Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-09-30
ECLI:NL:GHDHA:2025:2246
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/858 Uitspraak van 30 september 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 augustus 2024, nummer SGR 22/3987. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 18.560 (de naheffingsaanslag). 1.2. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiseres te vergoeden; draagt verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres; bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiseres.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 30 juni 2025. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 18, 19 en 25 augustus 2025. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 augustus 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 1.084 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Volkswagen Tiguan Allspace 2.0 TSI 4Motion Highline 7p (de auto). De datum van eerste toelating is 5 december 2019. 2.2. In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam kantoor] (het taxatierapport) van 28 april 2021. De auto is op 23 april 2021 beoordeeld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 59.702 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 30.715. Voorts zijn in het taxatierapport vermeld herstelkosten van € 24.598,30, een extra waardevermindering vanwege een afwijkend model en totaal-verlies USA (25%) van € 7.678,75 en een correctie in verband met acceptabele gebruikerssporen van € 500. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 1.750. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 37.018 (CO2-uitstoot van 243 gr/km). 2.3. In het taxatierapport is voorts vermeld: “HET ONDERHAVIGE OBJECT BETREFT EEN VOLKSWAGEN TIGUAN WELKE GEBOUWD IS VOOR DE AMERIKAANSE MARKT. HET VOERTUIG BEZIT EEN AFWIJKENDE MOTORISERING TEN OPZICHTE VAN EUROPESE EXEMPLAREN. DE TIGUAN ALLSPACE COMFORTLINE WERD IN EUROPA NIET NIEUW GELEVERD MET EEN 2.0 TSI 137 KW ALS MOTORISERING MET VOORWIELAANDRIJVING. DERHALVE WERD ER IN DE BASIS GEREKEND MET HET MODEL DAT ZO DICHT MOGELIJK IN DE BUURT KOMT VAN HET ONDERHAVIGE.” 2.4. De Inspecteur heeft een bedrag van € 18.560 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 18 mei 2021. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 59.702 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 32.462 (Xray (Marge)). DRZ heeft een waardevermindering weg Het hoorgesprek is op 7 april 2022 vanuit de zijde van de Belastingdienst niet doorgegaan. Vervolgens is eiseres op 8 en 14 april 2022 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 21 april 2022. De brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiseres gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek op 21 april 2022 via WebEx. Er is geen afmelding van de gemachtigde van eiseres ontvangen en hij heeft ook niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiseres. Van schending van de hoorplicht is dan ook geen sprake. Deskundigheid hertaxateur DRZ 12. Eiseres heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen. Waardevermindering wegens schade 13. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte schade had die door verweerder niet is onderkend. Met het rapport en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over aard en omvang van de gestelde schade. De bij het taxatierapport overgelegde foto’s tonen niet overtuigend aan dat sprake is van schade in tegenstelling tot gebruikssporen. Eiseres heeft ook niet dan wel onvoldoende geconcretiseerd welke beschadigingen volgens haar dan ten onrechte als normale gebruikssporen zijn aangemerkt. 14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het taxatierapport van eiseres – ook gezien de andere hiervóór onder 2. opgesomde redenen – niet kan dienen om de waarde van de auto te bepalen. 15. Verweerder voert in beroep verder terecht aan dat, nu de taxatierapporten van eiser en DRZ niet de staat van de auto weergeven ten tijde van de aangifte – de auto had immers een WOK-status en was dus in ieder geval niet geschikt om ermee op de openbare weg te mogen rijden, in welke staat een voertuig als regel niet voor Bpm-doeleinden mag worden getaxeerd – de vermindering van Bpm als gevolg van afschrijving in dit geval had moeten worden vastgesteld op basis van de forfaitaire tabel. Uit de bij het verweerschrift gevoegde berekening blijkt dat de op basis van de forfaitaire tabel berekende te betalen Bpm hoger uitkomt dan bij gebruik van de koerslijst. Verweerder is bij het opleggen van de naheffingsaanslag uit gegaan van het afschrijvingspercentage, dat volgt uit het afzetten van de handelsinkoopwaarde volgens de voor eiseres meest gunstige koerslijst tegen de historische nieuwprijs. De naheffingsaanslag is dan ook eerder te laag dan te hoog opgelegd, zodat voor een verdere matiging