Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-09-30
ECLI:NL:GHDHA:2025:2247
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/885 Uitspraak van 30 september 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 september 2024, nummer SGR 22/5110. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 1.571 (de naheffingsaanslag). 1.2. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.559; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.998; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden; bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 9 mei 2025. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 13, 18 en 19 augustus 2025. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 augustus 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 872 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Citroën C4 Cactus 1.2 PureTech Shine (de auto). De datum van eerste toelating is 1 augustus 2019. 2.2. In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam] (het taxatierapport). Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 26.700 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 13.510,50. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 8.094,66 in mindering gebracht in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op (afgerond) € 5.416. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 4.542 (CO2-uitstoot van 137 gr/km). 2.3. De Inspecteur heeft een bedrag van € 1.571 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 18 november 2020. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 28.525 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 16.503 (AutotelexPro (Marge)). DRZ heeft geen waardevermindering wegens schade toegepast, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto eveneens is bepaald op € 16.503 (afschrijving van 42,15%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 4.431 (CO2-uitstoot van 114 gr/km). De Inspecteur heeft een extra leeftijdskorting van € 120 toegekend. 2.4. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.559, waarbij de historische nieuwprijs van de auto is vastgesteld op € 28.655 en de handelsinkoopwaarde van de auto op € 16.503 (afschrijving van 42,41%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 4.431 (CO2-uitstoot van 114 gr/km) en de extra leeftijdskorting op € 120. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, Gesteld noch gebleken is dat eiser niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd. Betalings- en heffingsmodaliteiten 11. Eiser betoogt dat de bpm voor de registratie van de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt, omdat de Hoge Raad reeds anders geoordeeld heeft. [3] Voor het rentenadeel dat eiser stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient hij zich te wenden tot de civiele rechter. Gebreken taxatierapport/gebruik forfaitaire tabel 12. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het taxatierapport dusdanige (formele) gebreken toont dat dit niet kan dienen ter ondersteuning van de door eiser bepleite van belang zijnde waarden (zoals handelsinkoopwaarde en omvang van de schade e.d.). Eisers gemachtigde heeft ter zitting erkend dat het taxatierapport gebrekkig is en daarbij aangegeven dat hij zich daarop ook niet meer beroept. Eiser meent dat moet worden aangesloten bij de berekeningen/taxatie van verweerder, doch slechts in zoverre dat die nog moeten aangepast conform de door eiser in dat verband ingenomen stellingen en standpunten (over schade en CO2-uitstoot e.d.). 13. De rechtbank stelt vast dat het dus ervoor moet worden gehouden dat het taxatierapport dusdanig gebrekkig is dat dit niet kan dienen voor de waardevastelling(en). Daarmee vervalt in dit geval de mogelijkheid om gebruik te maken van de taxatiemethode, aangezien uit het DRZ-rapport niet kan worden opgemaakt volgt dat de auto niet meer dan normale gebruiksschade heeft en wel als zodanig voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst (zie artikel 10, achtste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992; hierna: de Wet bpm). Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt immers mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken.[4] Een waardevermindering door schade is een zodanig feit en eiser heeft afgezien van het taxatierapport geen bewijs bijgebracht. De rechtbank vermag echter niet in te zien waarom eiser alsdan zou zijn aangewezen op de forfaitaire tabel en niet zou mogen gebruikmaken van de koerslijstmethode, zoals bepleit door verweerder, nu de wet voor dat laatste niet een taxatierapport vereist. Schade en veranderingen aan auto voor registratie 14. Eiser stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat de bevindingen van DRZ met betrekking tot de schade aan de auto geen grondslag kunnen vormen voor de correctie van de verschuldigde bpm. Deze klacht behoeft geen behandeling, nu is vastgesteld dat eiser niet mag gebruikmaken van de taxatiemethode en de bevindingen van DRZ met betrekking tot de auto daardoor niet langer van belang zijn voor de beslechting van het geschil. Onafhankelijkheid DRZ 15. Eiser heeft gesteld dat DRZ geen onafhankelijke deskundige is en het DRZ-rapport daarom niet gebruikt kan worden bij de waardebepaling van de auto. Deze stelling behoeft evenmin behandeling, nu de bevindingen van DRZ niet langer relevant zijn voor het geschil. 