Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-06-04
ECLI:NL:GHDHA:2025:2789
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/683 Uitspraak van 4 juni 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 juni 2024, nummer SGR 23/975. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.657 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 75.473 (de aanslag 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 346 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking). 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanslag 2018 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.657 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 30.298. De rentebeschikking is dienovereenkomstig verminderd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 50. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond;- vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen in stand;- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.025;- draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft op 19 juli 2024 een nader stuk van belanghebbende ontvangen. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 april 2025. Belanghebbende is verschenen. De Inspecteur heeft deelgenomen aan de zitting via MS Teams, waarbij sprake was van een directe beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 1.6. Na de zitting heeft belanghebbende een nader stuk met dagtekening 1 april 2025 aan het Hof gezonden, zoals besproken ter zitting. Het Hof heeft een afschrift van het nader stuk aan de Inspecteur gezonden. Daarnaast heeft belanghebbende een nader stuk met dagtekening 3 april 2025 aan het Hof gezonden. Dit nadere stuk geeft geen aanleiding het onderzoek ter zitting te heropenen. Feiten 2.1.1. Bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 22 mei 2019 (het strafvonnis) is belanghebbende schuldig bevonden aan het plegen van gewoontewitwassen. In het strafvonnis overweegt de Rechtbank Rotterdam , voor zover hier van belang, het volgende: “ Inleiding [Belanghebbende] heeft in de periode van 1 januari 2007 tot en met 5 juli 2016 - kort gezegd - telkens (grote) contante stortingen, van in totaal € 1.560.200,-, gedaan op zijn (zakelijke) bankrekeningen. Deze geldbedragen heeft hij vervolgens overgemaakt naar een aantal notarissen en met dit geld telkens hypothecaire geldleningen verstrekt ten behoeve van de aankoop van vier panden (zaaksdossiers [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] ). (…) [adres 4] [Belanghebbende] heeft op 23 januari 2008 bij een executoriale veiling het pand aan de [adres 4] te [woonplaats 1] verkregen voor een bedrag van € 1.040.000,-. [Belanghebbende] heeft op 24 juli 2008 de onderneming [Ltd. 1] opgericht. [Belanghebbende] was de uiteindelijk belanghebbende van [Ltd. 1] . [Belanghebbende] heeft het pand aan de [adres 4] vervolgens op 4 september 2008 doorverkocht aan [Ltd. 1] en tevens een hypothecaire lening ter hoogte van € 1. In de brief is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld: “(…) Ik heb uw aangifte inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2018 beoordeeld. Ik ben van deze aangifte afgeweken. (…) 1. Afwijking(en) per onderdeel van de aangifte (…) Voordeel uit sparen en beleggen (box 3) Bezittingen: waarde bank-, giro- en spaartegoeden In de aangifte is geen bedrag aangegeven voor de waarde van de bank-, giro- en spaartegoeden. Uit mijn informatie blijkt dat de waarde van de bank-, giro- en spaartegoeden van uw fiscale partner en u op 1 januari 2018 € 19.578 moet zijn. Dit betekent dat het bedrag waarover het voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend te laag is. Ik ben dan ook op dit punt van de aangifte afgeweken met een bedrag van € 19.578. Bezittingen: waarde contant geld en vorderingen In de aangifte is geen bedrag aangegeven voor de waarde van contante geld en vorderingen per 1 januari 2018. Gelet op de correcties van voorgaande jaren blijkt dat u de volgende vorderingen en hypothecaire leningen heeft verstrekt voor een waarde van € 1.665.373: - Een vordering van € 772.442 op [Ltd. 1] ; - Een hypothecaire lening van € 637.389 aan de heer [naam 1] voor de aankoop van de onroerende zaak aan de [adres 1] in [woonplaats 2] ; - Een hypothecaire lening van € 160.609 aan [Ltd. 2] voor de aankoop van de onroerende zaak aan de [adres 2] in [woonplaats 3] ; - Een hypothecaire lening van € 94.933 aan [Ltd. 