Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-12-24
ECLI:NL:GHDHA:2025:2915
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/958 Uitspraak van 24 december 2025 in het geding tussen: [X] VOF te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 oktober 2024, nummer SGR 23/6325. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 6.030 (de naheffingsaanslag). 1.2. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt: “De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond. - wijst het verzoek om een schadevergoeding af.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 559 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Op 18 november 2025 heeft belanghebbende een pleitnotitie gedeeld met het Hof. De Inspecteur heeft kennisgenomen van deze pleitnotitie. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 12 juli 2022 op aangifte een bedrag van € 4.117 aan bpm voldaan ter zake van de inschrijving van een Seat Tarraco 2.0 TSI 4DRIVE Xcellence (de auto). De datum eerste toelating van de auto is 7 oktober 2020. De inschrijving in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 29 juni 2022. 2.2. Belanghebbende heeft de volgens aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [A B.V.] (het taxatierapport). Daarbij is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 201 gram per kilometer. De reparatiekosten voor door de taxateur geconstateerde schade zijn begroot op € 15.630 (inclusief omzetbelasting) en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is bepaald op € 11.990. 2.3. De Inspecteur heeft de auto geselecteerd voor controle door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft essentiële gebreken aan de auto geconstateerd. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto aan de hand van de koerslijst van AutotelexPro per 6 juli 2022 bepaald op € 32.215. 2.4. De naheffingsaanslag bedraagt € 6.030. Bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 32.215 en een afschrijvingspercentage van 48,96%. 2.5. De auto is tenaamgesteld op 22 april 2023. 2.6. Gedurende de bezwaarfase heeft geen hoorgesprek plaatsgevonden. 2.7. Bij de naheffingsaanslag is geen belastingrente in rekening gebracht. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “ Beoordeling van het geschil Vooraf 10. De beroepsgronden van eiseres berusten voor een groot deel op de opvatting dat door de Hoge Raad gegeven rechtsoordelen in strijd zijn met het Unierecht. Ze strekken verder ten betoge dat het de nationale rechter in het geheel niet is toegestaan het Unierecht uit te leggen, omdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) daartoe exclusief bevoegd is. Waar uitlegging van het Unierecht aan de orde is, dient de nationale rechter prejudiciële vragen te stellen, aldus eiseres. 11. De rechtbank volgt eiseres niet in deze opvatting. De rechtsoordelen van de Hoge Raad hebben binnen de Nederlandse rechtsorde informele precedentwerking. Het doorbreken daarvan zou de rechtseenheid en rechtszekerheid niet ten goede komen. De rechtbank zal zich derhalve aansluiten bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de Wet op de belasting van personenauto’s en moto Uit de door eiseres aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017[5] kan niet iets anders worden afgeleid. Die uitspraak ziet immers op de zich hier niet voordoende situatie dat een naheffingsaanslag betrekking heeft op een maandaangifte voor meerdere auto’s en geen verband meer kan worden gelegd tussen de op die aangifte betaalde bpm en de individuele voertuigen waarop die aangifte betrekking heeft. De naheffingsaanslag 17. De bpm wordt verschuldigd ter zake van de inschrijving van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van inschrijving van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, levert naheffen na het belastbare feit geen schending van artikel 110 van het VWEU op.[6] 18. Eiseres stelt dat de bpm in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse voertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit zich heeft voorgedaan. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022[7] is deze stelling onjuist. 19. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende zijn zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken.[8] Verweerder heeft eiseres bij brief van 19 oktober 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiseres de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd. 20. Ingeval aangifte wordt gedaan voor een auto met essentiële gebreken, kan op grond van artikel 10, achtste lid, aanhef en letter b, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2022; de Wet bpm) voor de berekening van de vermindering niet worden gebruikgemaakt van de taxatiemethode. 21. Blijkens de foto’s van het taxatierapport waren de airbags van de auto ten tijde van de taxatie uitgeklapt, waardoor met de auto op dat moment niet mocht worden gereden op de weg. Op het moment van de schouw door DRZ waren deze essentiële gebreken nog niet hersteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast. Dit brengt mee dat de afschrijving van de auto moet worden bepaald aan de hand van een algemeen geaccepteerde koerslijst of aan de hand van de forfaitaire tabel. Dat de RDW de essentiële gebreken mogelijk niet heeft onderkend, maakt het voorgaande niet anders. Een regeling als de onderwerpelijke komt ook niet in strijd met Unierecht.