Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-09-25
ECLI:NL:GHDHA:2025:2240
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/772 Uitspraak van 25 september 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 juli 2024, nummer SGR 22/6803. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 9.265 (de naheffingsaanslag). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 7.619 en een proceskostenvergoeding van € 269 toegekend. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500; veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75; draagt de Staat op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiseres te vergoeden; draagt de Staat op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres; bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiseres.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 23 juni 2025 verweer gevoerd. Belanghebbende heeft ingediend een nader stuk (pleitnota), ingekomen bij het Hof op 17 juni 2025, en een nader stuk, ingekomen bij het Hof op 27 juni 2025. De Inspecteur heeft op 27 juni 2025, na een aan hem gericht verzoek daartoe van belanghebbende, nogmaals een aantal stukken die reeds onderdeel van het dossier uitmaakten ingediend (rapport onderzoek waardebepaling DRZ en foto’s in groot formaat). 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 juli 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 44 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Volkswagen Golf 2.0 TSI GTI (de auto). De auto betreft een automaat. 2.1.2. Het zogenoemde voertuigbeeld van de RDW vermeldt een CO2-uitstoot van de auto van 212 gr/km. 2.2. In de aangifte met dagtekening 22 juli 2020 is als datum eerste toelating 30 juni 2016 vermeld. Voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde heeft belanghebbende gebruikgemaakt van een expertiseverslag van [naam] (het taxatierapport), rapportdatum 22 juli 2020. Het taxatierapport vermeldt een kilometerstand van 106.044 kilometer en een CO2-uitstoot van de auto van 145 gr/km. In het taxatierapport is een oorspronkelijke catalogusprijs voor de auto vermeld van € 41.373. De handelswaarde in onbeschadigde staat is in het taxatierapport, aan de hand van drie referentievoertuigen onder aftrek van een “gangbare marge bij importvoertuigen” bepaald op € 13.577,67. In het taxatierapport is verder rekening gehouden met begrote schade van € 13.327,67 (bijna 98 % van de schadecalculatie van € 13.647,58). Vervolgens is de huidige inkoopwaarde (handelswaarde) na schade bepaald op € 250. Bij het in de aangifte opgenomen taxatierapport is tevens een kopie van een door Volkswagen opgesteld document gevoegd, genaamd “EG – Übereinstimmungsbescheinigung” (hierna: CVO). Het CVO vermeldt onder andere het “Fahrzeug-Identifizierungsnummer” (VIN-nummer) van de auto en de Het Unierecht geeft slechts richtlijnen waaraan door de lidstaten moet worden voldaan teneinde te garanderen dat de heffing van de lidstaten niet strijdig is met het Unierecht, daaronder begrepen artikel 110 VWEU (Vrij verkeer van goederen). Het doel van het Unierecht is te waarborgen dat het recht van de Unie in alle lidstaten uniform wordt toegepast, met tegelijkertijd het verhinderen van de toepassing van nationale wetgeving die inhoudelijk niet verenigbaar is met de strekking van materiële rechtsbepalingen uit het Unierecht. Het is vervolgens aan de lidstaten om daar invulling aan te geven, in de eigen nationale wetten en regelgeving. Dat heeft Nederland voor de heffing van de Bpm gedaan in – onder meer – de wet Bpm, welke ten grondslag ligt aan de heffing van de Bpm. Die wet dient dus wel het (hogere) Unierecht te respecteren, waarbij het Unierecht ervoor dient zorg te dragen dat de nationale regeling niet strijdig is met de bepalingen van het Unierecht. Dat maakt echter geenszins dat de nationale wet, in casu de Wet Bpm, zelf moet worden gezien als Unierecht. Dat is het niet; de Wet Bpm is en blijft een nationale wet en is géén Unierecht. Eiseresses stelling dat sprake is van een Unierechtelijke heffing is dus gebaseerd op een onjuist uitgangspunt en onjuist. 7. De Nederlandse wetgever heeft voor de heffing van Bpm voor de inschrijving in het kentekenregister van uit het buitenland ingevoerde gebruikte auto’s gekozen voor een systeem waarbij de Bpm wordt berekend en geheven op basis van een tabelsysteem, waarbij de belastingplichtige de mogelijkheid wordt geboden om tegen de uitkomst van de tabelberekening ‘tegenbewijs’ te leveren via de zogenoemde koerslijstmethode of de taxatiemethode. Via laatstgenoemde methoden kan de belastingplichtige aannemelijk maken dat dat ‘reguliere’ heffing (volgens de tabelmethode) te hoog is. Dat bewijs ligt echter bij eiseres; het is de belastingplichtige die wil afwijken van de tabelmethode en die daarbij aannemelijk moet maken dat (één van) de andere berekeningsmethoden voordeliger is. Verweerder heeft daarbij – hetgeen de gemachtigde van