Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-02-25
ECLI:NL:GHDHA:2025:307
Civiel recht
Conservatoire maatregel
1,733 tokens
Dictum
in de zaak van
Maxeon Solar Pte. Ltd.,
gevestigd in Marina Bay Financial Centre, Singapore,
hierna te noemen: Maxeon,
appellante in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. T. Douma, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
1VDH Solar Groothandel B.V.,
gevestigd in Hazerswoude-Dorp,
hierna te noemen: VDH,
advocaat: mr. R. Dijkstra, kantoorhoudend in Amsterdam,
2. Aiko Energy Netherlands B.V. (voorheen Eironn Netherlands B.V.),
gevestigd in Rotterdam,
hierna te noemen: Aiko B.V.,
advocaat: mr. G. Kuipers, kantoorhoudend in Amsterdam,
3. Libra Energy B.V.,
gevestigd in Castricum,
hierna te noemen: Libra,
advocaat: mr. R. Dijkstra, kantoorhoudend in Amsterdam.
verweersters in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
hierna gezamenlijk te noemen: AIKO c.s.
1Het verzoek om termijnverlenging ex artikel 616 lid 4 Rv
1.1
Bij arrest in de incidenten tot zekerheidstelling op grond van artikel 224 Rv van 17 december 2024 heeft het hof Maxeon bevolen om op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, uiterlijk binnen tien weken na de datum van het arrest in de vorm van een onherroepelijke bankgarantie van een gerenommeerde bank met een vergunning in de Europese Unie zekerheid te stellen voor de proceskosten en schadevergoeding tot betaling waarvan zij in hoger beroep zou kunnen worden veroordeeld, en wel voor een bedrag van € 75.000,- ten gunste van VDH en Libra en voor een bedrag van € 300.000,- ten gunste van Aiko B.V.
1.2
Op 18 februari 2025 heeft Maxeon op de voet van artikel 616 lid 4 Rv verzocht om verlenging van de termijn tot het stellen van zekerheid met vier weken, dus tot en met 25 maart 2025. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij drukdoende is met het afstemmen van de bankgarantie, maar dat dit veel tijd en inspanning vergt en niet vóór 25 februari 2025 zal zijn afgerond. Zij heeft het hof verzocht om in dit verband rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van Maxeon alsmede met de omstandigheid dat AIKO c.s. geen hinder ondervinden van de gevraagde verlenging. AIKO c.s. behouden immers, zo stelt Maxeon, de aan hen verleende termijn van vier weken voor de memorie van antwoord vanaf de datum van zekerheidstelling.
1.3
AIKO c.s. hebben bij e-mails van 20 februari 2025 afwijzend gereageerd op het verzoek van Maxeon. Volgens hen heeft Maxeon voldoende gelegenheid gehad om een bankgarantie te stellen. Maxeon licht niet toe welke inspanningen zij tot nu toe heeft verricht om een bankgarantie te verkrijgen en waarom zij daar nog niet in is geslaagd. AIKO c.s. ondervinden hinder van die verlenging, omdat de onderhavige procedure dan nog langer als dreiging ‘boven de markt hangt’.
1.4
Maxeon heeft bij e-mail van 20 februari 2025 gereageerd op het bezwaar van AIKO c.s. Volgens Maxeon is dat bezwaar een gepasseerd station, omdat het hof in het arrest van 17 december 2024 al heeft bepaald dat uitstel mogelijk is. In het incident tot zekerheidstelling heeft Maxeon al uiteengezet waarom zekerheidstelling complex is. Als AIKO c.s. hadden gewild dat de procedure niet langer boven de markt zou hangen, hadden zij van dat incident kunnen afzien.
1.5
Bij e-mails van 20 februari 2025 hebben AIKO c.s. daarop weer gereageerd. Daarop hebben Maxeon en vervolgens AIKO c.s. weer over en weer gereageerd bij e-mails van 21 februari 2025.
Beoordeling
2.1
Het hof stelt vast dat het verzoek tijdig is gedaan, omdat het is ingediend voordat de in het arrest bepaalde termijn is verstreken.
2.2
Anders dan Maxeon meent, heeft het hof in zijn arrest van 17 december 2024 niet op voorhand toestemming gegeven voor verlenging van de termijn die in dat arrest is bepaald. Uit de overweging ‘Indien deze termijn te kort zou blijken te zijn, dan kan Maxeon het hof op grond van artikel 616 lid 4 Rv (voordat de termijn is verstreken) verzoeken om verlenging’ in onderdeel 5.10 van dat arrest volgt dat ook niet. Die overweging vormt niet meer dan een beschrijving van de wettelijke mogelijkheid om een verzoek te doen. Dat werd gedaan in de context van de afwijzing van het verzoek van Maxeon om te bepalen dat een termijn steeds met twee weken zou worden verlengd zolang er nog geen zekerheid was gesteld. Het hof zal derhalve nu beslissen op het verzoek om termijnverlenging.
2.3
Indien Maxeon niet tijdig voldoende zekerheid stelt, zal dat leiden tot haar niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep. Gelet op het zwaarwegende belang dat Maxeon heeft bij een beoordeling in hoger beroep van haar vorderingen en daarmee bij de zekerheidstelling, rechtvaardigt dat een verlenging van de in het arrest gestelde termijn. Het hof zal een verlenging van twee weken bepalen, omdat Maxeon ondanks uitnodiging daartoe door AIKO c.s., in het geheel niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom nog een termijn van vier weken nodig zou zijn. Een verlenging van twee weken is niet van dien aard dat AIKO c.s. hierdoor onevenredig in hun belangen worden getroffen. Het kort gedingvonnis waarvan beroep is gewezen op 16 mei 2024 en Maxeon is daarvan in beroep gegaan op 13 juni 2024. In verhouding tot de periode dat deze procedure nu al loopt, maakt een verlenging van twee weken weinig verschil meer. De procedure wordt daarmee niet onredelijk vertraagd.
2.4
Het hof zal de termijn waarbinnen Maxeon zekerheid moet stellen verlengen met twee weken na 25 februari 2025, derhalve tot en met 11 maart 2025. Dit betekent dat uiterlijk op die datum een conveniërende bankgarantie, zoals bedoeld in het arrest, ten behoeve van AIKO c.s. moet worden gesteld. Als gevolg van deze verlenging zal ook een nieuwe datum worden bepaald voor het nemen van de memorie van antwoord door AIKO c.s.
2.5
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
Het hof:
verlengt de termijn waarbinnen Maxeon de bij het arrest in de incidenten van 17 december 2024 aan haar opgelegde zekerheid moet hebben gesteld met twee weken na 25 februari 2025 en bepaalt dat Maxeon derhalve uiterlijk 11 maart 2025 deze zekerheid moet hebben gesteld op straffe van niet-ontvankelijkheid van Maxeon in de hoofdzaak;
verwijst de hoofdzaak naar de rol van 8 april 2025 voor uitlating door AIKO c.s. over de vraag of de zekerheid is gesteld en zo ja, voor het nemen van een memorie van antwoord.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door mrs. F.M. Bus, A.D. Kiers-Becking en A.M. Voorwinden en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2025 in aanwezigheid van de griffier.