) Het klopt dat er door verzekerde geen plan van aanpak op schrift is gesteld, gelet op de spoedeisendheid van de zaak. Verzekerde moest snel handelen en heeft de mogelijkheden daarom mondeling met uw cliënte besproken. Zoals wij eerder aangaven ging d 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 [appellante] heeft [geïntimeerden] gedagvaard en – voor zover nu nog van belang – een verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerden] aansprakelijk is voor het ernstig en verwijtbaar tekortschieten in de nakoming en zorgplicht van haar verbintenis met [appellante], waarvan de schade op te maken bij staat, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten. 4.2 [appellante] heeft daartoe gesteld dat zij zich tot [geïntimeerden] heeft gericht, omdat [advocaat 1] ruime ervaring zou hebben op het gebied van Onderwijsrecht, terwijl [geïntimeerden] op haar website ook melding maakte van de invloed van de WNT op onderwijsgebied. [advocaat 1] moet dus geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de WNT, maar toch heeft hij [appellante] nooit gewaarschuwd voor de risico’s van de WNT voor de vaststellingsovereenkomst. Het bedrag van € 100.000,- had moeten worden uitgesplitst in verschillende componenten. Het bedrag bestond immers uit een beëindigingsvergoeding en andere (loon)vorderingen die [appellante] op de Stichting had. Als het bedrag zou zijn uitgesplitst en gespecificeerd, dan was duidelijk geweest dat de overeengekomen beëindigingsvergoeding niet boven het maximum van € 75.000,- van de WNT kwam. [advocaat 1] heeft [appellante] geadviseerd te kiezen voor haar mentale rust en daarom de geboden vaststellingsovereenkomst te accepteren. Hij heeft echter nooit met haar over alternatieven gesproken. [appellante] betwist het standpunt van [geïntimeerden] dat het aanvechten van het ontslag niet kansrijk was. Dat [advocaat 1] er zo over dacht, heeft hij ook nooit met haar besproken. Tot slot heeft [advocaat 1] [appellante] onjuist geadviseerd over de fiscale en andere financiële consequenties van de vaststellingsovereenkomst (beroepsfout 2), aldus nog steeds [appellante]. 4.3 De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [geïntimeerden] niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen en daarom is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met [appellante] en heeft [geïntimeerden] in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank overwoog daartoe – kort samengevat – dat [advocaat 1] ten onrechte in de gesloten vaststellingsovereenkomst geen onderscheid heeft gemaakt tussen de verschillende looncomponenten en wettelijke rechten enerzijds en de vergoeding als gevolg van de beëindiging van het dienstverband anderzijds. De overige vorderingen (waaronder de verwijzing naar de schadestaat en de beroepsfout eruit bestaande dat [advocaat 1] niet in ogenschouw heeft genomen wat de gevolgen van de fiscale- en uitkering- gerelateerde gevolgen van vaststellingsovereenkomst zouden zijn) heeft de rechtbank afgewezen, omdat [appellante] onvoldoende feiten heeft gesteld op grond waarvan het bestaan en de omvang van de aan [geïntimeerden] toe te rekenen schade kan worden vastgesteld en op grond waarvan geoordeeld kan worden dat [advocaat 1] op dit vlak beroepsfouten heeft gemaakt. 5 Vorderingen in hoger beroep 5.1 [appellante] is in hoger beroep gekomen en verzoekt om vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de rechtbank schadevergoeding heeft afgewezen. Zij heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd en vordert – zakelijk weergegeven – de veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van - € 30.270,- € 30.270,- netto ter zake van niet ontvangen looncomponenten, althans onderdelen van de beëindigingsregeling die niet onder de WNT hoeven te vallen; - € 62.827,92 bruto ter zake van niet ontvangen ontslagvergoeding, althans billijke vergoeding; - € 9.823,98 bruto per maand bij wijze van suppletie op de AOV-uitkering van ABP aan [appellante], en € 10.077,26 met ingang van 10 december 2022; alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties. 