eiseres steevast miskent – geen enkele bewijslast; die kan uitgaan van de tabelmethode, ténzij de belastingplichtige aannemelijk maakt via één van de andere methoden dat de heffing minder moet bedragen. Dat alles is geheel in lijn met het Unierecht, zowel voor wat betreft het bieden van een tegenbewijsregeling om een te hoge heffing te voorkomen als voor wat betreft het leggen van de bewijslast daartoe bij de belastingplichtige, in casu eiseres, en níét bij verweerder. Prejudiciële vragen 8. De rechtbank overweegt vooraf dat zij niet verplicht is tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen. Deskundigheid hertaxateur DRZ 9. Eiseres heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen. Waardevermindering wegens schade 10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Naar het oordee Dit volgt ook niet uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder heeft eiseres bij brief van 25 maart 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiseres de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten, van welke gelegenheid eiseres geen gebruik heeft gemaakt. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd. Betalings-en heffingsmodaliteiten 16. Eiseres stelt dat de Bpm op de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt. De rechtbank verwijst daartoe naar rechtsoverweging 5.1 van ECLI:NL:GHDHA:2023:1592 (en de geciteerde rechtsoverweging 7 van de uitspraak van de rechtbank) en het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022. C02-uitstoot 17. Verweerder heeft onweersproken aangevoerd dat de RDW de C02-uitstoot heeft vastgesteld op 212 gram/km en dat daarvan is uitgegaan. Dat is naar het oordeel van de rechtbank juist en terecht. Eiseres is van mening dat de verweerder ten onrechte is uitgegaan van deze CO2-uitstoot omdat, volgens eiseres, soortgelijke binnenlandse voertuigen een lagere CO2-uitstoot hebben. Verweerder heeft erop gewezen dat de CO2-uitstoot is vastgesteld in overeenstemming met artikel 9, dertiende lid, van de Wet Bpm en artikel 6a Uitvoeringsregeling Bpm. Onder verwijzing naar het arrest van 3 april 2020 is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen beroep kan doen op de lagere CO2-uitstoot van de voertuigen waarop eiseres doelt. In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat bij de registratie van andere personenauto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering een lagere CO2-uitstoot in aanmerking is genomen, niet betekent dat artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is geschonden en dat met de verwijzing naar de verschillen in CO2-uitstoot bij overigens vergelijkbare personenauto’s niet wordt aangetoond dat te veel Bpm in aanmerking is genomen. Derhalve is bij de berekening van de verschuldigde Bpm terecht uitgegaan van de CO2-uitstoot zoals vermeld in het kentekenregister. Voor zover eiseres meent dat dat de RDW de CO2-uitstoot onjuist heeft berekend, heeft zij dit niet nader onderbouwd met een berekening. Ook indien eiseres stelt dat de Scandinavische methode zou zijn toegepast, geldt daarvoor hetzelfde; ook dat heeft eiseres niet nader geconcretiseerd of inzichtelijk gemaakt. De rechtbank daarom ook daarin geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de RDW bepaalde CO2-uitstoot. Extra leeftijdskorting en lager tussenliggend tarief 18. Eiseres heeft slechts in zijn algemeenheid gesteld dat er wellicht reden bestaat voor toepassing van extra leeftijdskorting. Zij heeft echter, tegenover de weerspreking door verweerder, geen berekeningen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat er extra leeftijdskorting moet worden toegepast. Ook anderszins is dit de rechtbank niet gebleken. In het beroepschrift is weliswaar een kopje “Leeftijdskorting/bewijslastverdeling/lager tussenliggend tarief” opgenomen, maar enige concretisering daarvan ontbreekt. Toepassing artikel 16a Wet Bpm? 19. Eiseres stelt dat mogelijk nog niet is uitgegaan van het gunstigste tarief. Zij heeft echter, tegenover de weerspreking door verweerder, geen berekeningen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat er extra leeftijdskorting moet worden toegepast. De omstandigheid dat verweerder in de bezwaarfase ambtshalve heeft onderzocht of er een gunstiger tarief dient te worden toegepast, leidt verder niet tot een gegrond beroep. Werkelijke proceskosten 20. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 20236 Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25). Nu het recht op proceskostenvergoeding enkel voortvloeit uit de overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase, dient ook de proceskostenvergoeding (net als het griffierecht) te worden betaald door de Staat. [1] ECLI:NL:HR:2020:331. [2] vgl. EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579. [3] ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4. [4] ECLI:NL:GHARL:2023:8618, r.o. 4.6. [5] ECLI:NL:GHDHA:2023:1451. [6] ECLI:NL:HR:2023:1526.