Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-02-04
ECLI:NL:GHDHA:2025:233
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Hoger beroep
6,431 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.306.639/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/594874 / HA ZA 20-598
arrest van 4 februari 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
De Herder B.V.,
gevestigd te Laren,
appellante,
verzoekster in het voorwaardelijk incident,
advocaat: mr. M. Kalkwiek te Utrecht,
tegen
Heinenoord Holding B.V.,
gevestigd te Den Haag,
geïntimeerde,
verweerster in het voorwaardelijk incident,
advocaat: mr. M.J. Elkhuizen te Amsterdam.
Het hof zal partijen hierna De Herder respectievelijk Heinenoord noemen.
1De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om de vraag of De Herder recht heeft op betaling van een ‘earn-out’, die tussen partijen is overeengekomen in het kader van de overname door Heinenoord van de aandelen die De Herder hield in de Vennootschappen (hierna gedefinieerd). Dit is een kwestie van uitleg van de earn-out bepaling in de koopovereenkomst. De rechtbank heeft Heinenoord gevolgd in haar uitleg en geoordeeld dat aan de voorwaarde voor betaling van de earn-out, de minimale omzetdrempel, niet is voldaan. Het door De Herder hiertegen ingestelde hoger beroep slaagt. Het hof volgt De Herder in de door haar voorgestane uitleg van de earn-out bepaling en wijst, anders dan de rechtbank, de vordering van De Herder tot betaling van de earn-out toe.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 8 februari 2022, waarmee De Herder in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 november 2021 (hierna: het vonnis);
het arrest van dit hof van 5 april 2022, waarbij een mondelinge behandeling is gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 7 juni 2022;
de memorie van grieven en voorwaardelijke eis ex artikel 843a Rv van De Herder, met producties;
de memorie van antwoord in incident ex artikel 843a Rv van Heinenoord;
de akte vermindering voorwaardelijke eis ex art. 843a Rv van De Herder;
de akte overlegging producties in het voorwaardelijk incident ex art. 843a Rv van De Herder;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in het incident. Deze heeft plaatsgevonden op 15 september 2023;
de memorie van antwoord van Heinenoord, met producties.
2.2
Op 26 november 2024 is de zaak mondeling voor het hof behandeld ter zitting. Partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Vervolgens is arrest gevraagd.
Feiten
3.1
De rechtbank is in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 van een aantal feiten uitgegaan. Met grief 1 klaagt De Herder dat de feitenweergave in het vonnis te beperkt is uiteengezet. De rechtbank was echter niet gehouden alle feiten te vermelden, reden waarom de grief faalt. Aangezien de voornoemde in het vonnis vastgestelde feiten verder niet zijn betwist, zal ook het hof deze feiten tot uitgangspunt nemen. Het gaat in deze zaak om het volgende:
3.2
De Herder en Heinenoord voeren beiden ondernemingen op het gebied van verzekeringen. Partijen zijn in 2017 met elkaar in contact gekomen over de mogelijke verkoop door De Herder aan Heinenoord van 100% van de geplaatste aandelen in Intermediate Holding B.V. (de "Transactie"). Intermediate Holding B.V. is op haar beurt enig aandeelhouder van Johanknegt Adviesgroep B.V. en van Honestas B.V. (deze drie vennootschappen tezamen hierna: de "Vennootschappen"). De Vennootschappen zijn actief op het gebied van bemiddeling in onder andere verzekeringen, pensioenen en hypotheken.
3.3
Op 5 juni 2018 zijn partijen een letter of intent overeengekomen ten aanzien van de voorgenomen Transactie. Partijen hebben vervolgens vanaf 15 oktober 2018 diverse concepten van de koopovereenkomst (de Share Purchase Agreement, hierna de "SPA") met elkaar gewisseld. Beide partijen werden tijdens de onderhandelingen bijgestaan door professionele adviseurs.