2] voor de aankoop van de onroerende zaak aan de [adres 3] in [woonplaats 3] . U bent in beroep gegaan tegen de aanslag inkomstenbelasting 2015 waarin de rendementsgrondslag van box 3 is gecorrigeerd. In de uitspraak van de Rechtbank Den Haag is de hoogte van de vordering vastgesteld op 70% van de nominale waarde. Op 29 oktober 2020 heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Op 30 januari 2021 bent u tegen de uitspraak van het Hof in cassatie gegaan. Omdat de Hoge Raad nog geen uitspraak heeft gedaan, ben ik voornemens het huidige standpunt van de Belastingdienst te volgen. Uit het bovenstaande blijkt dat u in 2018 € 1.665.373 aan vorderingen heeft. Dit betekent dat het bedrag waarover het voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend te laag is. Ik ben dan ook op dit punt van de aangifte afgeweken met een bedrag van € 1.665.373. Schulden: opvragen specificatie U vermeldt een bedrag van € 2.543.927 als waarde op 1 januari 2018 voor schulden. Ik heb u gevraagd om onderliggende stukken. U heeft bovengenoemde niet kunnen aantonen met onderliggende stukken. Daarom ben ik op dit punt van de aangifte afgeweken met een bedrag van 2.543.927. (…)” 2.6. De aanslag 2018 is met dagtekening 9 september 2021 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.657 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 75.473. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “ Hoorrecht bezwaarfase 6. Eiser heeft in zijn brief met dagtekening 27 oktober 2021 met aanvullende gronden van zijn bezwaar verzocht om te worden gehoord. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar aangegeven dat eiser niet heeft gereageerd op zijn e-mail van 22 april 2022 waarin twee mogelijke data met tijd zijn voorgesteld voor het houden van een hoorgesprek. Deze enkele mededeling in de uitspraak op bezwaar is voor de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verweerder voldoende inspanningen heeft verricht om een hoorzitting met eiser te laten plaatsvinden of dat hieruit kan worden afgeleid dat eiser afstand heeft gedaan van zijn recht om te worden gehoord.[1] Dit betekent dat de hoorplicht naar het oordeel van de rechtbank is geschonden. 7. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar vernietigen. Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en beoordelen Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:718, BNB 2022/103, dient de rechter vanaf de datum waarop de collectieve uitspraak op bezwaar is gedaan bij de behandeling van het beroep dat betrekking heeft op het individuele bezwaar, de gevolgen van de collectieve uitspraak in zijn oordeel te betrekken, met inbegrip van een krachtens artikel 25e, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genomen besluit inzake vermindering. Dit betekent dat in de onderhavige zaak rekening moet houden met het kerstarrest. 12. Uit zowel het kerstarrest (rechtsoverweging 3.3.3) als het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2O22:7I8, BNB 2022/103) en de conclusie van A-G Niessen bij dat laatste arrest (ECLI:NL:PHR:2022:180, onder 5.20) leidt de rechtbank af dat de op rechtsherstel gerichte compensatie in beginsel dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement en dat niet meer hoort te worden belast dan de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty’s en mogelijk andere vormen van direct gerealiseerde vermogensopbrengst. De bewijslast daarvan rust in beginsel op de belastingplichtige.[2] 13. Verweerder heeft het standpunt ingenomen, onder verwijzing naar het strafvonnis van de rechtbank Rotterdam waarbij eiser is veroordeeld voor witwassen[3], dat eiser de volgende vermogensbestanddelen in zijn aangifte had moeten opnemen: Waarde onroerende zaken - [adres 4] : € 618.000 - Hypothecaire vordering [naam 1] ( [adres 1] ): € 637.389 - Hypothecaire vorderingen [Ltd. 2] - ( [adres 2] en [adres 3] ) (€ 160.609 + € 94.933=): € 255.542 En dat - zo volgt althans uit de uitspraak op bezwaar - 50% van deze vermogensbestanddelen aan eiser toegerekend kan worden. Op grond waarvan de grondslag sparen en beleggen moet worden vastgesteld op € 30.298. 