5.2 [appellante] wil met dit hoger beroep bereiken dat het hof alsnog haar schade vaststelt. Zij heeft daartoe nader toegelicht welke tekortkomingen naar haar oordeel kleefden aan de 6.5 Doordat [advocaat 1] er niet op heeft toegezien dat de wettelijke en contractuele rechten van [appellante] afzonderlijk waren benoemd in de vaststellingsovereenkomst, zijn volgens [appellante] ook haar WIA-uitkering en ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen (de AOV-uitkering) te laag vastgesteld. De uitkeringsorganen beschouwen immers de “all inclusive-uitkering” niet als (gedeeltelijk) loon, maar volledig als beëindigingsvergoeding. Ook moest zij inkomensafhankelijke toeslagen terugbetalen doordat de beëindigingsvergoeding door de belastingdienst is meegenomen bij haar inkomen over 2019 in plaats van 2020. 6.6 Verder verwijt [appellante] [advocaat 1] dat in de door hem uitonderhandelde vaststellingsovereenkomst niet duidelijk staat dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd op initiatief van de Stichting, zodat zij geen aanspraak kon maken op de (buiten de WNT vallende) transitievergoeding. Ook verwijt [appellante] [advocaat 1] dat hij in zijn advisering niet heeft meegewogen dat zij overduidelijk door toedoen van de Stichting als gevolg van overbelasting is uitgevallen. De Stichting heeft haar immers niet in de gelegenheid gesteld haar vakanties en zwangerschaps-/bevallingsverlof op te nemen. [appellante] had op basis daarvan een (hoge) ontslagvergoeding kunnen claimen. [advocaat 1] heeft dat ten onrechte niet in zijn advisering meegewogen. 6.7 [geïntimeerden] betwist dat zij/[advocaat 1] in de advisering over de regeling tekort is geschoten. Zij erkent dat [advocaat 1] wist dat de WNT op de vertrekregeling van toepassing was. Onder meer vanwege de volgens [appellante] grote loonvordering op de Stichting is de all-in vergoeding van € 100.000,- overeengekomen. De inhoud van de vertrekregeling kan echter niet los worden gezien van de omstandigheden van het geval, zoals de lastige sociale positie waarin [appellante] verkeerde en haar – mede door haar gezondheidstoestand ingegeven – uitdrukkelijke wens om de kwestie te regelen, de tijdsdruk en de risico’s die kleefden aan een procedure als [appellante] het voorstel niet zou accepteren, zoals het risico dat [appellante] niet in aanmerking zou komen voor WW in het reële geval dat het door de Stichting gegeven ontslag op staande voet in rechte in stand zou blijven. Uit niets blijkt voorts dat de Stichting de bedragen waarop [appellante] meent aanspraak te hebben kunnen maken, zou hebben erkend. 6.8 Het is volgens [geïntimeerden] uitdrukkelijk niet zo dat [appellante] de betaling van het schikkingsbedrag niet heeft kunnen afdwingen omdat de verschillende componenten die onderdeel uitmaken van dit bedrag niet gespecificeerd waren. Over de WNT-norm maakte [appellante], die fiscaal jurist is, zich geen zorgen vanwege de grote loonvordering die zij op de Stichting stelde te hebben. 6.9 De voorkeur van [appellante] zelf ging uit naar een minnelijke regeling, zij had niet de energie zich te (blijven) verzetten tegen de directeur van de basisschool en het algemeen bestuur van de Stichting en zij voelde zich onder druk staan van de Turkse gemeenschap. Zo bemoeide zelfs de voorzitter van de Moskee zich met het conflict. Het aanvechten van het ontslag was overigens volgens [geïntimeerden] – nadat was gebleken dat de uitschrijving van een aantal AB-bestuursleden in strijd met de statuten en dus onbevoegd was gebeurd – niet erg kansrijk. Een schikking was dan ook de meest verstandige weg. [advocaat 1] heeft dit aan de Stichting laten weten en daarna heeft de Stichting het “take it or leave it” voorstel van € 100.000,- bruto gedaan. [appellante] heeft besloten op dit voorstel in te gaan, de einddatum van het dienstverband moest dan wel gesteld worden op 1 januari 2020 om de vaststellingsovereenkomst “UWV- en Participatiefonds-proof” te maken. De Stichting is daarmee akkoord gegaan, aldus nog steeds [geïntimeerden]. 