3.4
Naar aanleiding van diverse besprekingen waarin Heinenoord benadrukte dat zij een earn-out belangrijk vond, heeft De Herder in de concept SPA van 19 november 2018 voor het eerst een tekstvoorstel gedaan voor een earn-out bepaling (hierna de "Earn-Out bepaling"). Partijen hebben hierna verder onderhandeld over de tekst van de Earn-Out bepaling en de SPA. Op 13 december 2018 hebben zij de definitieve SPA getekend. De Earn-Out bepaling luidt daarin als volgt:
“2.3.1 Partijen komen overeen dat Koper uiterlijk op 1 juni 2020 een bedrag van EUR 500.000,- aan Verkoper is verschuldigd en zal betalen (de Earn-Out) tenzij uit de vastgestelde jaarrekeningen van de Vennootschappen over 2019 blijkt dat de omzet van de Vennootschappen over het jaar 2019 minder dan EUR 3.384.840,- bedraagt (inclusief omzet subagenten), of de omzet exclusief omzet subagenten over het jaar 2019 minder dan EUR 3.281.030,- bedraagt. Koper draagt er zorg voor dat de jaarrekeningen uiterlijk op 1 mei 2020 zijn vastgesteld.”
3.5
Op 12 mei 2020 stuurde Heinenoord een e-mail aan De Herder waarin zij schreef:
“Zoals je weet is destijds in de koopovereenkomst een earn out bepaling opgenomen, gebaseerd op de omzet over 2019. We zijn bezig met het opstellen van de jaarrekening (dit gebeurt door PKF Wallast).
De auditors zijn nu druk bezig met de afronding, maar 1 mei hebben ze niet gehaald en in dit kader verwacht ik rond 1 juni a.s. aan jou de jaarrekeningen van de vennootschappen te kunnen aanleveren. Ik stel voor om na afronding, ergens begin juni, een afspraak met elkaar te maken om dit en de jaarrekening verder te bespreken. Akkoord?”
3.6
De Herder heeft niet op deze e-mail gereageerd. Op 26 mei 2020 stuurde De Herder aan Heinenoord een e-mail waarin zij onder meer het volgende schreef:
“Inmiddels is bekend dat de jaarrekeningen over 2019 niet op 1 mei 2020 zijn vastgesteld. Dit brengt mee dat de voorwaarde waaronder de Earn-Out op 1 juni 2020 niet hoeft te worden betaald, niet meer kan worden vervuld. Tegen deze achtergrond stel ik vast dat de Earn-Out uiterlijk op 1 juni 2020 door Heinenoord aan De Herder moet worden voldaan.”
3.7
Heinenoord reageerde per e-mail van 28 mei 2020 waarin zij onder meer schreef
“Het enkele feit dat de jaarrekeningen niet uiterlijk zijn vastgesteld op 1 mei jl. zoals je in je mail aangeeft, kan naar onze mening niet leiden tot de conclusie dat de earn-out dan direct is verschuldigd. De vaststelling an sich van de jaarrekeningen op 1 mei jl. is immers naar onze mening geen expliciete voorwaarde voor de verschuldigdheid van de earn-out. Wel van belang in dit kader is immers of de omzet als benoemd in de SPA al dan niet wordt gehaald door de vennootschappen.”
3.8
De in de weken daarna tussen partijen gevoerde correspondentie heeft niet tot overeenstemming geleid, waarna De Herder op 16 juni 2020 tot dagvaarden is overgegaan.
3.9
Op 9 juli 2020 zijn de jaarrekeningen van de Vennootschappen over het jaar 2019 vastgesteld (hierna: de “Jaarrekeningen”). Heinenoord heeft deze op 10 juli 2020 aan De Herder toegezonden. Blijkens de Jaarrekeningen bedraagt de omzet van de Vennootschappen over 2019 € 3.261.836,-.
3.10
Op 15 juli 2020 liet De Herder per e-mail aan Heinenoord weten dat zij van mening is dat de Jaarrekeningen geen correct beeld van de Vennootschappen geven en verzocht zij Heinenoord een controleverklaring te laten opstellen. Heinenoord heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.
4Procedure bij de rechtbank
4.1
De Herder heeft Heinenoord gedagvaard en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Heinenoord te veroordelen tot betaling van € 500.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 juni 2020, de buitengerechtelijke kosten van € 4.275,- en de proceskosten, met rente en nakosten.