14. Verweerder heeft verder gesteld, eveneens onder verwijzing naar het strafvonnis van de Rechtbank Rotterdam[4], dat eiser over de volgende huurinkomsten en rente heeft beschikt: - [adres 5] , [woonplaats 4] : € 14.365 (2008); - [adres 4] [woonplaats 1] : € 16.000 (2008), € 85.333 (2009) en € 96.000 (2010); - [adres 1] [woonplaats 2] : € 31.869 (2008); - [adres 2] [woonplaats 3] € 8.030 (2008); - [adres 3] : € 4.746 (2008). Welke huurinkomsten volgens verweerder in de loop der jaren alleen maar zijn toegenomen en daarmee in 2018 meer bedroegen dan € 30.298. 15. Eiser heeft daarentegen gesteld dat het werkelijk rendement nihil is, aangezien hij niet over vermogen beschikte, omdat er door het Openbaar Ministerie (conservatoir) beslag van € 2.543.927 is gelegd tot verhaal van wederrechtelijk verkregen voordeel en hij geen rente heeft ontvangen over de afgeloste en desnoods kwijtgescholden hypotheken. 16. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat de door verweerder gestelde vermogensbestanddelen door eiser op zichzelf niet worden betwist, maar dat volgens eiser verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gelegde beslagen. De stelling van eiser dat bij de vaststelling van het box 3-inkomen rekening moet worden gehouden met de (conservatoire) beslagleggingen van het Openbaar Ministerie, faalt. Indien op een zaak beslag is gelegd tot verhaal van wederrechtelijk verkregen voordeel, beïnvloedt dit de waarde in het economisch verkeer van die zaak niet. Evenmin kan het beslag in aanmerking worden genomen als een schuld.[5] De verwijzing naar een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland kan eiser niet baten omdat in die procedure in cassatie is geoordeeld dat een vermogenssanctie of een maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel pas in aanmerking kan worden genomen als een schuld in de zin van artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001 nadat die sanctie of maatregel voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.[6] Niet gebleken is dat daar op 1 januari 2018 sprake van was. Overigens is door eiser niets onderbouwd aangevoerd en is de rechtbank dit ook niet gebleken, dat de gelegde beslagen in weg stonden aan het ontvangen van de huur- e Voorwaarde voor toekenning van schadevergoeding is dat de schade aannemelijk wordt gemaakt en dat deze in zodanig verband staat met het vernietigde besluit dat zij als gevolg van dat besluit aan verweerder kan worden toegerekend. De rechtbank verklaart het beroep weliswaar gegrond (vanwege de schending van het hoorrecht), maar laat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand, zie r.o. 19. Ook zal de rechtbank opdracht geven aan verweerder om de griffierechten aan eiser terug te betalen. Eiser heeft verder onvoldoende geconcretiseerd wat voor schade hij heeft geleden en welk bedrag daarmee gemoeid zou zijn. De rechtbank wijst het verzoek om een materiële schadevergoeding daarom af. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade 24. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade ontstaan door termijnoverschrijding. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005.[8] De immateriële schade die bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting voor vergoeding in aanmerking komt, is gelegen is in de spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt ten gevolge van het geschil over de belastingheffing dat hem en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). Die door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie moeten worden geacht ten einde te zijn gekomen na een uitspraak waarmee dit geschil is beslecht.[9] Behoudens in geval van bijzondere omstandigheden wordt een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een halfjaar toe aan de bezwaarfase. Het bezwaarschrift is ontvangen op 15 september 2021. Verweerder heeft met dagtekening 24 december 2022 uitspraak op bezwaar gedaan. Nu op 6 juni 2024 door de rechtbank uitspraak is gedaan, is vanaf het indienen van het bezwaarschrift een periode van 2 jaar en (afgerond) 9 maanden verstreken, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsfase met 9 maanden. Aan eiser komt daarom een schadevergoeding toe van € 1.000 (€ 500 per overschrijding van (een gedeelte van) een halfjaar). De overschrijding van de redelijke termijn dient geheel aan de bezwaarfase te worden toegerekend. Verweerder dient daarom een bedrag van € 1.000 te vergoeden. (…) [1] vgl. Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:HR:2009:BI3751. [2] Onder meer: ECLI:NL:GHDHA:2024:336 en ECLI:NL:GHDHA:2024:327. [3] Rechtbank Rotterdam, 22 mei 2019, nr. 10/750154-15 [4] Rechtbank Rotterdam, 22 mei 2019, nr. 10/750154-15. [5] ECLI:NL:HR:2008:BG4235. [6] ECLI:NL:HR:2022:1707. [7] ECLI:NL:HR:2010:BK3103. [8] ECLI:NL:HR:2005:A09006. [9] ECLI:NL:HR:2022:l128.