Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-11-19
ECLI:NL:GHDHA:2025:2918
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummer BK-24/889 Uitspraak van 19 november 2025 in het geding tussen: [X] (thans) te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 september 2024, nummer SGR 22/5452. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.254 (de naheffingsaanslag). 1.2. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.823; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; - veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 750; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 750; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.998; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden; - bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 8 juli 2025. Belanghebbende heeft een nader stuk en een pleitnota ingediend, ingekomen bij het Hof op 26 augustus en 1 september 2025. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 september 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 2.390 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz 300E Cabrio M-line (de auto) afkomstig uit Duitsland. De datum van eerste toelating van de auto is 16 maart 2020. De datum van de eerste tenaamstelling in Nederland is 3 mei 2021. 2.2. De aangifte is gedagtekend 28 april 2021 en het daarop verschuldigde bedrag is op 30 april 2021 voldaan. Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [A] (het taxatierapport). Hierin wordt uitgegaan van een handelsinkoopwaarde vóór schade van € 49.935 en een waardevermindering wegens schade van € 35.266,06. De fysieke opname ten behoeve van het taxatierapport heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Uit de aangifte blijkt voorts dat de RDW de auto heeft gekeurd op 23 april 2021. In opdracht van de Inspecteur heeft op 7 mei 2021 een schouw van de auto plaatsgevonden door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hiervan is op 14 mei 2021 een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). In het DRZ-rapport wordt de historische nieuwprijs op € 91.949 gesteld, uitgaande van een bruto bpm van € 9.886. Volgens het DRZ-rapport bedraagt de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 49.142 op basis van de XRAY-koerslijst voor een margeauto. Het DRZ-rapport gaat uit van schade aan de auto ten bedrage van € 4.825 waarvan € 3.474 (72%) in mindering is gebracht op de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat. 2.3. De registratie is voltooid op 11 mei 2021. 2.4. De Inspecteur heeft op bas Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken.2 Verweerder heeft eiser bij brief van 19 mei 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd. Betalings- en heffingsmodaliteiten 11. Eiser betoogt dat de bpm voor de registratie van de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt, omdat de Hoge Raad reeds anders geoordeeld heeft.3 Voor het rentenadeel dat eiser stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient hij zich te wenden tot de civiele rechter. CO2-uitstoot/NEDC1/WLTP/NEDC2 12. Eiser heeft gesteld dat als gevolg van de overgang van de NEDC1-meetmethode naar de WLTP/NEDC2-meetmethode voor te importeren voertuigen met een datum eerste toelating tussen 1 september 2017 en 1 juli 2020 structureel teveel belasting wordt geheven, omdat veel buitenlandse kentekenregisters al vanaf die datum uitgaan van de WLTP/NEDC2-methode voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. Deze meetmethode leidt volgens onderzoeken van KPMG en TNO tot een hogere CO2-uitstoot dan de oude NEDC1-meetmethode en daarmee tot een hogere heffing van bpm. Volgens eiser kan deze discriminatie eenvoudig worden opgeheven door de op basis van de WLTP/NEDC2-methode vastgestelde CO2-uitstoot te verminderen met 7,3 gram (het gemiddelde verschil tussen NEDC1- en NEDC2-uitslagen zoals vastgesteld door KPMG). Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. 13. De door eiser beschreven mogelijkheid van discriminatie is door de Hoge Raad beoordeeld. In dat verband is – kort gezegd en voor zover hier van belang – overwogen dat het gebruik van en de overgang tussen twee verschillende meetmethodes voor de vaststelling van de CO2-uitstoot op zichzelf genomen kan leiden tot strijd met artikel 110 van het VWEU. Een belastingplichtige die zich daarop beroept moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.4 Eiser heeft evenwel niet eens gesteld dat in zijn geval aan deze voorwaarden is voldaan. 14. Eiser verwijst verder naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 20225 en stelt dat hij gelet op die uitspraak voor de auto mag uitgaan van een CO2-uitstoot berekend volgens de Scandinavische rekenmethode waarbij mag worden uitgegaan van de laagste CO2-uitstoot. Deze stelling berust op een onjuiste uitleg van de uitspraak van het Hof. Uit die uitspraak volgt niet, zoals eiser kennelijk meent, dat een belastingplichtige bij de berekening van de bpm zelf de keuze heeft tussen verschillende rekenmethodes voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. De uitspraak had betrekking op een geval waarin ten processe was komen vast te staan dat Met zijn standpunt neemt verweerder gemotiveerd stelling tegen de door eiser verdedigde handelsinkoopwaarde. Dat een hogere