[9] 22. Nu de afschrijving moet worden bepaald aan de hand van koerslijst of forfaitaire tabel behoeft hetgeen eiseres heeft aangevoerd over DRZ en de hoogte van de waardevermindering wegens schade geen behandeling. 23. Op grond van artikel 1, tweede lid, gelezen in verbinding met artikel 2, onderdeel b, van de Wet bpm is de belasting verschuldigd ter zake van de inschrijving van een personenauto in het kentekenregister als bedoeld in artikel 47 van de Wegenverkeerswet 1994. In artikel 47 van de Wegenverkeerswet 1994 is opgenomen dat een motorrijtuig dient te zijn ingeschreven in het kentekenregister en dient te zijn tenaamgesteld. Inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling hoeven dan ook niet gelijktijdig plaats te vinden. Het “nog nog nog meer subsidiaire standpu Volgens eiseres kan deze discriminatie eenvoudig worden opgeheven door de op basis van de WLTP/NEDC2-methode vastgestelde CO2-uitstoot te verminderen met 7,3 gram (het gemiddelde verschil tussen NEDC1- en NEDC2-uitslagen zoals vastgesteld door KPMG). Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. 29. De door eiseres beschreven mogelijkheid van discriminatie is door de Hoge Raad beoordeeld. In dat verband is – kort gezegd en voor zover hier van belang – overwogen dat het gebruik van en de overgang tussen twee verschillende meetmethodes voor de vaststelling van de CO2-uitstoot op zichzelf genomen kan leiden tot strijd met artikel 110 van het VWEU. Een belastingplichtige die zich daarop beroept moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.[13] Eiseres heeft evenwel niet eens gesteld dat in haar geval aan deze voorwaarden is voldaan. 30. Eiseres verwijst verder naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022[14] en stelt dat zij gelet op die uitspraak voor de auto mag uitgaan van een CO2-uitstoot berekend volgens de Scandinavische rekenmethode waarbij mag worden uitgegaan van de laagste CO2-uitstoot. Deze stelling berust op een onjuiste uitleg van de uitspraak van het Hof. Uit die uitspraak volgt niet, zoals eiseres kennelijk meent, dat een belastingplichtige bij de berekening van de bpm zelf de keuze heeft tussen verschillende rekenmethodes voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. De uitspraak had betrekking op een geval waarin ten processe was komen vast te staan dat soortgelijke personenauto’s als de importauto (van hetzelfde merk, type, uitvoering, productiejaar en datum eerste toelating) over een Europese typegoedkeuring beschikten waarop een bepaalde CO2-uitstoot was vermeld, maar niettemin voor een lagere, op basis van de zogenoemde Scandinavische methode berekende CO2-uitstoot in het Nederlandse kentekenregister waren geregistreerd en op die voet in de heffing van bpm waren betrokken. Die situatie doet zich in deze zaak niet voor. 31. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Overschrijding redelijke termijn 32. Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 5 oktober 2022 en de uitspraak van de rechtbank is op 4 oktober 2024 gedaan. De redelijke termijn is derhalve niet overschreden. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om vergoeding van immateriële schade af. Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht 33. Eiseres heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt.[15] In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.[16] Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.[17] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbesche Artikel 7.1, onderdeel 8, van de Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen) vermeldt, voor zover hier van belang: “Op plaatsen waar is aangegeven dat zich een airbag bevindt, moet een niet geactiveerde airbag aanwezig zijn.” Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat sprake was van essentiële gebreken aan de auto ten tijde van de inschrijving in het kentekenregister. De Inspecteur en de DRZ hebben de geactiveerde airbags terecht als essentiële gebreken aangemerkt. Nu sprake was van geactiveerde airbags, was de auto niet geschikt om te worden toegelaten op de weg en mocht belanghebbende de auto ook niet gebruiken voordat de essentiële gebreken waren hersteld. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast ter bepaling van de waardevermindering van de auto. Aan dit oordeel doet niet af dat de RDW de auto heeft goedgekeurd en dat mogelijk met de auto is gereden. Controle van de auto 5.3. Belanghebbende doet een beroep op het arrest van het HvJ EU van 10 oktober 1978, Hansen & Balle, ECLI:EU:C:1978:173. Uit dit arrest zou volgen dat een belastingcontrole van uit andere lidstaten afkomstige voertuigen, terwijl in het binnenland rondrijdende voertuigen hiervan zijn vrijgesteld, niet is toegestaan. Het Hof verwerpt dit beroep. Het HvJ EU heeft in diverse, recentere, arresten geoordeeld dat een lidstaat belasting mag heffen over gebruikte voertuigen die uit andere lidstaten worden ingevoerd en duurzaam binnen de lidstaat worden gebruikt (HvJ EU 19 december 2013, X, C 437/12, EU:C:2013:857, punt 35, en het door belanghebbende aangehaalde arrest HvJ EU 16 november 2023, NM, ECLI:EU:C:2023:888). Het belastbare feit mag niet de grensoverschrijding zijn en de heffing mag niet gepaard gaan met controles aan de grens, maar daarvan is bij de heffing van bpm – alsmede in het onderhavige geval – geen sprake. Het is de Inspecteur toegestaan om de benodigde controles uit te voeren om toezicht te kunnen houden op de juiste heffing van de bpm, die geen door het Unierecht verboden heffing is. Extra leeftijdskorting 5.4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de vervroeging van het tijdstip waarop de bpm verschuldigd wordt per 1 januari 2022, in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Door deze wetswijziging loopt belanghebbende de extra leeftijdskorting van tien maanden mis. Dit levert een nadeel op voor belanghebbende in vergelijking met importeurs van voertuigen die onder de oude, gewijzigde wettekst waren ingevoerd. 