4.2
De rechtbank heeft de vordering van De Herder afgewezen. De rechtbank heeft daartoe (onder meer) overwogen dat de Earn-Out bepaling in de SPA zo moet worden uitgelegd dat Heinenoord de Earn-Out verschuldigd is, tenzij de ontbindende voorwaarde is vervuld dat uit de vastgestelde jaarrekeningen blijkt dat de Vennootschappen de omzetdrempel over het jaar 2019 niet hebben behaald, dat Heinenoord zich na l juni 2020 nog steeds op die ontbindende voorwaarde kon beroepen en dat uit de vastgestelde jaarrekeningen blijkt dat de omzet van de Vennootschappen over 2019 € 3.261.836,- bedroeg en de omzetdrempel dus niet is behaald. De Herder is in de proceskosten veroordeeld en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5Vorderingen in hoger beroep
5.1
De Herder is in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens is met het vonnis. Zij heeft acht grieven tegen het vonnis aangevoerd. De Herder vordert in hoger beroep dat het hof het vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad de vorderingen van De Herder alsnog toewijst, en Heinenoord veroordeelt tot terugbetaling van al hetgeen De Herder reeds heeft voldaan uit hoofde van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van Heinenoord in de proceskosten in beide instanties, met rente en nakosten.
5.2
De Herder heeft tevens een voorwaardelijke eis ex artikel 843a Rv ingesteld, onder de voorwaarde dat voor zover op haar enige bewijslast rust met betrekking tot de hoogte van de omzet van de Vennootschappen in 2019, Heinenoord wordt veroordeeld tot het verstrekken van de in 10.3 van de memorie van grieven opgesomde informatie op grond waarvan die omzet kan worden vastgesteld.
5.3
Heinenoord heeft het hof verzocht de op grond van artikel 843a Rv ingestelde vordering af te wijzen en het vonnis te bekrachtigen, met veroordeling uitvoerbaar bij voorraad van De Herder in de kosten van de procedure in hoger beroep en in het incident, met nakosten.
Beoordeling
6.1
Het hoger beroep gaat in de kern om de vraag of De Herder recht heeft op betaling van de Earn-Out, zoals in de SPA is overeengekomen. Dit is in de eerste plaats een vraag van uitleg van artikel 2.3.1 van de SPA.
6.2
Met grief 6 klaagt De Herder dat de rechtbank van een onjuiste uitleg van de Earn-Out bepaling is uitgegaan. Volgens De Herder moet artikel 2.3.1 van de SPA zo worden uitgelegd dat de ontbindende voorwaarde uiterlijk op 1 juni 2020 kon worden ingeroepen en daarom moest voorafgaand daaraan, op 1 mei 2020, de werkelijke hoogte van de omzet bekend zijn. Dit sluit aan bij de partijbedoelingen. Partijen hebben beoogd dat Heinenoord tot 1 mei 2020 de gelegenheid heeft om te controleren of de omzetdrempel is gehaald, en uiterlijk op 1 juni 2020 moet de Earn-Out worden betaald, tenzij is gebleken dat de omzetdrempel niet is gehaald. Deze partijbedoeling volgt ook uit de letterlijke tekst van artikel 2.3.1 van de SPA, nu ruim voor de uiterste betaaldatum van 1 juni 2020 bekend moet zijn of de ontbindende voorwaarde is vervuld, namelijk uiterlijk op 1 mei 2020 wanneer de jaarrekeningen over 2019 vastgesteld moeten zijn. Aan deze voorwaarde is niet voldaan en daarom faalt een eventueel beroep van Heinenoord op de ontbindende voorwaarde, aldus De Herder.
6.3
Deze grief slaagt. Redengevend hiervoor is het volgende.
6.4
Heinenoord en De Herder zijn professionele partijen. Zij hebben uitvoerig onderhandeld over de SPA en hebben zich in dat kader laten bijstaan door (juridische) adviseurs. Bij de uitleg van de SPA dient gezien deze omstandigheden groot gewicht te worden toegekend aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen. Dit is tussen partijen verder ook niet in geschil.
6.5
In artikel 2.3.1 van de SPA zijn partijen overeengekomen dat Heinenoord uiterlijk op 1 juni 2020 de Earn-Out van € 500.000,- aan De Herder verschuldigd is en zal betalen tenzij uit de vastgestelde jaarrekeningen over 2019 blijkt dat de omzet van de Vennootschappen over 2019 minder bedraagt dan het daarin genoemde bedrag (zie 3.4 hiervoor). De tweede zin van dit artikel bepaalt dat Heinenoord er zorg voor draagt dat de jaarrekeningen uiterlijk op 1 mei 2020 zijn vastgesteld.