CO2-uitstoot automatisch tot een hogere handelsinkoopwaarde leidt, zoals verweerder met zijn stelling suggereert, acht de rechtbank echter niet voor de hand liggend. Per geval zal moeten worden beoordeeld of dit zo is. Hierbij dienen alle relevante omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen, zoals de omvang van het verschil in CO2-uitstoot, de herkomst van het motorvoertuig (waarbij van belang is of het beschikt over een Europese typegoedkeuring), exclusiviteit, de courantheid van het merk en het model, de uitvoering en of het motorvoertuig bijzondere kenmerken heeft. Met andere woorden, de prijselasticiteit speelt een belangrijke rol. Hoewel de CO2-uitstoot als een vast gegeven kenmerk van het motorvoertuig moet worden beschouwd, is dit niet het enige kenmerk en staat het niet vast dat dit kenmerk bij de gemiddelde handelaar (of consument, die het motorvoertuig uiteindelijk koopt) doorslaggevend is bij de keuze voor het motorvoertuig.8 Nu het algemeen geformuleerde standpunt van verweerder niet zonder meer kan worden gevolgd en verweerder geen nadere, steekhoudende onderbouwing van zijn standpunt heeft gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding om de door DRZ uit de koerslijst afgeleide handelsinkoopwaarde naar boven bij te stellen. Schade 22. Eiser stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat de bevindingen van DRZ geen grondslag kunnen vormen voor de correctie van de verschuldigde bpm. Aan die stelling ligt het betoog ten grondslag dat in de wet niet is vastgelegd dat de auto in ongewijzigde staat moet blijven tussen de taxatie en de aangifte en dat de schade tussentijds kan zijn hersteld, dat dit een leemte is in de wet en aldus niet is voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel, dat dus uit niets blijkt dat de auto op het moment van de schouw door DRZ in dezelfde staat verkeert als op het moment van de fysieke opname door de taxateur en dat eventuele afwijkingen in de staat van de auto belastingplichtigen niet kunnen worden tegengeworpen nu niet is voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank volgt deze zienswijze niet. Het betoog van eiser ziet eraan voorbij dat (in gevallen als het onderhavige, waarin aangifte is gedaan vóór 1 januari 2022) het bedrag van de verschuldigde bpm moet worden bepaald aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop het voorgenomen belastbare feit zal plaatsvinden, dat wil zeggen naar de verwachte staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van afronding van de registratie dan wel van de aanvang van het gebruik van de weg.9 Met schade die vóór de registratie is hersteld, kan bij de waardebepaling daarom in beginsel geen rekening worden gehouden. Dat is slechts anders indien sprake is van een schadeverleden dat heeft geleid tot een blijvende waardevermindering van de auto. De rechtbank zal daarop hieronder ingaan. 23. Eiser betoogt verder dat uit de door verweerder ingebrachte foto’s blijkt dat er ten tijde van de opname door DRZ schade aanwezig was aan het cabriodak en een storing aan het achterraam. Die schade is door DRZ niet meegenomen in de waardering en moet volgens eiser leiden tot een waardevermindering van € 20.848. Eiser heeft een deskundigenrapport van [B] ( [A] ) gedateerd 12 januari 2024 ingebracht waarin aan de hand van de foto’s van DRZ wordt vastgesteld dat de cabrioletkap is vastgeplakt met tape omdat het frame gedeformeerd is, dat het scherm links achter is vervormd en dichtgesmeerd met plamuur en dient te worden vervangen, dat de achterbumper beschadigd is en dat de wielkast intern links achter is beschadigd. De permanente waardevermindering bedraagt volgens het rapport minstens € 7.500 en de reparatiekosten € 13.348,02. Ter zitting heeft de heer [B] het rapport nader toegelicht en aangevuld dat hij de auto fysiek heeft opgenomen op 22 april 2021 om 17:53, dat het cabriodak niet meer werkte en dat er een deuk Eiser heeft evenwel gesteld dat DRZ geen onafhankelijke deskundige is en het DRZ-rapport daarom niet gebruikt kan worden bij de waardebepaling van de auto. Voor zover eiser al belang heeft bij deze klacht, verwerpt de rechtbank haar. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling staat daaraan niet in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels, waaronder het arrest van het HvJ EU van 3 oktober 2019, C-285/18, Irgita, ECLI:EU:C:2019:829, leidt evenmin tot een ander oordeel. De taxateur/beoordelaar van DRZ is in deze procedure te beschouwen als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is verzocht een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de deskundigheid of onafhankelijkheid van de taxateur/beoordelaar.14 Voor zover eiser daar al belang bij zou hebben, volgt de rechtbank hem ook niet in zijn stelling dat het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid is geschonden doordat eiser wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een deskundige voor wie tal van voorwaarden gelden, terwijl die voorwaarden niet gelden voor de taxateur/beoordelaar van DRZ. 29. Vervolgens rijst de vraag of eiser aan de hand van het DRZ-rapport, de reactie daarop in het deskundigenrapport en de verklaringen van de heer [B] ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat de waardevermindering als gevolg van schade meer bedroeg dan vastgesteld door DRZ. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt immers mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken.15 Een waardevermindering door schade is een zodanig feit. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De heer [B] heeft de auto niet fysiek opgenomen in de conditie waarin die verkeerde ten tijde van de schouw door DRZ. Op de door de heer [B] aangewezen foto’s uit het DRZ-rapport lijkt inderdaad schade zichtbaar. Aan de hand van de beschikbare foto’s alleen kan de rechtbank echter niet met voldoende zekerheid vaststellen dat het meer dan normale gebruiksschade betreft, laat staan dat vervanging van onderdelen nodig is. Overigens heeft eiser dit gebrek in de bewijslevering zelf veroorzaakt door de auto uitgebreid te laten repareren tussen de fysieke opname door de heer [B] en de schouw door DRZ. 30. In het rapport van 12 januari 2024 wordt verder een permanente waardevermindering vanwege de inmiddels herstelde schade in aanmerking genomen voor een bedrag van € 7.500. De rechtbank acht deze waardevermindering niet aannemelijk gemaakt, omdat ze niet is onderbouwd. 72% van de schade 31. Ook de stelling dat niet 72%, maar 100% van de door DRZ vastgestelde reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht, kan niet leiden tot een gegrond beroep. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I, van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. Zoals hiervoor overwogen draagt hij te dier zake de bewijslast. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is onvoldoende om daaraan te voldoen. Dat rekening wordt gehouden met 72% van de reparatiekosten hoeft immers niet te betekenen dat ter zake van auto’s afkomstig uit andere lidstaten meer bpm wordt geheven dan het laagste restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds in Nederland geregistreerde voertuigen en eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich in het onderhavige geval voordoet. Ook uit het rapport van 12 januari 2024 kan niet worden De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397, leidt daartoe niet. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat eiser in dit geval recht heeft op een hogere vergoeding dan thans toegekend. Ook het arrest van het HvJ EU van 26 november 2013, C-58/12 P (Gascogne), ECLI:EU:C:2013:770, waarop eiser zich beroept, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu het in dit arrest een handeling van een instelling van de Unie betreft, namelijk het HvJ EU. Proceskosten 40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en met inachtneming van de jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.248 in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624 en een wegingsfactor 1) en € 1.750 in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). 41. Voor een integrale proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Uit de gedingstukken en hetgeen eiser heeft gesteld, valt niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb is ook anderszins niet gebleken. Al hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, maakt ook niet dat daarvan sprake is. Anders dan eiser heeft betoogd is het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop ingevolge het Bpb aanspraak kan worden gemaakt, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, ook niet voldoende om te concluderen dat aan het Unierecht aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend.21 42. De rechtbank zal verweerder opdragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. (…) [1] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2. [2] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1. [3] HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277, r.o. 3.4.1-3.4.7. [4] HR 26 april 2023, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.9.2. [5] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1963. [6] Zie bijvoorbeeld HvJ EU 19 december 2013, C-437/12, X, ECLI:EU:C:2013:857, punt 23. [7] HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561, r.o. 3.4.3. [8] Zie Gerechtshof Den Haag 29 februari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:732, r.o. 5.3.3. [9] Zie HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.1. [10] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2840; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3446; Gerechtshof Den Haag 13 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1452 en Gerechtshof Den Haag 25 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1083. [11] HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415. [12] Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p. 31. [13] Zie met name HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.5 en HR ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1. [14] Vgl. Gerechtshof Den Haag 15 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2696, r.o. 5.1.3.2. [15] HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3. [16] Vgl. EHRM 20 december 2007, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579. [17] Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699. [18] HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4. [19] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8618, r.o. 4.6. [20] HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3. [21] Over hetgeen belanghebbende over de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen (Hof Den Haag 5 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:16384). Bevoegdheid tot naheffen (na het belastbare feit) 5.3. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, aangezien naheffing bij gebruikte auto’s die al in Nederland rijden niet mogelijk is, het Unierecht zich tegen naheffing bij uit andere lidstaten ingevoerde gebruikte auto’s verzet. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de Rechtbank in overweging 7 van haar uitspraak op dit punt heeft overwogen en voegt daaraan nog het volgende toe. Belanghebbende maakt een onjuiste vergelijking. Heffing dan wel naheffing van bpm bij gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft ten doel op deze auto’s een passende, in overeenstemming met het Unierecht berekende belastingdruk (in de woorden van de gemachtigde: het juiste bedrag aan bpm) te leggen. Indien de belastingplichtige te weinig bpm op aangifte voldoet, mag de Inspecteur het verschil naheffen, ook nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, mits hij de beginselen van het Unierecht respecteert. Op deze wijze ontstaat een evenwichtige situatie op de markt voor gebruikte auto’s in Nederland (HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, BNB 2019/92). Ook deze stelling van belanghebbende faalt. Heffingsmodaliteiten 5.4. Anders dan belanghebbende stelt, is geen sprake van verschillende heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige personenauto’s, als gevolg waarvan belanghebbende uiteindelijk een hoger bedrag aan bpm op aangifte heeft voldaan voor de auto, dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op vergelijkbare gebruikte, in het binnenland geregistreerde, personenauto’s. De naheffing dient te voorkomen dat te weinig bpm wordt geheven en ervoor te zorgen dat de bpm die op de ingevoerde auto drukt in lijn is met de bpm die drukt op een vergelijkbare auto op de binnenlandse markt. De toepassing van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Wet bpm) leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan de belasting die op gelijksoortige binnenlandse auto's drukt. Bovendien is de wettelijke regeling – voor zover al sprake is van een belemmering – gerechtvaardigd, proportioneel en geschikt om de doelstelling te verwezenlijken. Artikel 110 VWEU 5.5.1. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag in strijd is met artikel 110 van het VWEU, meer specifiek omdat het opleggen van de naheffingsaanslag aan de koper van een gebruikt geïmporteerd voertuig leidt tot discriminatie in de zin van voornoemd artikel. Deze stelling van belanghebbende wordt verworpen. 5.5.2. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een situatie waarin op reeds geregistreerde gebruikte auto’s een lagere belasting drukt dan op de onderhavige geïmporteerde gebruikte auto. Het is op grond van de jurisprudentie van het HvJ EU de Inspecteur toegestaan om in een andere lidstaat dan Nederland geregistreerde personenauto’s aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen in gevallen waarin de auto’s hoofdzakelijk bestemd zijn voor duurzaam gebruik in Nederland of hier aldus feitelijk duurzaam worden gebruikt (HvJ EU 21 november 2013, C-302/12, ECLI:EU:C:2013:756). Unierechtelijk verdedigingsbeginsel 5.6. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden en verbindt daaraan de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Gelijk de Rechtbank in overweging 10 van haar uitspraak heeft overwogen, is belanghebbende vóór het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. De Inspecteur was niet gehouden belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek alvorens de naheffingsaanslag op te leggen (HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467 en HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393). CO2-uitstoot 5.7. Belanghebbende stelt dat de CO2-uitstoot van de a De taak van DRZ behelst niet meer dan het in opdracht van de Inspecteur beoordelen of de in een taxatierapport van de zijde van de belastingplichtige opgevoerde schade daadwerkelijk aanwezig is ten tijde van de registratie van een personenauto. 5.11.4. Ook wat betreft het cabriodak (de softtop) heeft belanghebbende onvoldoende voldaan aan de stelplicht en de bewijslast. Het Hof constateert op de foto’s van DRZ ducttape onderaan aan de achterkant van het cabriodak, maar wat het betekent kan het Hof, bij gebreke van objectieve aanknopingspunten, niet afleiden uit de gedingstukken. Het rapport van DRZ vermeldt niets erover. Uit de gedingstukken blijkt niet of het cabriodak moet worden vervangen of dat het nog moet worden gerepareerd. Ook ter zitting is hierover geen duidelijkheid verschaft. Het had derhalve op de weg van belanghebbende gelegen een en ander toe te lichten. De gemachtigde en de taxateur van belanghebbende hebben ter zitting ook niet concreet aangevoerd welk bedrag in aanmerking moet worden genomen voor de gestelde schade aan het cabriodak en het is opmerkelijk dat op de foto van het cabriodak in het taxatierapport van de kant van belanghebbende geen ducttape valt te ontdekken. 