geen aanleiding bestaat. Alles wat eiseres heeft aangevoerd met betrekking tot de gehanteerde koerslijstmethode en de daarbij toegepaste koerslijsten, is daarom niet (meer) relevan Derhalve is bij de berekening van de verschuldigde Bpm terecht uitgegaan van de CO2-uitstoot zoals vermeld in het kentekenregister. Voor zover eiseres meent dat dat de RDW de CO2-uitstoot onjuist heeft berekend, heeft zij dit niet nader onderbouwd met een berekening. Ook indien eiseres stelt dat de Scandinavische methode zou zijn toegepast, geldt daarvoor hetzelfde; ook dat heeft eiseres niet nader geconcretiseerd of inzichtelijk gemaakt. De rechtbank daarom ook daarin geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de RDW bepaalde CO2-uitstoot. Als eiseres desondanks wil dat wordt uitgegaan van een aangepaste, lagere CO2-uitstoot, moet zij zich tot de RDW wenden met het verzoek de CO2-uitstoot aan te passen. Pas nadat RDW de CO2-uitstoot lager heeft vastgesteld, kan dat voor de heffing van de Bpm worden gevolgd. Historische nieuwprijs 21. Eiseres stelt verder nog dat verweerder uitgaat van een onjuiste (te lage) historische nieuwprijs omdat verweerder deze zelf hoger heeft berekend. Deze stelling ontbeert feitelijke grondslag en wordt daarom door de rechtbank verworpen. Eisereses stelling berust namelijk op de (onjuiste) veronderstelling dat de zogenoemde PGA-waarde (die door verweerder inderdaad op een hoger bedrag is berekend) hetzelfde is als de historische nieuwprijs. Dat is niet zo; het zijn verschillende waarden die niet 1-op-1 uitwisselbaar zijn. De door verweerder gehanteerde historische nieuwprijs komt overeen met die zoals door hem berekend. 22. Eiseres wijst ook nog erop dat uit de koerslijst van Autotelex volgt dat de CO2-uitstoot voor een gelijksoortig binnenlands voertuig, afkomstig uit Amerika, 159 gram/kilometer bedraagt. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat verweerder met betrekking tot die koerslijst, waarop eisereses aangifte is gebaseerd, erop heeft gewezen dat daarin een correctie is opgenomen voor maandaanpassing, kilometerstand, bijstelling markt- en dealersituatie en opties, en dat de optie 'zwart metallic' ontbreekt, alsmede op het feit dat Eurotax kennelijk geen onderscheid kan maken in pakketopties, fabrieksopties en losse opties. Dit terwijl andere koerslijsten dat wel kunnen en al deze opties ook een ander afschrijvingsregime hebben. Eiseres heeft dit alles niet, althans in ieder geval niet voldoende concreet betwist. Gelet daarop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat met het gebruik van de koerslijst Autotelex zou worden aangehaakt bij een referentieauto waarvan de eigenschappen en de kenmerken verder afstaan bij die van de auto dan bij gebruik van de door verweerder gebruikte koerslijst van XRay. Met het gebruik van die koerslijst is aldus sprake van een juiste toepassing van de koerslijstmethode. Het staat eiseres en verweerder immers wel vrij om ter bepaling van het afschrijvingspercentage binnen de gebruikte koerslijst een referentieauto te kiezen waarvan de eigenschappen en de kenmerken dichter aanleunen bij die van de auto.[2] Het staat eiseres daarbij echter niet vrij om de historische nieuwprijs die volgt uit de koerslijst te wijzigen door uit te gaan van een hogere CO2-uitstoot, zoals eiseres hier in wezen bepleit. Er moet immers van worden uitgegaan dat de variabelen die de koerslijst in aanmerking neemt, een samenhangend geheel vormen.[3] Dit betekent dat om het juiste afschrijvingspercentage als bedoeld in artikel 10, lid 2, Wet BPM te kunnen vaststellen, zowel de catalogusprijs als de handelsinkoopwaarde betrekking moeten hebben op dezelfde referentieauto[4]. Dit brengt daarom mee dat in dat kader de bruto-BPM ook wordt gebaseerd op die referentieauto. De door eiseres voorgestane afwijking van de historische nieuwprijs die volgt uit de koerslijst van Xray die verweerder heeft gehanteerd, is dan ook onjuist en niet toegestaan.[5] Extra leeftijdskorting en lager tussenliggend tarief 23. Verweerder heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag reeds rekening gehouden met een extra leeftijdskorting. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat is geconstateerd d De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[9] Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25). (…) [1] Vgl. Hof Amsterdam 20 september 2022, r.o. 5.1. t/m 5.4, ECLI:NL:GHAMS:2022:2760. [2]Vgl. Gerechtshof Amsterdam 16 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2364. [3]Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.3. [4]Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.3.4. [5]Vgl. Gerechtshof Den-Bosch 15 oktober 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3529. [6]vgl. EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579. [7]ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4. [8]ECLI:NL:GHARL:2023:8618, r.o. 4.6. [9]ECLI:NL:HR:2023:1526.