Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-11-18
ECLI:NL:GHDHA:2025:2865
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/51 Uitspraak van 18 november 2025 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 december 2024, nummer SGR 23/8347. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 249 (de naheffingsaanslag). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 365 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 2 oktober 2025. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 452 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Opel Corsa 1.2. Elegance (de auto). De datum van eerste toelating is 22 december 2020. 2.2. In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [A B.V.] (het taxatierapport). Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 23.347 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 10.042. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 6.435 in mindering gebracht wegens schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 3.607. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 2.930 (CO2-uitstoot van 124 gr/km). 2.3. De RDW heeft de auto op 17 maart 2022 gekeurd. Daarbij heeft de RDW de CO2-uitstoot van de auto vastgesteld op 137 gr/km (WLTP). 2.4. De Inspecteur heeft een bedrag van € 249 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op de door de RDW vastgestelde CO2-uitstoot van 137 gr/km (WLTP). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 4.542. 2.5. In het verweerschrift in eerste aanleg met dagtekening 25 april 2024 heeft de Inspecteur onder meer het volgende geschreven: “(…) Op basis van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1703) wordt de historische nieuwprijs bepaald door de catalogusprijs + btw + bpm, waarbij de bpm berekend wordt op basis van de CO2- uitstoot van het in te schrijven voertuig. In onderhavig geval houdt dit in dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag een verkeerde historische nieuwprijs als uitgangspunt is genomen. Door aanpassing van de historische nieuwprijs en uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 16.874 wordt de verschuldigde bpm € 656. Op aangifte is een bedrag van € 452 betaald, zodat de naheffingsaanslag tot € 204 dient te worden verminderd. Voor de berekening wil ik verwijzen naar bijlage 11. 5. Conclusie Het beroep is enkel gegrond op basis van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 inzake de historische nieuwprijs.” Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “Beoordeling van het geschil CO2-uitstoot 7. De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval voor het vaststellen van de CO2-uitstoot van de auto dient te worden uitgegaan van de uitstoot vastgesteld volgens de WLTP meetmethode. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. 8. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) wordt de belas Verweerder betwist nu in zijn nader stuk alsnog dat de schade aan de auto tot het in het taxatierapport van eiseres opgenomen schadebedrag kan worden aangemerkt als meer dan normale gebruiksschade. Eiseres draagt alsdan de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen aan het voertuig een waardedaling ten opzichte van de uit de gehanteerde koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben.[1] 13. Eiseres heeft verwezen naar het taxatierapport dat in haar opdracht bij gelegenheid van de aangifte is opgemaakt. Daarin is de schade naar haar mening duidelijk beschreven. Verweerder betoogt in beroep dat het rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiseres kleven. Verweerder wijst daarbij op het volgende: - De handelsinkoopwaarde dient naar waarheid en aan de hand van een gedegen fysieke opname te worden vastgesteld; dat daarvan sprake is, is niet controleerbaar en ook niet waarschijnlijk, mede gegeven het korte tijdsbestek (15 minuten) dat met de opname is gemoeid geweest en waarin kennelijk onder andere het volgende is beoordeeld en de volgende werkzaamheden zijn verricht: ▪ wielophanging : redelijk ▪ velgen en banden : beschadigde staat ▪ stuurinrichting : redelijk ▪ remmen : redelijk ▪ motor : goed werkende staat ▪ versnellingsbak en aandrijving : redelijk ▪ elektrische installatie : redelijk ▪ carrosserie : beschadigde staat ▪ interieur : redelijke staat ▪ algehele staat : bovenmatige schade Er zijn 45 foto’s gemaakt, die zeer sterk zijn ingezoomd en waarvan een deel onscherp is afgedrukt, en waar op een aantal foto’s de auto is voorzien van krijtstrepen om gestelde schade aan te tonen. Er is niet duidelijk of en hoe met gebruikerssporen rekening mee is gehouden. Er is door de taxateur géén onderzoek ingesteld naar de oorzaak van eventuele aanwezige schade