Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-09-30
ECLI:NL:GHDHA:2025:2245
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-24/801 t/m BK-24/803 Uitspraak van 30 september 2025 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 juli 2024, nummers SGR 23/1732, 23/2355 en 23/2356. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende zijn drie naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd (de naheffingsaanslagen). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslagen bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 1.095 (3 x € 365). De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: verklaart de beroepen ongegrond; veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75; draagt verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van eenmaal € 559 geheven. De Inspecteur heeft verweer gevoerd bij nader stuk van 9 mei 2025. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 14 augustus 2025. De Inspecteur heeft een nader stuk ingediend, binnengekomen bij het Hof op 26 augustus 2025. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 augustus 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft ter zake van de inschrijving in het kentekenregister voor de hierna vermelde vier auto's afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie op aangifte bpm voldaan. 2.2. Auto 1 (BK24/801; SGR 23/1732) is een Hyundai Tucson 1.6 GDI Premium. Bij de vaststelling van de afschrijving is gebruik gemaakt van een taxatierapport beweerdelijk ondertekend door [naam 1] namens [naam kantoor 1] (het taxatierapport). De handelsinkoopwaarde is aan de hand van het taxatierapport en met inachtneming van een waardevermindering wegens schade van € 9.606 (99%), bepaald op € 5.000. De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 4.208. Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat van € 24.094, een waardevermindering wegens schade van € 2.157 (72% van € 2.996) en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 21.937. 2.3. Auto 2 (BK24/802; SGR 23/2355) is een Hyundai Tucson 1.6 GDI. Bij de vaststelling van de afschrijving is gebruik gemaakt van een taxatierapport ondertekend door [naam 2] namens [naam kantoor 2] (het taxatierapport). De handelsinkoopwaarde is aan de hand van het taxatierapport en met inachtneming van een waardevermindering wegens schade van € 9.615,47 (98%), bepaald op € 2.250. De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 5.677. Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat van € 24.106, een waardevermindering wegens schade van € 475 (72% van € 660) en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 23.631. 2.4. Auto 3 en auto 4 (BK-24/803; SGR 23/2356) zijn beide een Toyota Aygo 1.0 VVTi X-cite. Belanghebbende heeft voor beide auto’s de handelsinkoopwaarde aan de hand van de koerslijst Autotelex vastgesteld op € 10.214 en is hierbij uitgegaan van een CO2-uitstoot van 95 gr/km. De Inspecteur heeft één naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 3.474 voor auto 3 en auto 4. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat auto 3 De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. 14. Dat in de aangifte van een te hoge CO2-uitstoot is uitgegaan is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van een lagere uitstoot uit te gaan. Ook aan de stelling van eiseres ten aanzien van auto 1 dat verweerder van een onjuiste consumentennieuwprijs uitgaat, gaat de rechtbank voorbij. 15. De bewijslast voor een waardevermindering van de auto als gevolg van schade rust op eiseres. Ten aanzien van auto 3 en 4 geldt dat er geen sprake is van schade. Ten aanzien van de door eiseres gestelde schade aan auto 1 en 2 heeft zij verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangiften van auto 1 en 2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto's ten tijde van het doen van aangifte meer schade hadden dan door DRZ is onderkend. Met het rapport en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over aard en omvang van de gestelde schade. Eiseres heeft bovendien geen inkoopfacturen van de auto's overgelegd, terwijl dat wel een aan een taxatierapport gestelde eis is en een inkoopfactuur relevante informatie kan bevatten over de staat van de auto [5]. 16. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat niet 72%, maar 100% van de door DRZ vastgestelde reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht. Eiseres heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt zoals verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is daarvoor onvoldoende. 17. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiseres aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van strijd met het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid omdat eiseres wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een derde deskundige waarbij tal van voorwaarden gelden, terwijl voor de taxateur van DRZ die voorwaarden niet gelden. 18. Eiseres heeft gesteld dat de naheffingsaanslagen niet aan haar opgelegd hadden mogen worden omdat zij niet degene is op wier naam de kentekens worden gesteld. Deze stelling vindt geen steun in de feiten nu eiseres in de aangiften van de auto’s heeft aangekruist dat zij de kentekens voor zichzelf heeft aangevraagd. Overigens heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 11 april 2003 [6] reeds geoordeeld dat een naheffingsaanslag Bpm aan de importeur mag worden opgelegd. Verweerder heeft de naheffingsaanslagen dus aan eiseres kunnen en mogen opleggen. De uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017 [7] waarop eiseres zich beroept, leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak ziet immers op de zich hier niet voordoende situatie dat een naheffingsaanslag betrekking heeft op een maandaangifte voor meerdere auto's en geen verband meer kan worden gelegd tussen de op die aangifte betaalde Bpm en de individuele voertuigen waarop de aangifte betrekking heeft. 19. Eiseres heeft met betrekking tot auto 2 aangevoerd dat verweerder een te In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of het juiste bedrag aan bpm is voldaan en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Belanghebbende bepleit voorts dat het cessieverbod in strijd is met het Unierecht. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslagen dan wel vermindering van de naheffingsaanslagen. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale althans veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding. 4.3. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen 5.1.1. Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de Unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat de Rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), is, aldus belanghebbende, sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht. 5.1.2. De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wier uitspraken respectievelijk hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens overweging 13 heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het HvJ EU. 5.1.3. Belanghebbende stelt dat het Hof niet bevoegd is om het Unierecht uit te leggen. Belanghebbende verwijst naar het hoofdstuk in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over het HvJ EU en naar diens rechtspraak, waaruit zou volgen dat uitsluitend de Unierechter bevoegd is het Unierecht uit te leggen. Dit standpunt van belanghebbende is juridisch niet juist. Het Hof is, net als de Rechtbank, gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw, verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren (HvJ EU 9 maart 1978, Simmenthal, ECLI:EU:C:1978:49, punt 4, en HvJ EU 5 juli 2016, Ognyanov, ECLI:EU:C:2016:514, punt 34). Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt het Hof zich en het is het Hof niet gebleken dat de Rechtbank dit niet heeft gedaan. Over hetgeen belanghebbende over de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen (Hof Den Haag 5 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1638 en HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1918). Bevoegdheid tot naheffen (na het belastbare feit) 5.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, aangezien naheffing bij gebruikte auto’s die al in Nederland rijden niet mogelijk is, het Unierecht zich tegen naheffing bij uit andere lidstaten ingevoerde gebruikte auto’s verzet. Naheffen na het belastbaar feit is volgens belanghebbende in strijd met artikel 110 VWEU, omdat binn De auto’s dienen dus als nieuw te worden beschouwd en als zodanig in de heffing van bpm te worden betrokken. Het andersluidende standpunt van belanghebbende faalt. Schadeaftrek, bewijslastverdeling en beroep op interne compensatie 5.7.1. Belanghebbende stelt zich voor auto’s 1 en 2 op het standpunt dat 100% van de schade in aftrek moet worden toegelaten. Belanghebbende meent dat de aangiften dienen te worden gevolgd en dat de daarin berekende handelsinkoopwaarden in beschadigde staat als uitgangspunt moeten worden genomen. De Inspecteur voert om te beginnen aan dat beide taxatierapporten van belanghebbende niet kunnen dienen. Volgens de Inspecteur is [naam 1] , die het taxatierapport van auto 1 heeft ondertekend, geen taxateur. Deze naam staat ook onder een ander taxatierapport, dat onder de naam [naam kantoor 2] is opgesteld. De handtekening op het taxatierapport van auto 1 is van [naam 2] , die