5.11.5. Belanghebbende betwist dat het percentage van de schade van 72 dat door DRZ in aanmerking is genomen in overeenstemming is met het Unierecht en betoogt dat 100% van de schade in aftrek moet worden gebracht. Het Hof verwerpt dit standpunt. De bewijslast rust op belanghebbende (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, r.o. 2.3.4 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Als hij meent dat 100% van de schade voor aftrek in aanmerking komt, is het aan hem om dat te onderbouwen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. 5.11.6. Het Hof is tevens met de Rechtbank, in overweging 30 van haar uitspraak, van oordeel dat belanghebbende een permanente waardevermindering niet aannemelijk heeft gemaakt. Ex-rental 5.12. Belanghebbende stelt dat de waarde van de auto nog moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:857. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). DRZ 5.13.1. Belanghebbende stelt dat de werknemers van DRZ ondeskundig zijn en dat daarom geen sprake kan zijn van een deugdelijk rapport van DRZ. 5.13.2. Het Hof overweegt dat geen enkele aanleiding bestaat voor de, door belanghebbende ingenomen en overigens geenszins geconcretiseerde, conclusie dat sprake is van – naar het Hof begrijpt uit de verklaring van belanghebbende – ondeskundigheid, vooringenomenheid, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheden. Bij aangiften bpm waarin wordt gebruikgemaakt van een individuele taxatie, kunnen de indieners worden uitgenodigd het voertuig op een van de locaties van DRZ te tonen. Op deze locaties kan een schouw onder optimale omstandigheden worden uitgevoerd, door middel van gekwalificeerd personeel van DRZ, goede verlichting en de beschikbaarheid van alle benodigde apparatuur en programmatuur. Niet gebleken is dat de Belastingdienst DRZ beïnvloedt of instrueert over de wijze van taxeren (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5796 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1818). Voorts staat het de Inspecteur vrij een deskundige naar zijn keuze in te schakelen. Het Hof ziet onder de gegeven omstandigheden dan ook geen reden om de medewerkers van DRZ op verzoek van belanghebbende te horen. 5.13.3. Belanghebbende ste Het is vaste jurisprudentie dat regels van formeel en procedureel recht moeten voldoen aan twee beginselen: het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. 5.15.3. Zo is aan het HvJ EU de vraag voorgelegd of een nationale regeling die de volgende kenmerken bevat, in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel (HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:565, punten 70 tot en met 78): - ten eerste de regel dat, op dat gebied, de ontvankelijkheid van een verzoek in kort geding of een beroep afhangt van betaling, door de justitiabele, van vaste griffierechten, zodat dat verzoek of beroep slechts kan worden behandeld nadat die rechten zijn voldaan; - ten tweede de regel dat, op dat gebied, voor een verzoek in kort geding dat met een beroep ten gronde wordt ingediend een specifiek vast griffierecht moet worden voldaan; en - ten derde de regel dat, op dat gebied, de vaste griffierechten niet bij administratief besluit worden opgelegd, zodat tegen die griffierechten niet kan worden opgekomen bij een gerecht met volledige rechtsmacht. 5.15.4. Het HvJ EU besliste dat deze nationale regeling niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Voor de Nederlandse regeling geldt dat deze van toepassing is in alle zaken, wat een verschil is met de aan het HvJ EU voorgelegde regeling en maakt dat van schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel in Nederland ook geen sprake is. Uit het eerdere arrest van 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:655, punten 43 tot en met 45, kon reeds worden afgeleid dat betaling van het griffierecht bij het instellen van het beroep geen schending vormt van het doeltreffendheidsbeginsel, omdat dit de toegang tot de rechter niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. Niet kan worden gezegd dat de hoogte van het griffierecht in het onderhavige geval een belemmering voor belanghebbende vormt. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Er bestaat evenmin aanleiding om rente te vergoeden over de periode tussen de betaling en de uitspraak. Vooraf heffen is immers niet in strijd met een hogere rechtsorde. Vergoeding van (im)materiële schade 5.16. De Rechtbank heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld volgens de door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten. Dit betekent dat geen recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan, anders dan belanghebbende stelt, niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.000 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd, en evenmin dat daarnaast nog recht bestaat op een “bonus”. Voor het hoger beroep heeft te gelden dat de redelijke termijn, gelet op de uitspraakdatum per heden, niet is verstreken. Voor zover belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een schadevergoeding omdat in strijd met het Unierecht is gehandeld, heeft hij de gestelde schade niet onderbouwd. Daarbij is gelet op al het voorgaande niet gebleken dat in strijd met het Unierecht is gehandeld. Slotsom 5.17. Het hoger beroep is gegrond. Proceskosten en griffierecht 6.1. Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, o