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of het juiste bedrag aan bpm is voldaan en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Voorts is in geschil of de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Belanghebbende bepleit voorts dat het cessieverbod in strijd is met het Unierecht. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale althans veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding. 4.3. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Toepasselijkheid Unierecht 5.1.1. Tussen partijen is in geschil of het Unierecht van toepassing is. De auto is direct vanuit de Verenigde Staten in Nederland ingevoerd, zo blijkt ook uit de Amerikaanse inkoopfactuur die op naam van belanghebbende staat met een Nederlands adres. Met de auto is geen gebruik gemaakt van de weg in een andere lidstaat. De conclusie luidt dat de auto geen product van de Europese Unie is en daarom de bescherming van artikel 110 VWEU ontbeert. Dat de auto na de invoer door een Duitse keuringsinstantie in Nederland is gekeurd, doet hier niet aan af. 5.1.2. Gelet op het onder 5.1.1. gegeven oordeel behoeven de op het Unierecht gebaseerde grieven, zoals de plicht tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU, schending van artikel 110 VWEU, het vooraf heffen van griffierecht, de verenigbaarheid van het cessieverbod en de verzoeken om een veel hogere schadevergoeding en (integrale) proceskostenvergoeding, geen behandeling. CO2-uitstoot 5.2.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot. Belanghebbende verwijst naar het rapport van [naam] , taxateur, waarin wordt geconcludeerd dat de geregistreerde CO2-uitstoot niet juist is en dat de juiste CO2-uitstoot primair 159 gr/km en subsidiair 192 gr/km is. Volgens de taxateur is de auto technisch gelijkwaardig aan een Europees voertuig waarvoor, blijkens de Europese typegoedkeuring, een CO2-uitstoot van 159 gr/km is geregistreerd. De berekening volgens de Scandinavische method Met andere woorden: of de auto met de referentieauto’s concurreert. Hierbij worden alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, dus ook bijvoorbeeld slijtage en de aanwezigheid van opties. 5.2.8. De conclusie luidt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de CO2-uitstoot te hoog is vastgesteld. DRZ 5.3.1. Belanghebbende stelt dat de werknemers van DRZ ondeskundig zijn en dat daarom geen sprake kan zijn van een deugdelijk rapport van DRZ. 5.3.2. Het Hof overweegt dat geen enkele aanleiding bestaat voor de, door belanghebbende ingenomen en overigens geenszins geconcretiseerde, conclusie dat sprake is van – naar het Hof begrijpt uit de verklaring van belanghebbende – ondeskundigheid, vooringenomenheid, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheden. Bij aangiften bpm waarin gebruik wordt gemaakt van een individuele taxatie, kunnen de indieners worden uitgenodigd het voertuig op een van de locaties van DRZ (Soesterberg, Hoogeveen of Bleiswijk) te tonen. Op deze locaties kan een schouw onder optimale omstandigheden worden uitgevoerd, door middel van gekwalificeerd personeel van DRZ, goede verlichting en de beschikbaarheid van alle benodigde apparatuur en programmatuur. Niet gebleken is dat de Belastingdienst DRZ beïnvloedt of instrueert over de wijze van taxeren (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5796 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1818). Voorts staat het de Inspecteur vrij een deskundige naar zijn keuze in te schakelen. Het Hof ziet onder de gegeven omstandigheden dan ook geen reden om de medewerkers van DRZ op verzoek van belanghebbende te horen. 5.3.3. Belanghebbende stelt voorts dat geen wettelijke grondslag bestaat voor de controle door DRZ van de taxatiewaarde van een gebruikt voertuig. Het Hof verwerpt deze stelling gelet op artikel 10, lid 10, Wet bpm (tekst vanaf 1 juli 2020 t/m 1 januari 2022): “Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. Daarbij kan de vermindering, bedoeld in het tweede lid, worden verhoogd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b, en g. Voorts kan daarbij een termijn worden vastgesteld waarbinnen het motorrijtuig in ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden voor controle met het oog op een juiste vaststelling van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid.” De hiervoor geciteerde bepaling biedt voldoende wettelijke grondslag voor de controle. De tekst laat er ook geen twijfel over bestaan dat de regelgever wel degelijk de bevoegdheid heeft om desbetreffende maatregelen te treffen in de Uitvoeringsregeling bpm. Het Hof heeft geen reden eraan te twijfelen dat de controle door DRZ op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Of de aanbestedingsprocedure al dan niet juist is verlopen, is voor de onderhavige procedure niet van belang. 