6.6
Uit de bewoordingen van artikel 2.3.1 van de SPA (‘uiterlijk op 1 juni 2020’) volgt dat partijen met de datum van 1 juni 2020 een uiterste datum voor betaling van de Earn-Out zijn overeengekomen. Dit impliceert dat ruim vóór die datum duidelijk moest zijn of de ontbindende voorwaarde (de ‘tenzij’-bepaling dat de omzetdrempel niet is gehaald) was vervuld, zodat partijen daarover, zoals De Herder heeft gesteld, dan vóór 1 juni 2020 in discussie konden gaan. Dat dat de bedoeling van partijen was, blijkt ook uit de tweede zin van artikel 2.3.1 van de SPA waarin de verplichting van Heinenoord is opgenomen dat de jaarrekeningen uiterlijk op 1 mei 2020 zijn vastgesteld. In dit verband is van belang dat Heinenoord zelf heeft verklaard dat door partijen ook niet is gesproken over een mogelijk scenario dat de jaarrekeningen pas na 1 mei 2020 zouden zijn vastgesteld. Dit, in samenhang met de beide deadlines (1 mei en 1 juni 2020) in artikel 2.3.1 van de SPA, versterkt de conclusie dat partijen hebben beoogd dat de ontbindende voorwaarde uiterlijk op 1 juni 2020 kon worden ingeroepen op basis van cijfers die uiterlijk op 1 mei 2020 waren vastgesteld.
6.7
De door Heinenoord voorgestane uitleg dat zij zich ook ná 1 juni 2020 nog op de ontbindende voorwaarde kon beroepen indien de jaarrekeningen over 2019 eerst nadien zouden zijn vastgesteld, leidt tot de ongerijmdheid dat – niettegenstaande de in artikel 2.3.1 van de SPA opgenomen deadline van 1 juni 2020 voor betaling van de Earn-Out – pas na 1 juni 2020 vastgesteld wordt of Heinenoord de Earn-Out op 1 juni 2020 verschuldigd is. Een dergelijke uitleg ligt niet voor de hand omdat dit zou betekenen, zoals Heinenoord zelf ook ter zitting bij het hof heeft erkend, dat zij in een dergelijk geval al bij voorbaat tekortschiet in haar verplichting om de Earn-Out uiterlijk op 1 juni 2020 te betalen. Bovendien had het dan in de rede gelegen dat partijen afspraken hadden gemaakt over terugbetaling van een eventueel door Heinenoord reeds op 1 juni 2020 betaald bedrag indien partijen hadden beoogd dat de betalingsverbintenis na 1 juni 2020 alsnog door een geslaagd beroep op de ontbindende voorwaarde kon vervallen. Niet in geschil is dat hierover door partijen überhaupt niet is gesproken.
6.8
Heinenoord heeft nog aangevoerd dat De Herder nakoming (in rechte) had kunnen vorderen van de verplichting van Heinenoord om de jaarrekeningen over 2019 uiterlijk op 1 mei 2020 vast te stellen. Dit laat echter onverlet dat De Herder recht heeft op nakoming van de verplichting van Heinenoord tot betaling uiterlijk op 1 juni 2019 van de Earn-Out. Indien Heinenoord van deze verplichting bevrijd wilde zijn c.q. zij een beroep wilde doen op de ontbindende voorwaarde in artikel 2.3.1 van de SPA, lag het immers op haar weg om vóór 1 juni 2020 aan te tonen aan de hand van uiterlijk op 1 mei 2020 vastgestelde jaarrekeningen dat de vereiste minimale omzet over 2019 niet was gehaald. Dat heeft zij nagelaten, zodat de ontbindende voorwaarde niet in vervulling is gegaan.
6.9
Dit betekent dat De Herder aanspraak kan maken op betaling van de Earn-Out ingevolge artikel 2.3.1 van de SPA. De vordering van De Herder tot betaling van het bedrag van € 500.000,- (de Earn-Out) is dan ook in beginsel toewijsbaar.