terwijl dit juist inherent is aan de werkzaamheden van een taxateur als zodanig en terwijl de taxateur wel € 6.389 aan schade heeft gecalculeerd en vastgesteld dat daarvan 85% in mindering kan worden gebracht, waarbij ook nog geldt dat de in het taxatierapport genoemde vermindering wegens schade van € 4.600 als zijnde 85% van de totale schade onjuist is berekend en niet overeenkomst met de daadwerkelijk toegepaste vermindering van € 5.431. Er wordt zonder duidelijke berekening of motivering meer dan 72% van de schade in mindering gebracht op de waarde. Er wordt een waardevermindering gesteld van 10% (€ 1.004) voor een schadeverleden zonder enige deugdelijke onderbouwing. De waarde in onbeschadigde staat van € 10.042 is vastgesteld op basis van een koerslijst van XRAY-rental, die i) niet juist is ingevuld nu alle opties zijn opgenomen onder ‘overige’ in plaats van dat deze op de juiste wijze in het programma zijn geselecteerd hetgeen leidt tot een lagere koerslijstwaarde (zie ECLI:NL:GHDHA:2023:1694) en ii) die bovendien een koerslijst van een ex-rental betreft terwijl niet is aangetoond dat sprake is van een dusdanig huurverleden dat dit tot een blijvende waardevermindering leidt. Er worden posten als schade opgenomen in de schadecalculatie die geen schade betreffen, zoals expertisekosten, Nederlandse onderhoudsboekenpakket en Nederlandse software programmeren. Er is geen sprake van een taxatie/opname in de staat waarin de auto ten hoogste één maand vóór het tijdstip dat de bpm is verschuldigd verkeert. Uit de door eiser overgelegde inkoopfactuur blijkt dat het voertuig op 7 maart 2023 is aangekocht door eiseres voor een bedrag van € 11.850. Dat betekent dat eiseres in feite minimaal € 12.302 (€ 11.850 plus € 452 bpm) (exclusief p.m.) heeft betaald voor een auto in beschadigde staat en – uitgaande van het schadebedrag van € 6.389 – feitelijk een bedrag van minimaal € 18.691 (exclusief p.m.), terwijl de taxateur aangeeft dat de auto slechts € 3.607 (inclusief btw en Bpm en schade) waard is. 14. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, vanwege al de hier Eiseres heeft voor dat geval niet weersproken dat toepassing van de forfaitaire tabel, ook bij de aanpassing van de historische nieuwprijs als hiervoor benoemd, leidt tot een hogere naheffingsaanslag. Gelet hierop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is. De rechtbank honoreert het beroep van verweerder op interne compensatie. De verhoging van de historische nieuwprijs resulteert daarom niet in een verlaging van de naheffingsaanslag. 19. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat, gelet op de uitlatingen van verweerder in het verweerschrift over de vermindering van de naheffingsaanslag, de door verweerder in het nader stuk en ter zitting voorgestane interne compensatie in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwerpt dit beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel en overweegt daartoe het volgende. 20. In het verweerschrift heeft verweerder in dit verband – voor zover van belang – het volgende geconcludeerd en vermeld: “Op basis van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1703) wordt de historische nieuwprijs bepaald door de catalogusprijs + btw + bpm, waarbij de bpm berekend wordt op basis van de CO2-uitstoot van het in te schrijven voertuig. In onderhavig geval houdt dit in dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag een verkeerde historische nieuwprijs als uitgangspunt is genomen. (…) Door aanpassing van de historische nieuwprijs en uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 16.874 wordt de verschuldigde bpm € 656. Op aangifte is een bedrag van € 452 betaald, zodat de naheffingsaanslag tot € 204 dient te worden verminderd. (...) 5. Conclusie Het beroep is enkel gegrond op basis van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 inzake de historische nieuwprijs.” De rechtbank stelt vast dat verweerder hiermee een duidelijk, ondubbelzinnig standpunt heeft ingenomen met betrekking tot het geschilpunt over de historische nieuwprijs. Daaraan is de bewuste conclusie ‘ vermindering van de naheffingsaanslag ’ verbonden. De (tegemoetkomende) standpuntinname van verweerder in het verweerschrift heeft hij nadrukkelijk beperkt tot het geschilpunt over de historische nieuwprijs. Het strekt naar het oordeel van de rechtbank dan te ver om daarin ook een toezegging/standpuntbepaling te mogen/kunnen lezen met betrekking tot andere elementen van de heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, zoals bijvoorbeeld de in aanmerking te nemen schade. Met de uitlatingen in het verweerschrift is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgeven van (een) standpunt(en) door verweerder met betrekking tot de overige elementen van de heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, waardoor verweerder zijn mogelijkheid om zich te beroepen op interne compensatie zou hebben prijsgegeven. Eiseres heeft de uitlating in het verweerschrift redelijkerwijs ook niet zo kunnen of mogen opvatten. De mededeling dat ‘ de naheffingsaanslag tot € 204 dient te worden verminderd ’, maakt ook niet dat de standpuntinname van verweerder breder kan worden getrokken, juist omdat deze conclusie zo specifiek is gekoppeld aan het bewuste standpunt over de historische nieuwprijs. Onder deze omstandigheden staat het verweerder vrij om – binnen de grenzen van de goede procesorde – lopende de beroepsprocedure nieuwe geschilpunten op te werpen en/of nieuwe standpunten in te nemen. Die grenzen heeft verweerder met zijn beroep op interne compensatie naar het oordeel van de rechtbank niet overschreden. Gelet op dit alles faalt het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel. 21. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 22. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het ter zitting gedane verzoek van de gemachtigde van eiseres om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding. (…) [1] Vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:202 Uit het kentekenregister volgt een CO2-uitstoot van de auto van 137 gr/km WLTP. Derhalve heeft deze CO2-uitstoot als uitgangspunt te gelden, totdat deze daadwerkelijk in het kentekenregister wordt gewijzigd. Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat deze CO2-uitstoot onjuist is vastgesteld. Uit de door belanghebbende overgelegde gegevens volgt niet dat het referentievoertuig en de auto van zowel wat betreft merk, model, type, uitvoering als leeftijd hetzelfde zijn. Niet valt uit te sluiten dat het referentievoertuig en de auto op (geringe) (motortechnische) onderdelen van elkaar verschillen, hetgeen een oorzaak kan zijn van verschil in CO2-uitstoot. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat zowel het referentievoertuig als de auto volgens de WLTP-meetmethode is getest. Het verschil kan dus niet zijn veroorzaakt door een verschil in meetmethode. Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de auto vanuit het oogpunt van de consument concurreert met het referentievoertuig. Zo is niets bekend over slijtage en opties. 5.2.4. Belanghebbende heeft het Hof ter zitting verzocht de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden van de Hoge Raad op de door Hof Amsterdam gestelde prejudiciële vragen tot nadere duiding van de antwoorden in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 24 april 2024 (Hof Amsterdam 15 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1252). Het Hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding tot aanhouding van het geschil totdat de Hoge Raad hieromtrent arrest heeft gewezen. Ex-rental 5.3. Belanghebbende stelt dat sprake is van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857. Niet is gebleken dat hier sprake is van een ex-rental. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van referentievoertuigen met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Deze stelling faalt. Conclusie naheffingsaanslag 5.4. Gelet op het voorgaande stelt het Hof de naheffingsaanslag vast op € 204. Vergoeding van immateriële schade 5.5.1. Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de bezwaar- en beroepsfase. 5.5.2. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). Hierbij geldt dat voor de bezwaarfase een termijn van een half jaar als redelijk wordt beschouwd en dat voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar als redelijk wordt beschouwd. 5.5.3. Het bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 30 november 2022 en hij heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 10 november 2023. Het beroepschrift is op 11 december 2023 door de Rechtbank ontvangen en de Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 20 december 2024. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur tot en met de datum waarop de Rechtbank uitspraak doet, zijn twee jaar en (afgerond) één maand verstreken. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 500. De overschrijding van de redelijke termijn dient geheel te worden toegerekend aan de bezwaarfase. Het Hof zal de Inspecteur veroordelen tot betaling van genoemd bedrag van € 500. Slotsom 5.4. Het hoger beroep is gegrond. Proceskosten en griffierecht 6.1. De gemachtigde van belanghebbende stelt dat zijn bedrijfsmodel, beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het hoger beroep is ingesteld, niet het kenmerk van optreden op basis van ‘no