5.3.4. Het Hof is voorts van oordeel dat, anders dan belanghebbende meent, de controle geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het eigendomsrecht van belanghebbende. De voorwaarde om het voertuig zes werkdagen in ongewijzigde staat te laten is een geschikt en proportioneel middel om de doelstelling – het controleren van de afschrijving– te verwezenlijken. Deze voorwaarde tast het eigendomsrecht van belanghebbende niet aan. De bedoeling van de controle staat ook duidelijk omschreven in de uitnodiging om het voertuig te tonen. De hiertegen gerichte klacht ontbeert feitelijke grondslag. Waardevermindering wegens schade 5.4.1. Belanghebbende meent dat de aangifte dient te worden gevolgd en dat de daarin berekende handelsinkoopwaarde in beschadigde staat als uitgangspunt moet worden genomen. 5.4.2. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, en HR 17 j Bij de geschatte duur van de eigendom staat zeven maanden vermeld (‘7 months’). Voorts blijkt uit de gegevens van Carfax in het nader stuk van belanghebbende dat de auto op 2 juli 2020 is verkocht, waarbij ‘fleet/lease company’ staat vermeld. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat tussen de datum eerste toelating van de auto van 5 december 2019 is en 2 juli 2020 ongeveer zeven maanden is gelegen. De Inspecteur heeft belanghebbendes stelling onvoldoende betwist. Het Hof zal om die reden de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat verminderen met 10%. 5.6.3. Het Hof stelt de handelsinkoopwaarde gelet op het voorgaande vast op € 18.450 (€ 32.462 (XRay) - € 3.246 (10% ex-rental) - € 10.765 (schade DRZ)). Historische nieuwprijs 5.7.1. Ter zitting heeft de Inspecteur bevestigd dat voor de historische nieuwprijs kan worden aangesloten bij het standpunt van belanghebbende. De Inspecteur stelt evenwel dat de verschuldigde bpm eerder te laag dan te hoog is vastgesteld, omdat de verschuldigde bpm dient te worden berekend op basis van de forfaitaire tabel, nu de auto volgens de Inspecteur niet voorkomt op een koerslijst. 5.7.2. Het Hof volgt dit standpunt niet, gelet op het rapport van DRZ waarin de koerslijsten AutotelexPro (Marge) en XRay ook door DRZ geschikt zijn bevonden en het feit dat de Inspecteur de naheffingsaanslag op de koerslijst XRay heeft gebaseerd. Het Hof stelt de historische nieuwprijs derhalve conform belanghebbendes standpunt vast op € 95.737. Extra leeftijdskorting 5.8.1. Belanghebbende stelt dat de extra leeftijdskorting op € 493 moet worden gesteld, omdat de Inspecteur de extra leeftijdskorting in een bijlage van het verweerschrift in beroep op dit bedrag heeft vastgesteld. 5.8.2. Het Hof constateert uit eigen berekening dat in het onderhavig geval geen extra leeftijdskorting hoeft te worden toegekend. De Inspecteur heeft derhalve ten onrechte extra leeftijdskorting toegekend. Om die reden faalt belanghebbendes standpunt. Vertrouwensbeginsel 5.9.1. Belanghebbende stelt dat uit het e-mailbericht van 26 augustus 2021 van de Inspecteur (zie 2.7.) volgt dat de naheffingsaanslag op basis van de taxatiemethode zou worden opgelegd. De aanslag is derhalve ten onrechte op basis van de forfaitaire tabel opgelegd. Dit is in strijd met het vertrouwensbeginsel, aldus belanghebbende. 5.9.2. Nu de Inspecteur ter zitting heeft erkend dat de taxatiemethode moet worden gevolgd, behoeft het standpunt van belanghebbende geen nadere bespreking. Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur in het e-mailbericht heeft toegezegd het taxatierapport van belanghebbende te volgen, verwerpt het Hof deze stelling, omdat de Inspecteur hieromtrent in het e-mailbericht geen uitlatingen heeft gedaan. Conclusie naheffingsaanslag 5.10. Uitgaande van een (historische) bruto bpm van € 37.018 en een historische nieuwprijs van € 95.737 wordt de afschrijving op basis van de handelsinkoopwaarde van € 18.450 vastgesteld op 80,73%. De naheffingsaanslag wordt dientengevolge verminderd tot € 6.050. Slotsom 5.11. Het hoger beroep is gegrond. Proceskosten en griffierecht 6. Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten voor het bezwaar, beroep en het hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 2.914,50, berekend als volgt: € 647 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar: 1 punt bezwaarschrift à € 647 x 1 (gewicht van de zaak), € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep: 2 punten (1 punt beroepschrift, 1 punt zitting Rechtbank) à € 907 x 1 (gewicht van de zaak) en € 453,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep: 2 punten (1 punt hogerberoepschrift, 1 punt zitting) à € 907 x 0,25 (gewicht van de zaak). De hoogte van de proceskostenvergoeding in hoger beroep is bepaald op de voet van artikel 19a Wet bpm. De gemachti