6.10 Daarbij heeft volgens [geïntimeerden] te gelden dat het nadrukkelijk niet zo is dat partijen het eens waren over (de omvang van) de loonvordering vanwege het niet genoten verlof en 6.15 Naar het oordeel van het hof brengt de zorgvuldigheidseis mee, dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat die een client moet adviseren over een gegeven ontslag op staande voet, allereerst moet nagaan of de cliënt het gegeven ontslag op staande voet in rechte wenst aan te vechten, of wil streven naar de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door een vaststellingsovereenkomst. Hij zal daar een adviserende rol in hebben. Een ontslag op staande voet heeft immers vergaande gevolgen voor (onder meer) het recht op loonbetaling en het recht op een eventuele uitkering van zijn cliënt. Het risico dat het ontslag op staande voet in rechte in stand blijft zal hij in zijn advisering dienen te betrekken. Vaak zal daarom een minnelijke regeling te prefereren zijn, zeker als de cliënt dat ook zelf wenst. In het geval de advocaat en zijn client tot de slotsom komen dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst de voorkeur geniet, dan dient een advocaat zijn cliënt op een zorgvuldige wijze te adviseren over de inhoud van een dergelijke overeenkomst. Omdat bij het sluiten van een dergelijke overeenkomst finale kwijting gebruikelijk is, mag van een redelijk handelend, redelijk bekwaam advocaat worden verwacht dat hij inventariseert of en zo ja tot welke hoogte zijn cliënt (waarschijnlijk) aanspraak heeft op (loon)betalingen en betaling voor nog openstaande vakantie- of verlofdagen, ongeacht of het ontslag op staande voet in stand blijft, en dat hij tevens een inschatting maakt van de kans op aanspraken die daarbij zouden komen indien in rechte zou komen vast te staan dat het ontslag ten onrechte blijkt te zijn gegeven (zoals transitievergoeding, billijke vergoeding en een vergoeding vanwege onregelmatige opzegging). Indien de client een topfunctionaris is in de zin van de WNT, zal de advocaat deze omstandigheid en de consequenties daarvan voor het aangaan van een minnelijke regeling bij zijn advisering moeten betrekken. Ook dient hij de risico’s van procederen in zijn overwegingen ten aanzien van een minnelijke regeling te betrekken. Is de inzet in de onderhandelingen om tot een vaststellingsovereenkomst te komen te hoog, en komt geen regeling tot stand, dan zal het immers op procederen aankomen. 6.16 [geïntimeerden] heeft niet, althans onvoldoende, weersproken dat [advocaat 1] deze stappen niet voor [appellante] inzichtelijk heeft gemaakt alvorens hij haar adviseerde de bij e-mail van 6 september 2019 geboden “hoge eindvergoeding” van de Stichting te accepteren. In ieder geval staat vast dat [advocaat 1] zijn overwegingen bij dit advies niet schriftelijk aan [appellante] heeft medegedeeld, hoewel artikel 16 lid 1 van de Gedragsregels advocatuur van de Nederlandse Orde van Advocaten (de Gedragsregels) voorschrijft dat een advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil zijn cliënt schriftelijk belangrijke informatie bevestigt. Dat [appellante] [advocaat 1] niet op eigen initiatief een overzicht heeft verstrekt van de looncomponenten waarop zij meende nog aanspraak te kunnen maken, doet daaraan niet af. Een advocaat heeft hier – zoals ook blijkt uit artikel 14 lid 1 Gedragsregels – een eigen verantwoordelijkheid. [advocaat 1] had [appellante] dus om de bedragen van de diverse looncomponenten waarop zij nog aanspraak meende te kunnen maken moeten vragen en desnoods zelf een grove berekening kunnen maken. Hij wist immers dat het volgens [appellante] ging om substantiële bedragen (twee maal zwangerschaps- en bevallingsverlof, alsmede een stuwmeer aan niet opgenomen vakantiedagen). De door [geïntimeerden] genoemde tijdsdruk is naar het oordeel van het hof geen valide reden om van een dergelijke inventarisatie af te zien. Het is immers niet ongebruikelijk dat een partij druk op de andere partij probeert te zetten. Een advocaat dient daarmee om te kunnen gaan. Drie werkdagen is daarbij niet zodanig kort dat op voorhand moet worden vastgesteld dat een inventarisatie niet to Dat hij heeft nagelaten te onderzoeken of de WNT aan een all-in bedrag van € 100.000,- in de weg stond geldt dus eveneens als een tekortkoming, te meer daar [advocaat 2] hem er expliciet op had gewezen dat een ontslagvergoeding (inclusief opzegtermijn en andere emolumenten) op basis van de WNT niet meer kon bedragen dan Euro 75.000,- bruto. 