5.4.2. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende. In zijn arrest van 19 december 2013, X, ECLI:EU:C:2013:857, over de Nederlandse bpm, heeft het HvJ EU onder meer overwogen: “26 Artikel 110 VWEU heeft tot doel het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten onder normale mededingingsvoorwaarden te verzekeren. Het strekt ertoe elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van producten uit andere lidstaten (reeds aangehaald arrest Tatu, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 27 Zoals vermeld in punt 21 van het onderhavige arrest, verbiedt de eerste alinea van dat artikel daartoe elke lidstaat om op producten van andere lidstaten hogere binnenlandse belastingen te heffen dan die welke op gelijksoortige nationale producten worden geheven. 28 Volgens vaste rechtspraak kan een belastingstelsel slechts worden geacht verenigbaar te zijn met artikel 110 VWEU, indien vaststaat dat het zodanig is ingericht dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan binnenlandse producten en dat het bijgevolg in geen geval discriminerende gevolgen heeft (arrest van 19 maart 2009, Commissie/Finland, C 10/08, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 29 Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat die verdragsbepaling met betrekking tot de belasting op Indien drie soorten voertuigen – vanaf de datum eerste toelating in Nederland rijdende voertuigen, later in Nederland ingevoerde voertuigen en na de wetswijziging in Nederland ingevoerde voertuigen – met elkaar worden vergeleken, zal de bpm-druk bij gelijksoortige voertuigen vergelijkbaar zijn, althans niet hoger zijn bij de laatstgenoemde categorie. De vergelijking wordt gemaakt op het moment dat de bpm wordt verschuldigd. Indien de vergelijking via toepassing van de tabel verloopt, wordt dit duidelijk. Uitgaande van dezelfde datum eerste toelating, zullen de voertuigen van alle drie soorten op de datum waarop een voertuig van de laatstgenoemde soort wordt geregistreerd, een gelijke bpm-druk ervaren. Om iedere discriminatie weg te nemen, is in Nederland gebruik van een koerslijst of – in bepaalde situaties – een taxatie mogelijk. Dit laatste heeft echter niets te maken met het tijdstip van verschuldigdheid, maar met de maatstaf van heffing. 5.4.5. Belanghebbende stelt dat zij een korting misloopt. De juistheid van die stelling lijkt onweerlegbaar. Indien de auto wordt vergeleken met voertuigen van de andere soorten, wordt duidelijk dat het mislopen van de korting geen invloed heeft op de door het HvJ EU bedoelde vergelijking met binnenlandse voertuigen. Bij een juiste vergelijking worden auto’s in de inkoopfase van de autohandel met elkaar vergeleken. Dit houdt in dat de in te voeren auto wordt vergeleken met voertuigen die langer in Nederland rondrijden en hier te koop staan. Het is mogelijk dat de tweede soort voertuigen omvat die met extra leeftijdskorting zijn ingevoerd. Deze korting komt niet de koper van de voertuigen ten goede, maar de verkoper, die op een eerder moment – voor de wetswijziging – de koper en importeur was. Bij de verkoop van dit voertuig op een later tijdstip – in concurrentie met de nu in te voeren tweedehands auto – is die korting verdampt en speelt deze geen rol. De rest-bpm wordt immers berekend met de tabel, in combinatie met de herrekende bruto bpm. De rest-bpm is eventueel een doorlopende post voor de btw, als het de verkoop van een btw-voertuig betreft. 5.4.6. Het Hof overweegt ten overvloede dat belanghebbende ten onrechte stelt dat geen sprake is van overgangsrecht. Er is wel degelijk sprake van overgangsrecht voor de overgang van het oude naar het nieuwe regime. Zie de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2021; Tweede Kamer vergaderjaar 2020-2021, 35 572, nr. 3), Artikel XXXVIII (overgangsrecht bij de Wet op de belasting van personen auto’s en motorrijwielen 1992) . Het overgangsrecht is echter niet van toepassing op de auto, gelet op de datum van inschrijving van de auto in het kentekenregister (29 juni 2022). Het Hof ziet in de voorbeelden die in de Memorie van Toelichting worden beschreven bevestiging van de onder 5.4.5 getrokken conclusie, dat de vervroeging van het belastbare feit geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde – en dus de concurrentieverhoudingen – op de tweedehandsautomarkt. Ex-rental 5.5. Belanghebbende stelt dat de waarde van de auto nog moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, X, ECLI:EU:C:2013:857. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding toch uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Verzoek om vergoeding van immateriële schade 5.6.1. Belanghebbende stelt dat haar alsnog een vergoeding van immateriële schade dient te worden toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de