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur heeft verzuimd alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, of het inkomen uit sparen en beleggen op een te hoog bedrag is vastgesteld, of sprake is van een “fishing expedition” en of het una via-beginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, zijn geschonden. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag 2018. 4.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Op de zaak betrekking hebbende stukken 5.1. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat in het dossier diverse relevante stukken ontbreken, welke door de Inspecteur in het geding hadden moeten worden gebracht. In het navolgende zal het Hof beoordelen of de door belanghebbende genoemde stukken kwalificeren als op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42, lid Ter zitting heeft belanghebbende ook betoogd dat alle communicatie met [medewerker Belastingdienst] , werkzaam bij de Belastingdienst, dient te worden verstrekt door de Inspecteur. Volgens belanghebbende is [medewerker Belastingdienst] betrokken geweest bij de opheffing van [Ltd. 1] en bij de uitschrijving van [Ltd. 1] bij de Kamer van Koophandel. De Inspecteur heeft ter zitting toegelicht dat de werkzaamheden van [medewerker Belastingdienst] bij de Belastingdienst bestaan uit het controleren of Limiteds die in de Kamer van Koophandel met een Nederlands fiscaal nummer zijn ingeschreven ook zijn ingeschreven bij Companies House in het [buitenland 1] . Indien de desbetreffende Limited niet (meer) bij Companies House in het [buitenland 1] is ingeschreven, draagt [medewerker Belastingdienst] zorg ervoor dat de desbetreffende Limited bij de Kamer van Koophandel wordt uitgeschreven, aldus de Inspecteur. Voorts verklaart de Inspecteur nogmaals dat hem niet meer stukken ter beschikking staan of hebben gestaan dan welke reeds in het geding zijn gebracht. Het Hof ziet, mede gelet op de hiervoor weergegeven omschrijving van de werkzaamheden van [medewerker Belastingdienst] , die geen betrekking hebben op de vaststelling van de aanslag 2018, geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de Inspecteur. 5.7. Tot slot stelt belanghebbende zich op het standpunt dat alle communicatie die door de Inspecteur is gevoerd met betrekking tot de inkeerregeling die door [naam 2] , de partner van belanghebbende, is gedaan ten aanzien van de bestreden vermogensbestanddelen, alsmede de communicatie die de Inspecteur als lid van het team Externe Overheidssamenwerking heeft gevoerd over belanghebbende en de bestreden vermogensbestanddelen, dient te worden verstrekt. Belanghebbende heeft echter, naar het oordeel van het Hof, onvoldoende gespecificeerd op welke wijze voornoemde informatie van belang zou kunnen zijn voor de beslechting van de onderhavige geschilpunten. Het betoog van belanghebbende faalt. Inkomen uit sparen en beleggen 5.8. De Inspecteur heeft op basis van informatie uit het in 2.1.1 vermelde strafvonnis met bijlagen, onder andere de onroerende zaak aan de [adres 4] te [woonplaats 1] voor een bedrag van € 618.000 tot de “overige bezittingen” van belanghebbende in box 3 gerekend. 5.9. Uit het in 2.1.1 vermelde strafvonnis blijkt dat de onroerende zaak aan de [adres 4] te [woonplaats 1] ( [adres 4] ) aanvankelijk door belanghebbende was gekocht en op 4 september 2008 is doorverkocht aan [Ltd. 1] , welke entiteit door belanghebbende op 24 juli 2008 is opgericht. Ten aanzien van de doorverkoop heeft belanghebbende een geldlening aan [Ltd. 1] verstrekt van € 1.103.460. De Rechtbank heeft in het in 2.1.1 genoemde strafvonnis geoordeeld dat voornoemde onroerende zaak slechts op papier van eigenaar is gewisseld en er ook geen feitelijke betalingen hebben plaatsgevonden van de verplichtingen uit de hypothecaire geldlening, waardoor sprake zou zijn van een schijnconstructie. Op basis daarvan stelt de Inspecteur dat belanghebbende in feite eigenaar is van de onroerende zaak aan de [adres 4] en de onroerende zaak tot zijn bezittingen in box 3 dient te worden gerekend. 