6.10
Heinenoord heeft in eerste aanleg nog aangevoerd dat een beroep op artikel 2.3.1 van de SPA naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (ex artikel 6:248 lid 2 BW), indien en voor zover schending van de afspraak dat de jaarrekeningen uiterlijk 1 mei 2020 zouden zijn vastgesteld ertoe zou leiden dat de Earn-Out verschuldigd is terwijl de overeengekomen minimale omzet niet is gehaald. Heinenoord stelt daartoe dat de overschrijding van de termijn voor vaststelling van de jaarrekeningen gering is (circa 9 weken) en niet toerekenbaar omdat als gevolg van COVID-19 vertraging in interne processen is opgelopen. Ook is hierdoor helemaal geen schade geleden. Daarnaast stelt Heinenoord zich op het standpunt dat sprake is van een verkapt boetebeding. Een ‘boete’ van € 500.000,- is excessief en dient ook vanwege voornoemde feiten en omstandigheden gematigd te worden tot nihil, aldus Heinenoord.
6.11
De rechtbank is aan behandeling van deze verweren van Heinenoord niet toegekomen omdat de vordering van De Herder werd afgewezen. Het hof zal deze verweren op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep alsnog dienen te beoordelen.
6.12
Het hof verwerpt de stelling dat sprake zou zijn van een verkapt boetebeding. Een earn-out is onderdeel van de koopprijs en dus geen boete. Voor matiging is dan ook geen aanleiding. Ook het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW van Heinenoord slaagt niet. Het gaat om een bepaling in een commercieel contract, gesloten tussen professionele partijen die werden bijgestaan door adviseurs. Dat de jaarrekeningen 2019 niet tijdig zijn vastgesteld als gevolg van vertraging in de interne en externe processen door COVID-19, zoals Heinenoord stelt, acht het hof niet overtuigend gelet op het feit dat ook de jaarrekeningen 2018 niet tot stand zijn gekomen binnen de wettelijke termijn en blijkens de publicatiestukken pas op 17 juli 2020 zijn vastgesteld. Zonder de vastgestelde jaarrekeningen 2018 was het al niet mogelijk de jaarrekeningen 2019, die daarop voortbouwen en de vergelijkingscijfers over 2018 bevatten, vast te stellen.
Conclusie
6.21
De conclusie is dat het hoger beroep van De Herder slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis daarom vernietigen. De vordering van De Herder jegens Heinenoord tot betaling van de Earn-out van € 500.000,- zal alsnog worden toegewezen, met wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2020. Daarnaast zal Heinenoord worden veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 4.275,- en tot terugbetaling van al hetgeen De Herder reeds heeft voldaan uit hoofde van het vonnis waarvan beroep.
6.22
Heinenoord zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. De proceskosten in eerste aanleg worden aan de zijde van De Herder begroot op € 87,99 voor dagvaarding, € 4.131,- aan griffierecht en € 6.428,- aan salaris advocaat (2 punten à € 3.214,-, volgens het destijds geldende tarief VII). De proceskosten in hoger beroep worden begroot op € 108,26 voor dagvaarding, € 5.689,- aan griffierecht en € 15.858,- aan salaris advocaat (3 punten à tarief € 5.286,-). De proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep worden in totaal dus begroot op € 32.302,25. De proceskosten van het incident worden gecompenseerd. De nakosten zullen worden toegekend als hierna in het dictum bepaald.
Dictum
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 november 2021;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Heinenoord tot betaling aan De Herder van € 500.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2020;
veroordeelt Heinenoord tot betaling aan De Herder van de buitengerechtelijke kosten, begroot op € 4.275,-;
veroordeelt Heinenoord tot terugbetaling van al hetgeen De Herder heeft voldaan uit hoofde van het vonnis;
veroordeelt Heinenoord in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijde van De Herder tot op heden begroot op in totaal € 32.302,25 en op € 178,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 92,- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
bepaalt dat binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 92,-, na de datum van betekening, aan deze kostenveroordeling moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen tot aan de dag der algehele voldoening;
compenseert de proceskosten in het incident in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. de Heer, M.E. Honée en R.J. van Galen en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Beoordeling
De overschrijding van de termijn voor vaststelling van de jaarrekeningen 2019 is in het licht van het voorgaande dan ook aan Heinenoord toe te rekenen, zodat de gevolgen daarvan voor haar rekening dienen te blijven.