6.21 Daar komt bij dat [advocaat 1] met het advies de beëindigingsvergoeding van € 100.000,- bruto als “alles inclusief” te accepteren op de koop toe heeft genomen dat bruto en netto bedragen bij elkaar werden opgeteld, en niet kenbaar aandacht heeft besteed aan eventuele (nadelige) fiscale- en uitkeringstechnische consequenties die dit voor [appellante] had/zou kunnen hebben. Ook in zoverre is sprake van een tekortkoming. 6.22 [appellante] heeft niet, althans onvoldoende kenbaar, een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [advocaat 1] geen invloed heeft gehad op de wijze waarop de belastingdienst en het UWV de in 2020 uitgekeerde beëindigingsvergoeding hebben verwerkt (als betrekking hebbende op 2019), zodat niet kan worden geoordeeld dat [advocaat 1] op dit vlak een beroepsfout heeft gemaakt. Voor zover [appellante] deze gestelde tekortkoming met haar persoonlijke verklaring (prod. 31 bij memorie van antwoord in incidenteel appel) alsnog probeert aan de orde te stellen, is dit te laat. Dit betekent dat het hof in zoverre geen beroepsfout aanneemt. Schade 6.23 Daarmee rijst de vraag of en zo ja welke schade [appellante] heeft geleden als gevolg van de hiervoor vastgestelde tekortkomingen/beroepsfouten van [advocaat 1]. De schade bestaat - anders dan [appellante] lijkt te stellen - niet uit het bedrag dat [appellante] ‘WNT-proof’ had kunnen ontvangen. De schade moet worden vastgesteld door een vergelijking van de werkelijke situatie met de hypothetische situatie dat [advocaat 1] niet was tekortgeschoten. Degene die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is schade lijdt, dient met een schadevergoeding immers zoveel mogelijk te worden gebracht in de (hypothetische) situatie waarin hij zonder die gebeurtenis zou hebben verkeerd (vgl. HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998). 6.24 Het hof stelt vast dat [appellante] geen hypothetisch scenario heeft geschetst voor de situatie dat [advocaat 1] de geschetste beroepsfouten niet zou hebben gemaakt, maar heeft volstaan met het noemen van een aantal vergoedingen die zij niet heeft gekregen. Dat zij deze vergoedingen niet heeft ontvangen als gevolg van de beroepsfouten van [advocaat 1] heeft zij daarmee niet aannemelijk gemaakt. Zij heeft immers niet geschetst wat [advocaat 1] haar zou hebben geadviseerd, de beroepsfouten weggedacht, en heeft evenmin geschetst wat de reactie van de Stichting zou zijn geweest in dat denkbeeldige geval en hoe het einde van de arbeidsovereenkomst in dat geval vermoedelijk in het vat zou zijn gegoten. Dit betekent dat het hof thans niet in staat is de schade te begroten. 6.25 [appellante] heeft naar het oordeel van het hof echter wel voldoende gesteld om het oordeel op te baseren dat zij mogelijke schade als gevolg van de beroepsfouten aannemelijk heeft gemaakt. Zij heeft er op gewezen dat het eindbod van € 100.000,- van de Stichting niet zo hard is gebleken, dat het niet onderhandelbaar was. Immers toen [appellante] aangaf dat er een maand extra bij moest in verband met de opzegtermijn (van belang met het oog op een eventuele WW-uitkering), kwam vrijwel per kerende post een akkoord. [geïntimeerden] heeft dit niet weersproken (rov. 3.1 onder k en l). Bovendien schatte [advocaat 1] kennelijk ook zelf in dat de Stichting belang had bij een regeling en de kritiek van [appellante] op het functioneren van het AB wilde afkopen (rov. 3.1 onder j), hetgeen onderhandelingsruimte suggereert. Tot slot acht het hof aannemelijk dat, zoals volgens [appellante] gebruikelijk is, de Stichting er geen bezwaar tegen zou hebben gehad om – als [advocaat 1] daarom zou hebben gevraagd – een deel van de €