Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-04-29
ECLI:NL:GHDHA:2025:2783
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.323.215/01Zaaknummer rechtbank : C/10/625331 / HA ZA 21-819 Arrest van 29 april 2025 in de zaak van [appellant] , wonend in [woonplaats], appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudend in Rotterdam, tegen: Mr. Fouad El Houzi, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Insa-IF B.V. , kantoorhoudend in Rotterdam, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. W.H.B.K. Nieuwesteeg, kantoorhoudend in Rotterdam. Het hof zal partijen hierna [appellant] en de curator noemen. 1 De zaak in het kort 1.1 Transportbedrijf Insa-IF is failliet gegaan. [appellant] is bestuurder van Insa-IF. De curator heeft [appellant] aangesproken uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid en tot betaling van zijn rekening-courantschuld aan Insa-IF. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] een rekening-courantschuld heeft aan Insa-IF van € 402.374,51 en heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van dit bedrag, plus rente en kosten. De rechtbank is vervolgens niet toegekomen aan de beoordeling van de bestuurdersaansprakelijkheid omdat het toegewezen bedrag op dat moment hoger was dan het verwachte faillissementstekort. 1.2 Het hof vernietigt in deze uitspraak het vonnis van de rechtbank. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat [appellant] een rekening-courantschuld heeft aan Insa-IF. De grootboekrekening in de administratie van Insa-IF, waarop de curator zijn vordering heeft gebaseerd, is niet betrouwbaar, omdat de externe boekhouder van Insa-IF daarin onjuiste boekingen heeft verwerkt. Dat volgt onder meer uit het accountantsrapport dat [appellant] in hoger beroep heeft overgelegd. Het hof oordeelt voorts dat [appellant] Insa-IF weliswaar onbehoorlijk heeft bestuurd, omdat hij verantwoordelijk was voor de boekhouding van Insa-IF en deze niet op orde was, maar dat [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat andere feiten en omstandigheden (dan het onbehoorlijk bestuur) een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Het hof is wel van oordeel dat [appellant] omzet die Insa-IF toebehoort, door zijn eenmanszaak heeft laten factureren en incasseren en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van Insa-IF. De daardoor veroorzaakte schade begroot het hof op € 8.478,79, en moet door [appellant] worden vergoed. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 3 januari 2023, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 oktober 2022 (hierna: het vonnis); het anticipatie-exploot van 16 februari 2023 van de curator; de memorie van grieven van [appellant], met productie; de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep alsmede wijziging van eis van de curator, met producties; de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [appellant]. 2.2 Op 24 januari 2025 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarbij is aan elke partij een pleittijd van 30 minuten in de eerste termijn toegekend. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen, die zij hebben overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] nog een (vooraf toegezonden) productie ingediend. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 3 Feiten 3.1 Eind 2011 is het transportbedrijf Insa-IF B.V. (hierna: Insa-IF) opgericht, met [appellant] als enig bestuurder en aandeelhouder. 3.2 [appellant] heeft de administratie van Insa-IF uitbesteed aan het kantoor 2Count Administratie│Belastingen│ICT (hierna: 2Count). 2Count droeg onder meer zorg voor de jaarrekeningen van Insa-IF en de deponering daarvan. 3.3 [appellant] exploiteert sinds eind o 2 Werkwijze Allereerst hebben wij alle bankafschriften opgevraagd bij de curator, om zeker te weten dat alle banken juist en volledig zijn verwerkt in de administratie. Wij hebben alle bankopnames die op de RC geboekt waren, verwerkt in de kas. Hierdoor is de RC lager geworden, daarnaast is het negatief kassaldo positief geworden. Ook hebben wij alle uitgaven die via de kas geboekt horen te zijn, daadwerkelijk via de kas geboekt. De loonkosten die niet via de bank zijn betaald, hebben wij via de kas laten afboeken. Verder hebben wij de debiteuren en crediteuren van 2017 gecorrigeerd, die geen betrekking hadden in het jaar 2018. Wij hebben onze werkzaamheden uitgevoerd conform de richtlijnen van de NBA (Nederlandse beroepsorganisatie van accountants). 3 Vaststelling rekening courant saldo over de jaren 2018, 2019 en 2020. (…) Het jaar2018 Het rekening courant saldo is opnieuw berekend vanaf het jaar 2018. Voor de herberekening bedroeg het saldo van de rekening courant € 437.324,46. Als gevolg van de bovengenoemde constatering, zijn wij dieper in de administratie gedoken en hebben wij vastgesteld dat de bankopnames op de rekening courant rekening zijn geboekt en niet als opname zijn meegenomen in het kassaldo. Deze foutieve boekingen hebben wij gecorrigeerd vanaf het jaar 2018 tot en met 2020. De kasopnames en de juiste uitgaven die via de kas hebben gelopen zijn verwerkt. Vervolgens hebben wij het kassaldo en de rekening courant vastgesteld, een uitdraai hiervan bevindt zich in de bijlagen. Geconcludeerd wordt onder meer dat er veel leasetransacties als rekening courant uitgave waren meegenomen. Ook werden er debiteuren en crediteuren ter hoogte van € 248.177,81 als rekening courant geboekt. Deze betalingen hebben plaatsgevonden in 2017. Daarnaast zijn er ten onrechte BTW boekingen ter hoogte van €16.401,31 en loon correcties ter hoogte van €37.584,84 op de rekening courant geboekt. Na verwerking van al deze boekingen hebben wij vastgesteld dat de rekening courant een saldo heeft van €3.071,70 in het jaar 2018. Het jaar2019 Vervolgens hebben wij de eindsaldi van de kas en de RC als beginsaldi in desbetreffende jaren opgenomen. Tevens hebben wij alle privé opnames op de juist grootboekrekening geboekt. Vervolgens hebben wij de lonen gecorrigeerd ter hoogte van €27.418,92 in het jaar 2019. Na verwerking komt het RC saldo op een bedrag van €16.570,31 debet in het jaar 2019. Het jaar2020 Vervolgens zijn wij in het jaar 2020 verdergegaan met de eindsaldi over het jaar 2019 van de grootboekrekeningen RC en de kas. Ook in dit jaar hebben wij de opnames die bij de bank zijn gedaan juist verwerkt in de kas en de rekening courant gecorrigeerd. We hebben de correcties van de zakelijke kosten, die op RC waren geboekt, op de juiste grootboekrekening geboekt. Vervolgens hebben wij de lonen gecorrigeerd ter hoogte van €34.981,46. In 2020 komen wij uit op een rekening courant saldo van €25.819,80 credit. (…) 5 Oordeel Op basis van de verkregen informatie en de digitale administratie van de heer [appellant] en het administratiekantoor 2Count Administratie | Belastingen zijn wij tot het oordeel gekomen dat de rekening courant en de kas niet juist zijn verwerkt over de jaren 2018 tot en met 2020. (…). 6 Conclusie Wij hebben de administratie van Insa-IF gecontroleerd en de foutieve verwerking gecorrigeerd, (…). Het rekening courantsaldo en het kassaldo hebben wij op 31 december 2020 respectievelijk vastgesteld op de volgende bedragen €25.819,80 (credit) en €3.881,30 (debet).” 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 De curator heeft [appellant] gedagvaard en gevorderd (samengevat): A. (op grond van onbehoorlijk bestuur ex artikel 2:248 BW) - een verklaring voor recht dat [appellant] zijn taak als bestuurder van Insa-IF kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld (artikel 2:248 BW), dat aannemelijk is dat deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement van Insa-IF is geweest en dat [appellant] aansprakelijk is voor het t 6 Beoordeling in hoger beroep 6.1 Het gaat in deze zaak in essentie om drie vragen: i) Had [appellant] ten tijde van de faillietverklaring van Insa-IF een rekening-courantschuld aan Insa-IF, die hij nog moet aflossen? ii) Is [appellant] als bestuurder aansprakelijk voor het faillissementstekort, dan wel een deel daarvan, wegens onbehoorlijke taakvervulling (als bedoeld in artikel 2:248 BW)? Of: iii) is [appellant] wegens ernstig verwijtbaar handelen als bestuurder aansprakelijk voor de schade jegens Insa-IF op grond van artikel 2:9 BW en/of jegens de gezamenlijke schuldeisers op grond van onrechtmatige daad? Het hof zal allereerst ingaan op vraag (i), de rekening-courantvordering. Rekening-courantvordering 6.2 De curator stelt dat [appellant] een schuld heeft aan Insa-IF van € 469.498,80 uit hoofde van de rekening-courant met Insa-IF en baseert deze vordering grotendeels op de grootboekrekening (zie hiervoor onder 3.9). Hij heeft de daarin opgenomen nihilstelling begin 2019 echter buiten beschouwing gelaten, omdat volgens de curator begin 2019 geen aflossing van de rekening-courantschuld heeft plaatsgevonden. De curator heeft vervolgens nog twee correcties toegepast. De eerste correctie, ‘Correctie (terug)betalingen Eenmanszaak’ (van + € 151.767,19), houdt verband met betalingen van debiteuren van Insa-IF die de eenmanszaak van [appellant] heeft ontvangen en die vervolgens door de eenmanszaak zijn terugbetaald aan Insa-IF, waarbij de terugbetalingen volgens de curator ten onrechte als credit in rekening-courant zijn geboekt. De tweede correctie (van + € 18.000,-) houdt verband met een opname van [appellant] op 19 december 2019. 6.3 Het verweer van [appellant] tegen de rekening-courantvordering komt er kort gezegd op neer dat de gegevens in de grootboekrekening niet juist zijn en dat de daarop gebaseerde berekening van de curator evenmin juist is. Volgens [appellant] is de grootboekrekening bijgehouden door de externe boekhouder 2Count, en heeft 2Count zonder overleg en ten onrechte allerlei uitgaven in de rekening-courant geboekt. In eerste aanleg heeft [appellant] in dit verband onder meer verwezen naar de balans ultimo 2020, die eveneens door 2Count is opgesteld, en waarop een substantieel lager saldo van de rekening-courant staat. [appellant] had zijn verweer op de zitting bij de rechtbank nader willen laten toelichten door 2Count, maar 2Count is toen niet komen opdagen omdat zij vrees had voor aansprakelijkstelling, aldus [appellant]. 6.4 De rechtbank heeft het hiervoor weergegeven verweer van [appellant] ontoereikend bevonden en verworpen. Grieven 1, 2 en 3 in principaal appel richten zich tegen die verwerping en tegen de (gedeeltelijke) toewijzing van de rekening-courantvordering. [appellant] heeft zijn verweer dat de door 2Count in de grootboekrekening verwerkte mutaties onjuist zijn, in hoger beroep nader gemotiveerd door overlegging van het accountantsrapport (zie onder 3.12). Daaruit blijkt volgens hem dat hij geen schuld heeft aan Insa-IF uit hoofde van de rekening-courant, maar juist een vordering. Ook de curator komt in incidenteel hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank over de rekening-courantvordering (grief 3 in het incidenteel hoger beroep). Volgens de curator heeft de rechtbank het saldo van de rekening-courant te laag vastgesteld. 6.5 Het hof stelt bij de beoordeling van de rekening-courantvordering voorop dat het aan de curator is om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat [appellant] een rekening-courantschuld heeft aan Insa-IF (op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv). 6.6 De curator heeft zijn vordering op de boekhouding van Insa-IF gebaseerd, in het bijzonder op de grootboekrekening. Hoewel [appellant] als bestuurder eindverantwoordelijk is voor de boekhouding, laat dit onverlet dat hij in het kader van zijn verweer tegen de rekening-courantvordering, de juistheid van (onderdelen van) de boekhouding gemotiveerd ter discussie kan stellen, temeer omdat [appellant] het voeren van de boek De curator wijst op het ontbreken van de aangiften VPB over 2019 en 2020 en van de bankafschriften van Insa-IF over (de eerste zes weken van) 2021, maar niet is toegelicht dat inzage in die stukken noodzakelijk was om te kunnen concluderen dat de rekening-courant en de kas niet juist in de grootboekrekening zijn verwerkt over de jaren 2018 tot en met 2020. Het hof verwijst in dit verband naar de opsomming van de constateringen in het accountantsrapport. - Het bezwaar van de curator dat het accountantsrapport slechts tussentijdse resultaten bevat, is niet juist. Zoals uit het accountantsrapport blijkt, en uit de verklaring van de accountant die [appellant] als productie 10 in hoger beroep heeft overgelegd (hierna: de verklaring van de accountant), is het onderzoek van de accountant weliswaar beperkt tot het kassaldo en het rekening-courantsaldo van Insa-IF, maar zijn de bevindingen ten aanzien van die saldo’s definitief. - Ook het bezwaar van de curator dat het accountantsrapport diverse onjuistheden en verkeerde aannames bevat, gaat niet op. De curator voert in dit verband in de eerste plaats aan dat de accountant ten onrechte een salarisverplichting voor [appellant] als directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft aangenomen. Zoals in het accountantsrapport is toegelicht, en bovendien is bevestigd in de verklaring van de accountant, heeft de accountant het salaris van [appellant] - wegens het ontbreken van een schriftelijke arbeidsovereenkomst - gesteld op het (fiscaal) wettelijk minimumloon voor de DGA over de jaren 2018 tot en met 2020. Het accountantsrapport is op dit onderdeel voldoende transparant en gemotiveerd. Dat, zoals de curator stelt, bedoelde salarisverplichting niet blijkt uit een schriftelijke arbeidsovereenkomst, betekent niet dat er geen salaris was verschuldigd en doet ook niet af aan de wettelijke verplichting om een minimumloon te hanteren voor de DGA. Het feit dat in de boekhouding een lager salaris is geadministreerd heeft mogelijk consequenties voor de aangifte inkomstenbelasting, maar dat valt buiten het bestek van deze procedure. In de tweede plaats voert de curator aan dat het accountantsrapport en de bijlagen niet zijn onderbouwd. Het hof leest in het accountantsrapport wel een onderbouwing. Zo is onder meer toegelicht dat ten onrechte via de rekening-courant zijn geboekt: leasetransacties, mutaties met betrekking tot debiteuren en crediteuren, btw boekingen en looncorrecties, en dat die boekingen zijn gecorrigeerd. Dat niet al die individuele mutaties in het rapport of de bijlagen zijn vermeld en met documenten zijn onderbouwd, betekent niet dat het accountantsrapport niet juist is. - De curator heeft geen concrete argumenten aangevoerd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van de verklaring van de accountant dat hij zijn werkzaamheden volgens de richtlijnen van de NBA (Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants) heeft uitgevoerd. De enkele omstandigheid dat de curator niet bij het onderzoek van de accountant is betrokken, geeft het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de accountant dat de grootboekrekening van Insa-IF over de jaren 2018 tot en met 2020 niet juist is geadministreerd. - Tijdens de mondelinge behandeling zijn namens de curator nog zes vragen opgeworpen over (met name) de achtergrond van contante betalingen. Onvoldoende inzichtelijk is waarom deze vragen de conclusie van het accountantsrapport aantasten. 6.11 Gelet op de hiervoor geconstateerde substantiële tegenstrijdigheden in de door 2Count opgestelde onderdelen van de administratie en gelet op de gemotiveerde betwisting van [appellant] van de daarin opgenomen post rekening-courant aan de hand van het accountantsrapport, kan niet worden aangenomen dat [appellant] een rekening-courantschuld heeft aan Insa-IF van € 469.498,80, dan wel een ander (lager) bedrag. De grootboekrekening, waarop de curator zijn vordering heeft gebaseerd en waarvan hij zelf erkent dat die niet klopt (gezien de door hem 6.20 De hiervoor geconstateerde schendingen van de boekhoudplicht en de deponeringsplicht leiden tot (a) de conclusie dat [appellant] zijn taak als bestuurder van Insa-IF onbehoorlijk heeft vervuld, en (b) het vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:248 lid 2 BW). Bij de beoordeling of onbehoorlijke taakvervulling inderdaad een belangrijke oorzaak is van het faillissement, stelt het hof het volgende voorop. 6.21 Een redelijke uitleg van artikel 2:248 lid 2 BW brengt mee dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement, volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als de bestuurder daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator om op de voet van artikel 2:248 lid 1 BW aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Naast van buiten komende oorzaken, kan ook handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert - en waarvan dus niet gezegd kan worden dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld - voldoende zijn voor ontzenuwing van het in artikel 2:248 lid 2 BW bedoelde vermoeden. Het vorenstaande wordt niet anders doordat artikel 2:248 lid 2 BW bepaalt dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld indien het niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW of artikel 2:394 BW, en in de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat hiermee is bedoeld dat uit deze tekortkomingen wordt afgeleid dat het bestuur zijn taak ook in het algemeen onbehoorlijk heeft vervuld en daartegen geen tegenbewijs openstaat. Een en ander moet immers worden gelezen in het licht van het aan artikel 2:248 BW ten grondslag liggende uitgangspunt dat het niet erom gaat de bestuurders persoonlijk voor het gehele tekort aansprakelijk te maken wegens het enkele feit van het onbehoorlijke bestuur, ook al heeft dit niet tot het faillissement geleid. Met dit laatste strookt dat in de wetsgeschiedenis ook is opgemerkt dat het bestuur in verband met het bijeenbrengen van tegenbewijs tegen het wettelijk vermoeden dat kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, bewijs ervan kan leveren dat het zich voor het overige wel behoorlijk van zijn taak heeft gekweten. Weerlegging vermoeden; andere belangrijke oorzaken faillissement 6.22 Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] het wettelijk bewijsvermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Insa-IF, ontzenuwd, omdat hij aannemelijk heeft gemaakt dat andere feiten en omstandigheden dan de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement. Het hof bespreekt hierna deze feiten en omstandigheden. Omzetderving wegens wegvallen grootste opdrachtgever 6.23 Zoals [appellant] in het gesprek met de curator op de dag van de faillietverklaring als oorzaak heeft genoemd (zie par. 1.5 van het openbaar faillissementsverslag van de curator en productie 5 curator onder punt 3 en 4) en hij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof nader heeft toegelicht, is Insa-IF geconfronteerd met een forse omzetdaling wegens het wegvallen van haar grootste opdrachtgever, Maas-Riva B.V. (hierna: Maas-Riva). Volgens [appellant] verzorgde Insa-IF de scheepsbevoorrading voor Maas-Riva, maar kreeg Insa-IF geen opdrachten meer na het verliezen van een aanbesteding van Maas-Riva. De curator heeft dit niet bestreden; hij is tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld hierop te reageren en heeft toen verklaard dat hij het wegvallen van Maas-Riva als grootste klant niet heeft onderzocht. De faillissementsmedewerker De curator heeft niet gemotiveerd weersproken dat er een geschil is geweest met de verhuurder van de loods, maar heeft wel in twijfel getrokken dat de (lease)voertuigen van Insa-IF door de verhuurder zijn ontvreemd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de curator in dit verband toegelicht dat hij bij de loods is geweest, maar daar niemand heeft aangetroffen, dat hij contact heeft gezocht met de verhuurder, en dat de verhuurder toen heeft ontkend dat hij voertuigen van Insa-IF heeft ontvreemd. Ook heeft de curator er op gewezen dat een aangifte van Insa-IF ontbreekt, dat er geen enkel bewijs is geleverd van de ontvreemding en dat niet valt uit te sluiten dat [appellant] de nu nog ‘vermiste’ voertuigen zelf gebruikt. 6.28 Het hof stelt voorop dat niet ter discussie staat dat er een huurgeschil bestond tussen Insa-IF en de verhuurder van de loods. Over het ontbreken van een aangifte heeft [appellant] verklaard dat de politie de kwestie als een civiele zaak heeft aangemerkt en heeft laten weten niets te kunnen doen. [appellant] heeft ook toegelicht dat Insa-IF geen geld had om te procederen tegen de verhuurder. Het hof acht van belang dat [appellant] (althans zijn boekhouder) in elk geval wel, en al vóór de faillietverklaring, extern melding heeft gemaakt van “ verduistering van het materieel” (zie 3.4). Ook in het gesprek met de curator op de dag van de faillietverklaring heeft [appellant] daarover verklaard (productie 5 curator onder punt 7 en productie 6 curator onder 6, 22 en 23). De enkele ontkenning van de “ontvreemding” door de verhuurder tegenover de curator, maakt het relaas van [appellant] niet reeds onaannemelijk. In ieder geval is niet ondenkbaar dat de verhuurder (lease)voertuigen van Insa-IF heeft verplaatst en/of verkocht zodat hij de loods opnieuw kon verhuren. Een aantal (lease)voertuigen is immers teruggevonden. De curator heeft nog naar voren gebracht dat niet valt uit te sluiten dat [appellant] de nog ontbrekende voertuigen gebruikt, maar aanwijzingen daarvoor ontbreken. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt ook niet in te zien welk belang [appellant] zou hebben bij het fingeren van de ontvreemding c.q. verdwijning. Zoals de curator zelf stelt, bleef Insa-IF de aanzienlijke maandelijkse leaseverplichtingen verschuldigd. Al met al acht het hof voldoende aannemelijk dat de verhuurder zonder toestemming de (lease)voertuigen van Insa-IF uit de loods heeft verwijderd, waardoor Insa-IF geen beschikking meer had over die (lease)voertuigen. Insa-IF was daardoor niet meer in staat transporten met die voertuigen te rijden, terwijl haar leaseverplichtingen doorliepen. 6.29 De conclusie van het voorgaande is dat [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat andere feiten en omstandigheden dan de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. De eerste belangrijke oorzaak betreft de zeer substantiële omzetdaling waarmee Insa-IF in 2020 is geconfronteerd. Die omzetdaling is veroorzaakt door het wegvallen van de destijds belangrijkste klant van Insa-IF, Maas-Riva, en het uitbreken van de coronacrisis, waardoor Insa-IF niet in staat was voldoende winstgevende vervangende opdrachten te verwerven. De hoge oninbare vorderingen op debiteuren zijn geruime tijd vóór de faillietverklaring ontstaan, maar hebben evenzeer bijgedragen aan het faillissement, omdat de vermogenspositie van Insa-IF hierdoor verder is verzwakt. De tweede belangrijke oorzaak is het geschil met de verhuurder en de ontvreemding van een deel van de (lease)voertuigen van Insa-IF door de verhuurder. In elk geval is aannemelijk gemaakt dat de hiervoor genoemde oorzaken gezamenlijk zijn aan te merken als een belangrijke andere oorzaak van het faillissement, omdat de verplichtingen van die (lease)voertuigen doorliepen terwijl zij deze niet meer kon gebruiken voor de bedrijfsvoering. De curator heeft ook niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat [appellant] deze oorzaken had kunnen voorkomen. 6.30 Overigens overweegt h Los daarvan valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom het vermeende blijven gebruiken van (lease)voertuigen van Insa-IF “voor de bedrijfsactiviteiten van Insa-IF”, is aan te merken als een belangrijke oorzaak van het faillissement. Voor het geval dat de curator bedoelt te stellen dat de vermiste voertuigen zijn ingezet voor Insa-IF, maar de daarmee gegenereerde opbrengsten buiten het vermogen van Insa-IF zijn gehouden, geldt dat de curator dit slechts ten aanzien van één voertuig concreet heeft gemaakt (waarbij het overigens niet gaat om een vermist voertuig). Het hof bespreekt die kwestie hierna onder 6.38 en 6.44. Het verwijt dat [appellant] voertuigen heeft verkocht, is slechts ten aanzien van twee voertuigen concreet gemaakt. Het gaat om de twee voertuigen die Insa-IF had geleased van ATL (opleggers met kenteken [kenteken 1] en [kenteken 2]). De curator verwijt [appellant] dat hij deze voertuigen heeft verkocht, omdat de voertuigen eigendom waren van ATL, en hij stelt bovendien dat de verkoopprijs van € 4.500,- per voertuig te laag was, omdat de werkelijke waarde € 8.000 tot € 18.000,- per voertuig was. [appellant] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens hem is sprake geweest van overname van de leasecontracten (contractsovername), en niet van verkoop van de voertuigen zelf, die immers geen eigendom waren van Insa-IF. Ook heeft [appellant] aangevoerd dat de prijs wordt beïnvloed door het totaal van de reeds betaalde leasetermijnen en het totaal van de restantverplichtingen om de eigendom te kunnen verwerven. Omdat de curator niet heeft gereageerd op dit gemotiveerde verweer (hoewel daarvoor voldoende gelegenheid bestond tijdens de mondelinge behandeling), wordt ook het verwijt van de curator ten aanzien van deze twee voertuigen verworpen. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat zelfs als de tegenprestatie die Insa-IF ontving te laag was, het niet gaat om substantiële bedragen. Ook daarom is niet aannemelijk dat de contractsovername mede een belangrijke oorzaak is van het faillissement. 6.35 Ten aanzien van onderdeel b. volstaat het hof met een verwijzing naar hetgeen hiervoor in het kader van de rekening-courantvordering is overwogen. Daaruit blijkt dat onvoldoende is onderbouwd dat [appellant] gelden aan Insa-IF heeft onttrokken via de rekening-courant. 6.36 De stelling dat [appellant] alle klanten van Insa-IF heeft overgeheveld naar de eenmanszaak en Rehaan B.V. ( onderdeel c. ), baseert de curator op de omstandigheid dat: (i) de eenmanszaak in 2020 bedragen heeft ontvangen van twee klanten van Insa-IF, namelijk Sluyter Logistics Rotterdam B.V. (hierna: Sluyter) en Rafa-Logistics B.V. (hierna: Rafa), (ii) de eenmanszaak en Rehaan B.V. in 2021 facturen richtten aan Sluyter en (iii) de eenmanszaak en Rehaan B.V. in 2021 transporten hebben uitgevoerd voor Sluyter. 6.37 Het hof stelt voorop dat omstandigheid (i) geen betrekking had op het overhevelen van klanten van Insa-IF naar de eenmanszaak. Zoals [appellant] heeft aangevoerd en de curator niet heeft betwist, heeft [appellant] vanwege een beslag op de bankrekening van Insa-IF, gelden van debiteuren van Insa-IF geïnd via de bankrekening van de eenmanszaak. Zoals de curator ook erkent, heeft [appellant] ook gelden terugbetaald aan Insa-IF. Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de rekening-courantvordering, volgt dat de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat de eenmanszaak méér heeft geïncasseerd dan zij heeft doorbetaald aan Insa-IF. Omstandigheid (i) heeft dus ‘slechts’ betrekking op het ‘omleggen’ van de geldstroom van Insa-IF. [appellant] heeft daarmee naar eigen zeggen gepoogd om Insa-IF te redden. Met de wijsheid van achteraf kan worden vastgesteld dat [appellant] zich beter had kunnen neerleggen bij de nijpende financiële positie waarin Insa-IF inmiddels was beland, omdat zijn handelwijze slechts heeft geleid tot uitstel van het faillissement. Maar wat daarvan ook zij, het hiervoor beschreven omleiden van de geldstr Naar het oordeel van het hof moeten deze ritten worden aangemerkt als werkzaamheden van Insa-IF, gelet op de door de curator overgelegde vervoersovereenkomst tussen Sluyter en Insa-IF van 3 juli 2020 en gelet op het feit dat deze ritten zijn uitgevoerd met een vrachtwagen van Insa-IF. Dit laatste volgt uit de vermelding van het kenteken [kenteken 3] op de facturen van de eenmanszaak; dat is het kenteken van een voertuig van Insa-IF. [appellant] heeft daar tegenin gebracht dat hij dat kenteken per abuis op de facturen heeft vermeld, maar hij heeft dat verweer niet voldoende gemotiveerd, mede gelet op het feit dat dit kenteken op elke factuur is vermeld; er is geen sprake van een eenmalige vergissing. Ook de omstandigheid dat de vrachtwagen met het kenteken [kenteken 3] op het terrein van Sluyter stond ([appellant] heeft dat tegenover de curator verklaard blijkens de e-mail van de advocaat van de curator van 18 februari 2021) maakt aannemelijk dat de ritten met die vrachtwagen zijn gereden. Het hof neemt daarom als vaststaand aan dat [appellant] de vrachtwagen van Insa-IF heeft ingezet om de ritten voor Sluyter te rijden. Naar het oordeel van het hof getuigt het door [appellant] als bestuurder van Insa-IF bewerkstelligen, althans toestaan dat door Insa-IF behaalde omzet wordt gefactureerd en geïncasseerd door de eenmanszaak, zonder doorbetaling (of schuldigverklaring)van het geïncasseerde aan Insa-IF, van onbehoorlijke taakvervulling en onrechtmatig handelen jegens de schuldeisers van Insa-IF. [appellant] treft een ernstig verwijt, omdat hij gelden die toekwamen aan Insa-IF, ten goede heeft laten komen aan zijn eenmanszaak. Daarmee heeft hij zijn eigen belang laten prevaleren boven dat van Insa-IF en haar crediteuren, hetgeen [appellant] ook moet hebben beseft. De curator stelt dus terecht dat [appellant] aansprakelijk is op grond van artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW. Ten aanzien van de daardoor door Insa-IF geleden schade overweegt het hof als volgt. 6.45 Voor de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure bestaat geen aanleiding, omdat het hof de schade in deze procedure kan begroten. In dit verband is van belang dat de curator heeft gesteld dat hij de transporten die Insa-IF na 8 februari 2021 voor Sluyter heeft gereden, al bij Sluyter heeft geïncasseerd. Dat betekent dat de schade is beperkt tot de door de eenmanszaak gefactureerde bedragen die betrekking hebben op de periode van 1 januari 2021 tot en met 7 februari 2021. Uit de overgelegde facturen volgt dat de eenmanszaak over die periode een totaalbedrag heeft gefactureerd van € 8.478,79 (exclusief btw). Het hof begroot de door Insa-IF geleden schade op dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2021 (de datum waarop de betaaltermijn van de laatste factuur is verstreken) en zal de vordering van de curator in zoverre toewijzen. 6.46 Voor het overige heeft de curator met zijn algemene verwijzing naar hetgeen in het kader van artikel 2:248 BW is aangevoerd, onvoldoende concreet gemaakt dat en waarom bepaalde gedragingen van [appellant] in zijn hoedanigheid van bestuurder van Insa-IF ernstig verwijtbaar zijn, of stuit de vordering af op grond van hetgeen hiervoor al is overwogen in het kader van artikel 2:248 BW. Daarom zal de vordering slechts tot het bedrag van € 8.478,79 (en de rente daarover) worden toegewezen, en voor het overige worden afgewezen. Opmerking verdient nog dat bij de door de curator gevorderde verklaringen voor recht geen belang bestaat, omdat geen verwijzing naar de schadestaatprocedure plaatsvindt. Verder wordt het beroep van [appellant] op matiging verworpen, omdat daarvoor geen aanleiding bestaat. 6.47 Het voorgaande betekent dat grief 4 in het principaal hoger beroep van [appellant] grotendeels slaagt, en dat grieven 1 en 2 in het incidenteel hoger beroep van de curator grotendeels falen. Conclusie, proceskosten en beslag(kosten) 6.48 Tot slot bespreekt het hof grief 5 in principaal hoger beroep, waarmee [appellant] opk