6.13
Ten overvloede overweegt het hof dat zelfs indien de uitleg van Heinenoord zou worden gevolgd en vast zou komen te staan dat de overeengekomen omzetdrempel niet is gehaald, Heinenoord ook overigens geen beroep toekomt op de vervulling van de voorwaarde omdat zij deze vervulling zelf heeft teweeggebracht (artikel 6:23 lid 2 BW). De Herder heeft onderbouwd gesteld dat omzet die aan de Vennootschappen had moeten toekomen, in het bijzonder de volmacht-omzet van Honestas B.V. vanaf medio 2019, alsmede omzet die door de Vennootschappen gerealiseerd had kunnen worden met door De Herder aangedragen nieuwe klanten (zoals, bijvoorbeeld, 7.500 polissen van de firma Be-Insured), door toedoen van Heinenoord niet aan de Vennootschappen is toegekomen. Ook hebben een gebrekkig personeelsbeleid en falende administratieve processen vanuit Heinenoord, naar De Herder onderbouwd heeft gesteld, een negatief effect gehad op de omzetontwikkeling van de Vennootschappen. Heinenoord is op al deze stellingen van De Herder in het geheel niet concreet ingegaan, laat staan dat zij deze gemotiveerd heeft betwist. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen, zodat voorbijgegaan kan worden aan de in dit verband door Heinenoord gedane (algemene) bewijsaanbiedingen. Op grond van hetgeen door De Herder naar voren is gebracht omtrent de negatieve impact hiervan op de omzetontwikkeling en gelet op het feit dat niet in geschil is dat de blijkens de vastgestelde jaarrekeningen gerealiseerde omzet met slechts 3% afwijkt van de omzetdrempel, kan worden aangenomen dat Heinenoord de vervulling van de ontbindende voorwaarde waaronder Heinenoord de Earn-Out niet hoeft te voldoen zelf heeft teweeggebracht. De redelijkheid en billijkheid verlangen in dit geval dat De Herder hiervan niet het nadeel ondervindt, zodat de (ontbindende) voorwaarde als niet vervuld geldt. Dit betekent dat ook grief 2 slaagt.
6.14
De conclusie van het voorgaande is dat de vordering van De Herder tot betaling van de Earn-Out van € 500.000,- zal worden toegewezen.
6.15
De Herder vordert over dit bedrag tevens de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW. Van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW is, anders dan De Herder betoogt, in het onderhavige geval – bij een (eenmalige) verkoop van aandelen in het kader van een bedrijfsovername – echter geen sprake. Het hof zal daarom de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het bedrag van € 500.000,- toewijzen met ingang van, zoals gevorderd, 1 juni 2020, de datum waarop Heinenoord in verzuim was ingevolge artikel 6:83 sub a BW.
6.16
De Herder vordert daarnaast buitengerechtelijke kosten, overeenkomstig de staffel in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (BIK) door De Herder begroot op € 4.275,-. Deze kosten zijn door Heinenoord niet betwist en komen gelet op de toegewezen hoofdsom als redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal deze vordering van De Herder dan ook toewijzen.
6.17
Het voorgaande brengt mee dat ook grief 8, waarin De Herder klaagt dat de rechtbank haar ten onrechte in de proceskosten heeft veroordeeld, slaagt. De vordering van De Herder om Heinenoord te veroordelen al hetgeen zij in dit verband aan Heinenoord heeft voldaan terug te betalen, is dan ook toewijsbaar.
6.18
De overige grieven tegen het vonnis kunnen, gelet op de voorgaande beoordeling, (bij gebrek aan belang) verder onbesproken blijven.
6.19
Het hof komt voorts aan behandeling van de voorwaardelijk incidentele vordering ex artikel 843a Rv niet toe, aangezien de voorwaarde waaronder deze is ingesteld niet is vervuld.
Bewijsaanbiedingen
6.20
Het hof komt (ook) verder aan bewijslevering niet toe, aangezien door partijen geen specifieke feiten of omstandigheden zijn gesteld die, indien bewezen, leiden tot een andere beslissing.