72% van de schade 16. De stelling dat niet 72%, maar 100% van de reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht, faalt reeds nu niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van de registratie sprake was van schade aan de auto. Hetzelfde geldt voor de klacht over de door DRZ gehanteerde reparatietarieven. CO2-uitstoot/NEDC1/WLTP/NEDC2 17. Eiser heeft gesteld dat als gevolg van de overgang van de NEDC1-meetmethode naar de WLTP/NEDC2-meetmethode voor te importeren voertuigen met een datum eers Met andere woorden, de prijselasticiteit speelt een belangrijke rol. Hoewel de CO2-uitstoot als een vast gegeven kenmerk van het motorvoertuig moet worden beschouwd, is dit niet het enige kenmerk en staat het niet vast dat dit kenmerk bij de gemiddelde handelaar (of consument, die het motorvoertuig uiteindelijk koopt) doorslaggevend is bij de keuze voor het motorvoertuig.[7] Nu het algemeen geformuleerde standpunt van verweerder niet zonder meer kan worden gevolgd en verweerder geen nadere, steekhoudende onderbouwing van zijn standpunt heeft gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding om de door DRZ uit de koerslijst afgeleide handelsinkoopwaarde naar boven bij te stellen. 23. In dit geval komt daar nog bij dat de tekst van artikel 10, zevende lid, van de Wet bpm bij toepassing van de koerslijstmethode geen ruimte biedt voor correcties op de waarde die is vermeld in de koerslijst, indien de desbetreffende koerslijst niet in die correcties voorziet.[8] Extra leeftijdskorting en lager tussenliggend tarief 24. Verweerder heeft in de naheffingsaanslag al een leeftijdskorting toegekend. Eiser heeft dit ter zitting erkend en zijn grief dat dit hij recht heeft op een (hogere) leeftijdskorting laten vallen. Zijn algemene grief over toepassing van een lager tussenliggend tarief heeft eiser niet geconcretiseerd voor het onderhavige geval, zodat die grief moet falen. Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht 25. Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt.[9] In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.[10] Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.[11] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.[12] Eiser heeft de voor het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is. Wettelijke rente en griffierecht 26. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.[13] Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiser wordt uitbetaald. Conclusie 27. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. De naheffingsaanslag zal conform het meer subsidiaire standpunt van eiser worden verminderd tot € 2.551 -/- € 120 -/- € 872 = € 1.559. Immateriële schadevergoeding 28. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 30 augustus 2021 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 22 juli 2022. De uitspraak van de rechtbank is op 11 september 2024 gedaan. Dat is afgerond 37 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met 13 maanden is overschreden. 29. In dit geval hoeft evenwel geen vergoeding van immateriële schade worden toegekend, omdat het financiële belang van de procedure minder dan € 4.6. [13]HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3. [14]HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.9.6, en HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292, r.o. 2.3. [15]HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat het in r.o. 3.5 van dit arrest geformuleerde overgangsrecht uitsluitend betrekking heeft op de nieuwe rechtsregels uit r.o. 3.4.3 en 3.4.4 van het arrest. [16]Vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, r.o. 2.4.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of het juiste bedrag aan bpm is voldaan en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Belanghebbende bepleit voorts dat het cessieverbod in strijd is met het Unierecht. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop hij recht heeft. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale althans veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding. 4.3. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen 5.1.1. Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de Unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat de Rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld, is, aldus belanghebbende, sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht. 5.1.2. De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wier uitspraken respectievelijk hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). 