5.10. Belanghebbende heeft in algemene zin naar voren gebracht dat de Inspecteur de aanslag 2018 niet mocht baseren op het strafvonnis (ze 2.1.1), omdat dit een achterhaalde uitspraak zou betreffen waartegen nog hoger beroep loopt. Naar het oordeel van het Hof kan deze grief niet slagen. De Inspecteur is vrij in de keuze van de bewijsmiddelen die hij nuttig acht om aan een op hem rustende bewijslast te voldoen. Nu hij zich op het strafvonnis heeft beroepen, is het aan het Hof om de bewijskracht daarvan in deze belastingzaak te beoordelen, voor zover de feitelijke geschilpunten daartoe nopen. Het enkele feit dat het strafvonnis nog niet onherroepelijk is geworden, ontneemt daaraan niet bij voorbaat iedere bewijskracht. Overigens begrijpt het Hof dat de Inspecteur bereid is aan de eindui Belanghebbende heeft nog gesteld dat het Openbaar Ministerie beslag heeft gelegd op zijn bezittingen, zodat hij daarover niet de beschikking had. Het feit dat op een bezitting conservatoir beslag is gelegd vormt bij de vaststelling van de rendementsgrondslag echter niet een waardeverminderende factor en kan daarbij evenmin in aanmerking worden genomen als een schuld (zie HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG4235, BNB 2009/5). 5.16. Het vorenstaande brengt mee dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dient te worden verminderd tot € 16.801: Bank- en spaarrekeningen € 19.578 Hypothecaire vordering [naam 1] ( [adres 1] ) € 637.389 Hypothecaire vorderingen [Ltd. 2] € 255.542 Rendementsgrondslag € 912.509 Toerekening belanghebbende (50/50) € 456.254 Af: heffingvrije vermogen € 30.000 Grondslag sparen en beleggen € 426.254 Berekening rendement: 0,36% van € 47.436 (67% van € 70.800) € 170 5,38% van € 23.364 (33% van € 70.800) € 1.256 0,36% van € 74.645 (21% van € 355.454) € 268 5,38% van € 280.808 (79% van € 355.454) € 15.107 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 16.801 5.17. Het Hof merkt op dat toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 in dit geval niet tot een verdere vermindering van de aanslag IB/PVV 2018 leidt. Werkelijk rendement 5.18. Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat de aan hem opgelegde box 3-heffing in 2018 in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zulks onder verwijzing naar HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, BNB 2024/84. 5.19. De belastingplichtige die het standpunt inneemt dat hij door het forfaitaire stelsel in box 3 wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement, dient feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, waaruit volgt wat de omvang is van dat werkelijke rendement op zijn gehele vermogen in box 3 (zie HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, BNB 2024/84 en HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, BNB 2024/85). 5.20. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt wat zijn werkelijke rendement in het belastingjaar 2018 is geweest. Het feit dat conservatoir beslag is gelegd onder belanghebbende betekent ook niet dat hij geen inkomsten meer heeft kunnen behalen uit de beslagen vermogensbestanddelen. De beroepsgrond faalt derhalve. Una via-beginsel 5.21. Ter zitting heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat het una via-beginsel is geschonden. 5.22. Het Hof kan deze stelling van belanghebbende niet volgen. Het una via-beginsel is voor het belastingrecht gecodificeerd in artikel 5:44 Awb, waarin staat dat geen bestuurlijke boete wordt opgelegd indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen. Niet in geschil is echter dat de Inspecteur bij het corrigeren van de aanslag IB/PVV 2018 geen fiscale boete aan belanghebbende heeft opgelegd. Schending van het una via-beginsel kan zich derhalve niet hebben voorgedaan. Fishing expedition 5.23. Volgens belanghebbende is sprake van een “fishing expedition” naar informatie over de UBO van [Ltd. 1] 5.24. De vorderingen tot verstrekking van informatie omtrent de uiteindelijk gerechtigde van [Ltd. 1] (zie 5.3) betreffen vorderingen van de politie die zijn gericht tot de FIOD/Belastingdienst in het kader van het strafrechtelijke onderzoek naar belanghebbende. Het Hof acht aannemelijk dat die vorderingen gegevens hebben opgeleverd die zijn opgenomen in de bewijsbijlagen bij het strafvonnis. De Inspecteur heeft zich bij het opleggen van de aanslag 2018 op dat strafvonnis met bewijsbijlagen gebaseerd. Dit is evenwel slechts dan niet toegestaan indien het gaat om strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen die zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk h