Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-11-11
ECLI:NL:GHDHA:2025:2669
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.351.572/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/688624 / KG ZA 24-1037 Arrest in kort geding van 11 november 2025 in de zaak van Linde Holdings Netherlands No. 3 B.V. , gevestigd in Schiedam, appellante, advocaat: mr. V.L. van den Berg, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen RusChemAlliance LLC , gevestigd in Kingisepp City (Russische Federatie), geïntimeerde, advocaat: mr. J. Ph. de Korte, kantoorhoudend in Amsterdam. Het hof noemt partijen hierna LHN3 en RCA. 1 De zaak in het kort 1.1 LHN3 heeft in dit kort geding tegen RCA diverse vorderingen ingesteld. Die vorderingen komen in de kern erop neer (1) dat RCA wereldwijd geen uitvoering mag geven aan de vonnissen die RCA in Rusland tegen LHN3 heeft verkregen en (2) dat RCA waar ook ter wereld geen gerechtelijke procedures meer mag voeren tegen LHN3. RCA meent dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om daarover te oordelen. 1.2 Evenals de voorzieningenrechter in eerste aanleg is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter in dit kort geding geen rechtsmacht toekomt. Het vonnis wordt daarom bekrachtigd. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 17 januari 2025, waarmee LHN3 in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 20 december 2024; het herstelexploot van LHN3 van 5 februari 2025; de memorie van grieven van LHN3, met bijlagen; de memorie van antwoord van RCA, met bijlagen; de producties 31A en 31B van LHN3 en de producties 18 tot en met 23 van RCA, welke producties partijen ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd. 2.2 Op 12 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 Linde GmbH is een directe en LHN3 een indirecte dochtervennootschap van Linde PLC, een wereldwijd opererend bedrijf op het gebied van industriële gassen en engineering. LHN3 is eigenaar van diverse (internationale) vermogensbestanddelen, waaronder Nederlandse bankrekeningen en deelnemingen in buitenlandse ondernemingen. 3.2 RCA is een ‘ special purpose vehicle’ naar Russisch recht, opgericht voor de verwezenlijking van een grootschalig complex voor de verwerking van ethaanhoudend gas in een gebied ten westen van Sint-Petersburg. Van dat complex maakt onder meer deel uit een fabriek voor vloeibaar gas (‘LNG Project’). 3.3 In september 2021 heeft een aannemersconsortium, bestaande uit onder andere Linde GmbH, ten behoeve van het LNG Project een contract gesloten met RCA. Voor de daaruit voortvloeiende verplichtingen van Linde GmbH heeft Linde PLC een ‘ parent company guarantee ’ (‘PCG’) afgegeven aan RCA. 3.4 Als gevolg van door de Europese Unie tegen de Russische Federatie afgekondigde sancties kon Linde GmbH vanaf 28 mei 2022 niet meer voldoen aan haar verplichtingen uit het LNG contract. Het aannemersconsortium heeft RCA hiervan op de hoogte gebracht en zijn verplichtingen opgeschort. Naar aanleiding daarvan is tussen RCA en het consortium, en vervolgens tussen RCA en Linde PLC een geschil ontstaan. 3.5 Op 18 maart 2024 is RCA bij de Russische rechtbank een procedure tegen Linde GmbH en Linde PLC gestart. Bij (tussen)vonnis van 14 juni 2024 heeft de Russische rechtbank RCA toegestaan om LHN3 als medegedaagde in de procedure te betrekken. 3.6 Op grond van het eindvonnis van de Russische rechtbank van 28 oktober 2024 heeft RCA op onder andere LHN3 een vordering van (omgerekend) meer dan één miljard euro verkregen. Dat vonnis is op 24 februari 2025 in hoger beroep bekrachtigd. Het daartegen door LHN3 en andere Linde-groepsvennootschappen ingestelde cassatieberoep is op 3 september 2025 verworpen. Ondertussen hebben LHN3 en andere groepsvennootschappen de Russische rechter op 14 augustus 2025 verzocht om herziening van 6 Beoordeling in hoger beroep Rechtsmacht op grond van art. 6, aanhef en sub e Rv? 6.1 LHN3 heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt omdat het hier gaat om een verbintenis uit onrechtmatige daad en het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich daar kan voordoen (art. 6, aanhef en sub e Rv). De onrechtmatige daad van RCA bestaat eruit dat zij LHN3 in een Russische procedure heeft betrokken, terwijl LHN3 feitelijk noch juridisch iets te maken heeft met het onderliggende geschil. LHN3 lijdt schade, of dreigt die te lijden, als RCA overgaat tot tenuitvoerlegging van het LNG eindvonnis of de LNG Freezing Order (hierna tezamen: de Russische vonnissen) en aldus ergens ter wereld verhaal neemt op de vermogensbestanddelen van LHN3. Omdat deze schade drukt op het vermogen van LHN3 als geheel, het centrum van de belangen van LHN3 in Nederland is gelegen en de schadelijke gevolgen van de onrechtmatige daad van RCA uiteindelijk dus in Nederland zullen intreden (‘ Erfolgsort’ ) komt de Nederlandse rechter bevoegdheid toe, aldus LHN3. LHN3 heeft zich daarbij beroepen op de Europese jurisprudentie bij art. 7, aanhef en sub 2 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I-bis), dat in de kern hetzelfde luidt als art. 6, aanhef en sub e Rv. 6.2 Dit betoog faalt. Of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt omdat Nederland de plaats is waar de gevolgen van het schadeveroorzakende feit intreden (‘ Erfolgsort’ ) hangt in de eerste plaats af van de vraag of Nederland ook de plaats is waar de beweerde schade zich concreet voordoet . Anders dan LHN3 heeft aangevoerd is het enkele risico op schade dus onvoldoende voor het op deze grond aannemen van rechtsmacht. Vast staat dat LHN3 ten gevolge van de Russische vonnissen geen (concrete) schade lijdt zolang die vonnissen niet ten uitvoer (kunnen) worden gelegd. De (wél concrete) kosten van rechtsbijstand die gemaakt zijn in de procedures in Rusland en Kazachstan vormen voor het bepalen van het Erfolgsort geen factor van betekenis, zoals LHN3 in hoger beroep ook naar voren heeft gebracht. Tegen de conclusie van de voorzieningenrechter dat die schadepost geen internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan opleveren omdat die schade zich niet in Nederland voordoet heeft zij dan ook terecht niet (kenbaar) gegriefd. 6.3 LHN3 heeft niet gesteld dat op dit moment sprake is van een concrete (dreiging van) tenuitvoerlegging van de Russische vonnissen. In Rusland zelf is dat, zoals LHN3 ter zitting heeft toegelicht, niet (meer) aan de orde, nog daargelaten dat in dat geval, zonder bijkomende omstandigheden nog geen rechtsmacht voor de Nederlandse rechter kan ontstaan . Het hof is evenmin gebleken van een concreet dreigende tenuitvoerlegging buiten Rusland. De Russische vonnissen zullen eerst moeten worden erkend door de (executierechter in de) staat binnen welke rechtssfeer de vermogensbestanddelen van LHN3 zijn gelegen alvorens RCA zich op die vermogensbestanddelen zou kunnen verhalen. Erkenning en tenuitvoerlegging van de Russische vonnissen in Nederland of elders binnen de EU liggen met het oog op Verordening (EU) nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2025/395 (hierna: Sanctieverordening), niet in de rede. Voor zover dat in het concrete geval al anders zou blijken te zijn, heeft te gelden dat LHN3 in een procedure tot erkenning verweer kan voeren en dat, indien de Russische vonnissen niettemin zouden worden erkend, de desbetreffende executiemaatregelen van RCA in dat geval in de desbetreffende rechtssfeer voor rechtmatig moeten worden gehouden, zodat een eventueel verbod in dit kort geding daaraan dus niet in de weg kan staan. LHN3 heeft binnen het bestek van dit kort geding evenmin voldoende aannemelijk gemaakt dat buiten de EU erkenning en tenuitvoerlegging van de Russische vonnissen dreigt. De door RCA verzochte tenuitvoerlegging in Kazachstan is in alle instanties afgewezen. 6.4 Ook het feit dat het bij LHN3 De stelling dat een gerechtelijke procedure buiten Nederland onmogelijk is vindt reeds haar weerlegging in het feit dat LHN3 haar belangen in meerdere instanties heeft kunnen verdedigen in gerechtelijke procedures voor zowel de Russische rechter als de rechter in Kazachstan, zodat de b-grond zich in elk geval niet voordoet. Dat LHN3 geen vertrouwen heeft in de Russische rechter omdat die uiteindelijk een oordeel in haar nadeel heeft gewezen is geen omstandigheid die moet leiden tot de conclusie dat het voeren van een procedure in Rusland onmogelijk is. 6.8 Voor een gegrond beroep op de c-grond moet sprake zijn van een situatie waarin voor het verkrijgen van een vonnis in een ander land dan Nederland een inspanning moet worden geleverd die niet kan worden gevergd. Uit de bewoordingen van en wetsgeschiedenis op art. 9, aanhef en sub c Rv blijkt dat het aannemen van rechtsmacht op deze grond slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn en deze bepaling dus restrictief moet worden uitgelegd. Het is dan aan de eisende partij om te stellen, en bij betwisting te bewijzen, (1) dat en waardoor sprake is van onaanvaardbaarheid om zich tot een buitenlandse rechter te wenden en (2) dat voldoende binding bestaat met de Nederlandse rechtssfeer. Het is met name niet de bedoeling dat met behulp van de c-grond alsnog de zelfstandige bevoegdheid van de rechter in de vestigingsplaats van de eisende partij ( forum actoris) in het leven wordt geroepen . Dat sprake is van een onaanvaardbaarheid zoals hiervoor bedoeld is door LHN3 onvoldoende onderbouwd, nog daargelaten dat een procedure in kort geding zich niet leent voor bewijslevering. In dit licht biedt de enkele omstandigheid dat LHN3, als onderdeel van een wereldwijd opererende onderneming, van de Russische rechter geen gunstige uitspraak verwacht, in een kort geding als het onderhavige, onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van rechtsmacht op deze grond. Rechtsmacht op grond van art. 11 bis Sanctieverordening? 6.9 LHN3 heeft verder aangevoerd dat de Nederlandse rechter bevoegdheid kan ontlenen aan de omstandigheid dat LHN3 schade lijdt als gevolg van een door RCA aangespannen procedure buiten de EU ter zake van een contractuele verplichting waaraan niet meer kon worden voldaan door de maatregelen uit hoofde van de Sanctieverordening, terwijl LHN3 geen doeltreffende toegang heeft tot de Russische rechter (art. 11 bis). LHN3 stelt zich op het standpunt dat ook het instellen van schadebeperkingen maatregelen, zoals gevorderd in dit kort geding, onder deze bepaling valt. Zij meent dat uit overweging 39 van Verordening (EU) 2025/395 volgt dat in zo’n geval rechtsmacht toekomt aan de rechter van de woon- of vestigingsplaats van de EU-onderdaan. 6.10 Dit betoog strandt eveneens. Het hof is van oordeel dat reeds uit de bewoordingen waarin art. 11 bis Sanctieverordening is gesteld, volgt dat dit artikel alleen ziet op verhaal van door de eisende partij zelf ten gevolge van de Sanctieverordening geleden schade. Ook uit overweging 39 van Verordening (EU) 2025/395 blijkt dat het ingevolge die verordening te bieden forum necessitatis slechts betrekking heeft op een op grond van art. 11 bis (of art. 11 ter) Sanctieverordening in te stellen “vordering tot schadevergoeding”. In het geval van LHN3 is van (een vordering tot) schadevergoeding of het nemen van verhaal voor geleden schade als gevolg van de Sanctieverordening echter geen sprake. Bij het uitblijven van (een concrete dreiging tot) tenuitvoerlegging van de Russische vonnissen kan van (de noodzaak tot) het nemen van schadebeperkende maatregelen dus ook geen sprake zijn. Rechtsmacht op andere gronden? 6.11 Ook op andere gronden kan voor de Nederlandse rechter in dit kort geding geen rechtsmacht worden aangenomen. Niet alleen kan in de toepasselijke nationale of EU-regelgeving geen aanknopingspunt worden gevonden voor het in dit kort geding aannemen van rechtsmacht door de Nederlandse rechter, ook staat reeds het bepaalde in art. 6