Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-11-19
ECLI:NL:GHDHA:2025:2919
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummer BK-24/890 Uitspraak van 19 november 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 september 2024, nummer SGR 22/5307. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 3.816 (de naheffingsaanslag). 1.2. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 750; - veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 750; - veroordeelt verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser, elk tot een bedrag van € 109,38; - draagt verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden, elk tot een bedrag van € 92; - bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 17 juli 2025. Belanghebbende heeft pleitnota’s ingediend, ingekomen bij het Hof op 1 en 10 september 2025. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 september 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 2.599 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Land Rover Discovery (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 5 september 2014. De registratie is voltooid op 4 januari 2021. 2.2. Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [A] (het taxatierapport). Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde vóór schade van € 17.591 en een waardevermindering wegens schade van € 10.891,74. 2.3. In opdracht van de Inspecteur heeft een schouw van de auto plaatsgevonden door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hiervan is op 15 januari 2021 een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). Volgens het DRZ-rapport bedraagt de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 17.784 op basis van de XRAY-koerslijst voor een margeauto. Het DRZ-rapport gaat uit van schade aan de auto ten bedrage van € 1.049 waarvan € 755 (72%) in mindering is gebracht op de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat. De opgegeven kilometerstand is 39.478. 2.4. De Inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ de verschuldigde bpm berekend op € 6.415. Bij brief van 16 maart 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij het voornemen heeft om een naheffingsaanslag op te leggen. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken na dagtekening van de brief op dit voornemen te reageren. Belanghebbende heeft daarvan niet gebruikgemaakt. Daarom is met datum 7 mei 2021 de naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van (€ 6.415 -/- € 2.599 =) € 3.816. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zo Gesteld noch gebleken is dat eiser niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd. Betalings- en heffingsmodaliteiten 11. Eiser betoogt dat de bpm voor de registratie van de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt, omdat de Hoge Raad reeds anders geoordeeld heeft.3 Voor het rentenadeel dat eiser stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient hij zich te wenden tot de civiele rechter. Gebreken taxatierapport / gebruik forfaitaire tabel 12. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het taxatierapport van eiser dusdanige (formele en materiële) gebreken toont dat dit niet kan dienen ter ondersteuning van de door eiser bepleite van belang zijnde waarden (zoals handelsinkoopwaarde en omvang van de schade). Verweerder heeft daarbij gewezen op de volgende gebreken: - Bij de gebruikte koerslijst zijn opvallend veel losse opties opgevoerd, zodat niet aannemelijk is dat de juiste koerslijst is gebruikt, in ieder geval niet de koerslijst van het voertuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van de auto; - De gebruikersschade is vastgesteld aan de hand van een tabel en is dus niet door eigen waarneming van de taxateur vastgesteld en niet door de taxateur zelf beoordeeld; - De inkoopfactuur ontbreekt. Eiser betwist dat het taxatierapport niet kan dienen en stelt dat daarbij moet worden aangesloten. 13. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 8, vierde lid, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling bpm 1992 (tekst 2021, de Uitvoeringsregeling), gelezen in verbinding met onderdeel 3.6 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling had de inkoopfactuur of inkoopverklaring van het getaxeerde motorrijtuig bij het taxatierapport moeten worden gevoegd. Dat is niet gebeurd. Verder is in eisers taxatie zonder afdoende motivering en onderbouwing met bewijsmiddelen 100% van het gecalculeerde schadebedrag in aanmerking genomen, zulks in strijd met artikel 8, vierde lid, letter b, van de Uitvoeringsregeling, gelezen in verbinding met onderdeel 3.5 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling. De door verweerder gesignaleerde en door eiser niet weersproken inhoudelijke gebreken van het taxatierapport hebben bovendien tot gevolg dat – zelfs indien het (behoudens tegenbewijs) voorgeschreven percentage van 72% zou zijn gehanteerd – niet ervan kan worden uitgegaan dat de taxatiewaarde de werkelijke waarde weerspiegelt. Deze gebreken lenen zich niet voor herstel binnen redelijke termijn. Alsdan kan het taxatierapport niet als bewijs dienen voor de bepaling van het bedrag van de afschrijving. De wetgever heeft over die situatie opgemerkt dat de inspecteur alsdan overeenkomstig het geldend recht de werkelijke waarde van het voertuig vaststelt.4 14. Verweerder heeft bepleit dat gebruik van de taxatiemethode na verwerping van het taxatierapport niet langer mogelijk is, zodat moet worden teruggevallen op – in dit geval – de forfaitaire afschrijvingstabel. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Artikel 10, achtste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vereist bij toepassing van de taxatiemethode dat de taxatiewaarde blijkt uit een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. Dat wijst erop dat verwerping van het taxatierapport moet resulteren in uitsluiting van de taxatiemethode. Dat gevolg zou passen bij de doelstelling van de aangescherpte regels met betrekking tot de taxatiemethode, waarmee is beoogd misbruik van taxatierapporten te bestrijden zonder de Belastingdienst met arbeidsintensi De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels, waaronder het arrest van het HvJ EU van 3 oktober 2019, C-285/18, Irgita, ECLI:EU:C:2019:829, leidt evenmin tot een ander oordeel. De taxateur/beoordelaar van DRZ is in deze procedure te beschouwen als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is verzocht een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de deskundigheid of onafhankelijkheid van de taxateur/beoordelaar.8 Voor zover eiser daar al belang bij zou hebben, volgt de rechtbank hem ook niet in zijn stelling dat het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid is geschonden doordat eiser wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een deskundige voor wie tal van voorwaarden gelden, terwijl die voorwaarden niet gelden voor de taxateur/beoordelaar van DRZ. 72% van de schade 18. Ook de stelling dat niet 72%, maar 100% van de door DRZ vastgestelde reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht, kan niet leiden tot een gegrond beroep. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I, van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken.9 Een waardevermindering door schade is een zodanig feit. Eiser dient dus tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat die schade meer bedraagt dan het bedrag dat DRZ heeft vastgesteld. Daarin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is onvoldoende om aan de op hem rustende bewijslast te voldoen. Dat rekening wordt gehouden met 72% van de reparatiekosten hoeft immers niet te betekenen dat ter zake van auto’s afkomstig uit andere lidstaten meer bpm wordt geheven dan het laagste restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds in Nederland geregistreerde voertuigen en eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich in het onderhavige geval voordoet. 19. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de door DRZ gehanteerde reparatietarieven buiten beschouwing te laten. Eiser heeft zijn stelling dat te lage tarieven zijn gehanteerd niet met bewijs onderbouwd. Leeftijdskorting en lager tussenliggend tarief 20. Eiser heeft in zijn beroepschrift geopperd dat een extra leeftijdskorting zou moeten worden toegekend en dat een lager tussenliggend tarief zou moeten worden toegepast. Hij heeft deze stellingen niet nader geconcretiseerd. De rechtbank ziet daarin dan ook geen aanleiding om de naheffingsaanslag te verminderen. Het hoorrecht 21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Eiser is drie keer uitgenodigd voor een hoorgesprek waarbij hoorgesprekdata voorgesteld zijn van 27 september 2021 tot en met 14 oktober 2021. Tussentijds is het hoorgesprek afgezegd, vanwege de – naar verweerder terecht aanvoert – in dit verband niet-relevante reden dat er een procedure gestart is door de Staat tegen de gemachtigde. De gemachtigde heeft daaruit eenzijdig de conclusie getrokken dat alle communicatie verbroken moest worden en heeft dat ook gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit deze handelwijze van de gemachtigde, in samenhang bezien met het feit dat eiser al drie keer uitgenodigd voor een hoorgesprek waarbij steeds alternatieven zijn voorgesteld na een afmelding, mogen concluderen dat afgezien werd van het hoorgesprek. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat uit de gedingstukken (de correspondentie tussen verweerder en de gemachtigde over het hor Ook het arrest van het HvJ EU van 26 november 2013, C-58/12 P (Gascogne), ECLI:EU:C:2013:770, waarop eiser zich beroept, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu het in dit arrest een handeling van een instelling van de Unie betreft, namelijk het HvJ EU. Proceskosten 28. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).16 Om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij verweerder en de Staat ieder de helft betalen. Hetzelfde geldt voor de vergoeding van het griffierecht.17 29. Voor een integrale proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Uit de gedingstukken en hetgeen eiser heeft gesteld, valt niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Het beroep is zelfs inhoudelijk ongegrond. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb is ook anderszins niet gebleken. Al hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, maakt ook niet dat daarvan sprake is. Anders dan eiser heeft betoogd is het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop ingevolge het Bpb aanspraak kan worden gemaakt, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, ook niet voldoende om te concluderen dat aan het Unierecht aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend.18 (…) [1] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2. [2] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1. [3] HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277, r.o. 3.4.1-3.4.7. [4] Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p. 65. [5Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p. 31. [6] Zie met name HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.5 en HR ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1. [7] Zie HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.1. [8] Vgl. Gerechtshof Den Haag 15 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2696, r.o. 5.1.3.2. [9HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3. [10] Vgl. EHRM 20 december 2007, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579. [11] Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699. [12] HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4. [13] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8618, r.o. 4.6. [14] HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3. [15] Vgl. HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3 en HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, r.o. 3.2.3. [16] HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2 en HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 6.2. [17] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2. [18] Vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, r.o. 2.4.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of het juiste bedrag aan bpm is voldaan en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop hij recht heeft. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een inte Het Hof is voorts van oordeel dat, anders dan belanghebbende meent, de controle geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het eigendomsrecht van belanghebbende. De voorwaarde om het voertuig zes werkdagen in ongewijzigde staat te laten is een geschikt en proportioneel middel om de doelstelling – het controleren van de afschrijving – te verwezenlijken. Deze voorwaarde tast het eigendomsrecht van belanghebbende niet aan. De bedoeling van de controle staat ook duidelijk omschreven in de uitnodiging om het voertuig te tonen. De hiertegen gerichte klacht ontbeert feitelijke grondslag. Schadeaftrek 5.3. Belanghebbende betoogt dat met betrekking tot de auto meer schade in aanmerking had moeten worden genomen. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat rekening dient te worden gehouden met meer schade dan in aanmerking is genomen door DRZ. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. 5.4. De beoordelaar van DRZ heeft buiten de schade vermeld in zijn taxatierapport geen verdere schade in aanmerking genomen. De afwijzing voor de door belanghebbende gestelde schade is in het rapport van DRZ toegelicht. 5.5. Belanghebbende heeft bij zijn pleitnota foto’s gevoegd die een medewerker van DRZ bij het “Onderzoek waardebepaling” had gevoegd. Het enkele wijzen op die foto’s is, tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, niet voldoende om een hoger bedrag aan schade aannemelijk te maken. Uit de foto’s blijkt geenszins meer schade dan de door DRZ al geconstateerde schade, anders dan normale gebruikssporen aan de auto van meer dan 6,5 jaar oud en met bijna 40.000 gereden kilometers. Ter zitting is van de kant van belanghebbende specifiek gewezen op schades aan de bekleding van de deur linksvoor, voorbumper en een dorpel, die in het rapport van DRZ niet als schade in aanmerking zijn genomen, maar in de visie van belanghebbende wel als schade in aanmerking hadden moeten worden genomen. Met de Inspecteur is het Hof van oordeel dat ook in die gevallen sprake is van niet meer dan normale gebruikssporen, gegeven het feit dat sprake is van een terreinwagen van ongeveer 6,5 jaar oud ten tijde van de registratie met een kilometerstand van bijna 40.000. Hierbij neemt het Hof nog in aanmerking dat weliswaar een foto van een dorpel bij het rapport van de kant van belanghebbende is gevoegd, maar voor een eventuele schade aan de dorpel ten tijde van de registratie van de auto geen bedrag in aanmerking is genomen. 5.6. Belanghebbende betwist dat het percentage van de schade van 72 dat door DRZ in aanmerking is genomen in overeenstemming is met het Unierecht en betoogt dat 100% van de schade in aftrek moet worden gebracht. Het Hof verwerpt dit standpunt. De bewijslast rust op belanghebbende (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, r.o. 2.3.4 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Als hij meent dat 100% van de schade voor aftrek in aanmerking komt, is het aan hem om dat te onderbouwen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Ex-rental 5.7. Belanghebbende stelt dat de waarde van de auto nog moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:857. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Prejudiciële vragen 5.8. Het Hof ziet in al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om