ook het taxatierapport van auto 2 heeft ondertekend. Er is geen inkoopfactuur overgelegd en de referentieauto’s zijn ongeschikt. Hoewel belanghebbende gelijk heeft dat de historische nieuwprijs van auto 1 te laag is vastgesteld, kan dit niet tot vermindering van de naheffingsaanslag leiden indien het beroep van de Inspecteur op interne compensatie slaagt. Niet in geschil is dat het taxatierapport van auto 2 is ondertekend door [naam 2] . De FIOD heeft over deze taxateur informatie verstrekt, waaruit blijkt dat deze taxateur gebruikmaakt van een identieke schadecalculatie voor geheel verschillende voertuigen, waaronder auto 2. De Inspecteur heeft deze informatie in hoger beroep ingebracht. Het schadebedrag is in de door de FIOD genoemde gevallen gelijk. Dit kan niet kloppen, aldus de Inspecteur. 5.7.2. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). De taxatierapporten van belanghebbende kunnen niet dienen, gelet op de door belanghebbende niet weersproken bezwaren die de Inspecteur tegen deze taxatierapporten heeft geuit (zie 5.7.1.). Ook inhoudelijk zijn beide taxatierapporten ondermaats. De foto’s zijn onduidelijk en na de verklaring van de Inspecteur over de (standaard) schadecalculaties twijfelt het Hof ernstig aan de juistheid daarvan. De gecalculeerde schade is niet op de foto’s te zien en DRZ heeft deze niet (volledig) aangetroffen. Partijen zijn het er, zij het ieder om een andere reden, over eens dat de rapporten van DRZ niet kunnen dienen. Het Hof ziet geen aanleiding voor een andere conclusie. Het voorgaande betekent, met en zonder eventuele interne compensatie voor auto 1, dat de naheffingsaanslagen eerder te laag dan te hoog zijn vastgesteld. 5.7.3. Het Hof komt gelet op het oordeel over de (taxatie)rapporten van partijen niet toe aan de overige standpunten die hiermee verband houden, zoals de vermeende onbevoegdheid van de Inspecteur om een voertuig op te roepen voor controle, de omvang van de schade, het aftrekpercentage en het beroep op interne compensatie. Ex-rental 5.8. Belanghebbende stelt dat de waarde in onbeschadigde staat moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857. Ter zitting is niet gebleken dat sprake is van een ex-rental. Er is dan ook geen aanleiding voor auto 1 of auto 2 uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Deze stelling faalt. Conclusie bpm 5.9. Voor de eventuele overige grieven die belanghebbende tegen de hoogte v Het Hof ziet geen aanleiding om de griffierechten toch te vergoeden. Het beroep dat belanghebbende doet op het Unierecht, kan haar niet baten. De voorwaarden in het arrest gelden voor zowel nationale als Unierechtelijke kwesties (gelijkwaardigheidsbeginsel) en maken het uitoefenen van de rechten die een belastingplichtige aan het Unierecht ontleent, niet uiterst moeilijk of onmogelijk (het doeltreffendheidsbeginsel). Verzoek vergoeding van (immateriële) schade 5.11.1. De Rechtbank heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld volgens de door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten. Er bestaat geen recht op een hogere vergoeding van immateriële schade. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan, anders dan belanghebbende stelt, niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.500 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd. Voor hoger beroep heeft te gelden dat de redelijke termijn, gelet op de uitspraakdatum per heden, nog niet is verstreken. 5.11.2. Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat drie keer een vergoeding wegens immateriële schade had moeten worden toegekend. Het Hof verwerpt dit standpunt. De zaken zijn in beroep gelijktijdig op zitting behandeld en gaan voor het grootste deel over dezelfde geschilpunten, namelijk het Unierecht en de vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht. De summier onderbouwde standpunten over de heffing van bpm lijken - althans voor de gemachtigde - bijzaak. 5.11.3. Voor zover belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een schadevergoeding omdat in strijd met het Unierecht is gehandeld, heeft zij de gestelde schade onvoldoende onderbouwd. Cessieverbod 5.12. Belanghebbende stelt tot slot dat het cessieverbod in strijd is met het Unierecht. Het Hof verwerpt dit standpunt (HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156). Slotsom 5.13. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten 6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, H.A.J. Kroon en S.E. Bandsma, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. De griffier, de voorzitter, T.S.K.L. Tjon A. van Dongen De beslissing is op 30 september 2025 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het