5.1.3. Belanghebbende stelt dat het Hof niet bevoegd is om het Unierecht uit te leggen. Belanghebbende verwijst naar het hoofdstuk in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over het HvJ EU en naar diens rechtspraak, waaruit zou volgen dat uitsluitend de Unierechter bevoegd is het Unierecht uit te leggen. Dit standpunt van belanghebbende is juridisch niet juist. Het Hof is, net als de Rechtbank, gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw, verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren (HvJ EU 9 maart 1978, Simmenthal, ECLI:EU:C:1978:49, punt 4, en HvJ EU 5 juli 2016, Ognyanov, ECLI:EU:C:2016:514, punt 34). Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt het Hof zich en het is het Hof niet gebleken dat de Rechtbank dit niet heeft gedaan. Over hetgeen belanghebbende over de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen (Gerechtshof 5 juni 2024, ECL Het is op grond van de jurisprudentie van het HvJ EU de Inspecteur toegestaan om in een andere lidstaat dan Nederland geregistreerde personenauto’s aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen in gevallen waarin de auto’s hoofdzakelijk bestemd zijn voor duurzaam gebruik in Nederland of hier aldus feitelijk duurzaam worden gebruikt (HvJ EU 21 november 2013, C-302/12, ECLI:EU:C:2013:756). DRZ 5.6.1. Belanghebbende stelt dat de werknemers van DRZ ondeskundig zijn en dat daarom geen sprake kan zijn van een deugdelijk rapport van DRZ. 5.6.2. Het Hof overweegt dat geen enkele aanleiding bestaat voor de, door belanghebbende ingenomen en overigens geenszins geconcretiseerde, conclusie dat sprake is van – naar het Hof begrijpt uit de verklaring van belanghebbende – ondeskundigheid, vooringenomenheid, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheden. Bij aangiften bpm waarin gebruik wordt gemaakt van een individuele taxatie, kunnen de indieners worden uitgenodigd het voertuig op een van de locaties van DRZ (Soesterberg, Hoogeveen of Bleiswijk) te tonen. Op deze locaties kan een schouw onder optimale omstandigheden worden uitgevoerd, door middel van gekwalificeerd personeel van DRZ, goede verlichting en de beschikbaarheid van alle benodigde apparatuur en programmatuur. Niet gebleken is dat de Belastingdienst DRZ beïnvloedt of instrueert over de wijze van taxeren (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5796 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1818). Voorts staat het de Inspecteur vrij een deskundige naar zijn keuze in te schakelen. Het Hof ziet onder de gegeven omstandigheden dan ook geen reden om de medewerkers van DRZ op verzoek van belanghebbende te horen. 5.6.3. Belanghebbende stelt voorts dat geen wettelijke grondslag bestaat voor de controle door DRZ van de taxatiewaarde van een gebruikt voertuig. Het Hof verwerpt deze stelling gelet op artikel 10, lid 10, Wet bpm (tekst vanaf 1 juli 2020 t/m 1 januari 2022): “Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. Daarbij kan de vermindering, bedoeld in het tweede lid, worden verhoogd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b, en g. Voorts kan daarbij een termijn worden vastgesteld waarbinnen het motorrijtuig in ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden voor controle met het oog op een juiste vaststelling van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid.” De hiervoor geciteerde bepaling biedt voldoende wettelijke grondslag voor de controle. De tekst laat er ook geen twijfel over bestaan dat de regelgever wel degelijk de bevoegdheid heeft om desbetreffende maatregelen te treffen in de Uitvoeringsregeling bpm. Het Hof heeft geen reden eraan te twijfelen dat de controle door DRZ op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Of de aanbestedingsprocedure al dan niet juist is verlopen, is voor de onderhavige procedure niet van belang. 5.6.4. Het Hof is voorts van oordeel dat, anders dan belanghebbende meent, de controle geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het eigendomsrecht van belanghebbende. De voorwaarde om het voertuig zes werkdagen in ongewijzigde staat te laten is een geschikt en proportioneel middel om de doelstelling – het controleren van de afschrijving – te verwezenlijken. Deze voorwaarde tast het eigendomsrecht van belanghebbende niet aan. De bedoeling van de controle staat ook duidelijk omschreven in de uitnodiging om het voertuig te tonen. De hiertegen gerichte klacht ontbeert feitelijke grondslag. Schade-aftrek en bewijslastverdeling 5.7.1. Belanghebbende stelt dat 100% van de schade in aftrek moet worden toegelaten. Belanghebbende meent dat de aangifte dient te worden gevolgd en dat de daarin berekende handelsinkoopwaarde in beschadigde staat als uitgangspunt moet worden genomen. 5.7.2. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een v