Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-10-28
ECLI:NL:GHDHA:2025:2263
Strafrecht
Hoger beroep
2,215 tokens
Inleiding
Rolnummer: 22-002306-24
Parketnummer: 10-156953-23
Datum uitspraak: 28 oktober 2025
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte schuldig verklaard aan het tenlastegelegde en is aan haar geen straf of maatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 20 april 2023 te Rotterdam, opzettelijk heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 17,9 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 3,7 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair
20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Partiële vrijspraak
Het hof acht op grond van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk verkopen van drugs, zodat de verdachte van dat deel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op of omstreeks 20 april 2023 te Rotterdam, opzettelijk heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 17,9 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 3,7 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden als vermeld in de pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het opzettelijk (in welke vorm van opzet dan ook) vervoeren dan wel aanwezig hebben van drugs.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Op donderdag 20 april 2023 kwam er om 20:07 uur bij de politie, eenheid Rotterdam, een anonieme melding binnen over een mogelijk drugstransport op de Doklaan in Rotterdam. Hierbij zou een zwarte Citroën C1 met kenteken [kenteken] betrokken zijn en de bestuurder zou een vrouw met krullend haar zijn.
Omstreeks 20.20 uur kwam het voertuig in beeld bij de politie. Meerdere agenten in burger hebben het voertuig, met het kenteken [kenteken] , gevolgd. In de omgeving van de [straat 1] maakte het voertuig een aantal bijzondere
manoeuvres en reed vervolgens de [straat 2] in.
De opsporingsambtenaren zagen dat het voertuig stopte ter hoogte van nummer [huisnummer] en zij zagen dat er een man in het voertuig stapte en plaats nam op de achterbank.
Zij zagen verder dat de man contact had met de bestuurster en na circa 1 minuut uitstapte en de woning van [huisnummer] betrad, alsmede dat het voertuig direct weer wegreed.
Na het geven van een stopteken en het aanspreken van de bestuurster, zijnde de verdachte, hebben opsporings-ambtenaren van haar om 20.58 uur de uitlevering van verdovende middelen gevorderd. Uiteindelijk hoorden zij dat de verdachte zei dat er zich verdovende middelen in een bruine rugzak op de bijrijdersstoel bevonden. In deze rugzak zaten meerdere zakjes met - naar de opsporings-ambtenaren vermoedden - verdovende middelen. De inhoud van de zakjes is bemonsterd en getest, waarna het bleek te gaan om cocaïne en MDMA.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij denkt dat [ex-vriend verdachte] (het hof begrijpt: haar ex-vriend) het in haar auto heeft neergelegd. Toen zij die avond in de auto een zakje zag, heeft zij het in de rugtas van haar dochtertje gedaan. Zij dacht wel dat het om drugs ging, die had zij vaker bij haar ex-vriend gezien. Verder heeft zij verklaard dat zij naar een man is gereden die zij kent en dat zij, nadat deze in de auto was gestapt, aan hem gevraagd heeft wat zij met die drugs moest doen.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte opnieuw verklaard dat zij, na het vinden van de zakjes, zich er van bewust was dat de drugs in haar auto lagen en dat zij vermoedt dat haar ex-vriend ze daar heeft neergelegd. De man die bij haar in de auto is gestapt is een kennis, die haar heeft aangeboden de drugs van haar aan te pakken. Zij heeft dat aanbod afgeslagen en is verder gereden, waarna de politie is gekomen. Zij heeft verklaard dat de situatie tijdens de rit hectisch voor haar is geweest. Haar ex-vriend probeerde haar telkens te bellen, zij had het gevoel dat zij werd gevolgd en werd ook nog gebeld door de wijkagent, die wilde weten waar zij was.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door mr. M.S. Lamboo, als voorzitter, mr. R.M. Bouritius en mr. R. Appels, leden, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 oktober 2025.
Mr. R. Appels is buiten staat dit arrest te ondertekenen.