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of het juiste bedrag aan bpm is voldaan en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de schadevergoeding op een te laag bedrag is vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale althans veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding. 4.3. De Inspecteur concludeert uiteindelijk tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de naheffingsaanslag, tot vermindering van de naheffingsaanslag naar primair € 5.017 (verschuldigde bpm ad € 5.061 minus op aangifte reeds voldaan ad € 44) en subsidiair € 4.620 (verschuldigde bpm ad € 4.664 minus op aangifte voldaan ad € 44) en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank voor het overige. Beoordeling van het hoger beroep Op de zaak betrekking hebbende stukken ex artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (Awb) 5.1.1. Belanghebbende stelt in haar nader stuk in hoger beroep van 17 juni 2025 (pleitnota) dat de Inspecteur een afschrift van het Litouwse kenteken van de auto had dienen te overleggen maar dit heeft nagelaten, terwijl uit e-mailcorrespondentie tussen twee personen van de Belastingdienst blijkt dat de Inspecteur dit wel zou kunnen overleggen en verzoekt het Hof de Inspecteur te gelasten een afschrift hiervan te overleggen. 5.1.2. Uit de stukken en hetgeen ter zitting van het Hof is besproken volgt dat de Inspecteur het door belanghebbende bedoelde stuk niet heeft ontvangen (zie ook 2.7) en niet tot zijn beschikking had. Dit is dus niet een stuk dat met toepassing van artikel 8:42 Awb door de Inspecteur aan het Hof gezonden had behoeven te worden. Indien belanghebbende dit stuk dienstig achtte ter onderbouwing van haar stellingen, had het op de weg van belanghebbende gelegen dit stuk bij de RDW op te vragen. 5.1.3. Deze stellingname faalt derhalve. Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen 5.2.1. Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de Unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat de Rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europe De toepassing van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan de belasting die op gelijksoortige binnenlandse auto's drukt. Bovendien is de wettelijke regeling – voor zover al sprake is van een belemmering – gerechtvaardigd, proportioneel en geschikt om de doelstelling te verwezenlijken. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel 5.5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden en verbindt daaraan de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Gelijk de Rechtbank in overweging 15 van haar uitspraak heeft overwogen, is belanghebbende vóór het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld haar standpunt kenbaar te maken (zie 2.4) en heeft zij van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. De Inspecteur was niet gehouden belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek alvorens de naheffingsaanslag op te leggen (HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467 en HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393). Dit standpunt faalt. Artikel 110 VWEU 5.6.1. Belanghebbende stelt dat sprake is van strijd met artikel 110 van het VWEU, omdat het voldoen van bpm voor een gebruikt geïmporteerd voertuig leidt tot discriminatie in de zin van voornoemd artikel. Deze stelling van belanghebbende, wordt verworpen. 5.6.2. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een situatie waarin op reeds geregistreerde gebruikte auto’s een lagere belasting drukt dan op de onderhavige geïmporteerde gebruikte auto. Het is op grond van de jurisprudentie van het HvJ EU de Inspecteur toegestaan om in een andere lidstaat dan Nederland geregistreerde personenauto’s aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen in gevallen waarin de auto’s hoofdzakelijk bestemd zijn voor duurzaam gebruik in Nederland of hier aldus feitelijk duurzaam worden gebruikt (HvJ EU 21 november 2013, C-302/12, ECLI:EU:C:2013:756). CO2-uitstoot 5.7.1. Uit artikel 9, lid 13, Wet bpm jo. artikel 6a, lid 2, onderdeel d, Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Uitvoeringsregeling) volgt dat de uitstoot in laatste instantie kan worden berekend volgens de Scandinavische rekenmethode. Deze methode is van toepassing als de uitstoot van de ingevoerde auto niet blijkt uit een EU-typegoedkeuring, een certificaat van overeenstemming (CVO) of een individuele, volgens de voorschriften uitgevoerde test. 5.7.2. Bij de aangifte heeft belanghebbende een CVO gevoegd, waaruit een gecombineerde CO2-uitstoot blijkt van 145 gram/km (zie 2.2). De Inspecteur betwist dat dit CVO kan worden gebruikt, omdat de auto in Mexico is geproduceerd en via Litouwen in Nederland is ingevoerd. 5.7.3. De bewijslast dat de CO2-uitstoot te hoog is vastgesteld rust op belanghebbende. Anders dan de Inspecteur betoogt, acht het Hof het CVO wel bruikbaar. Het VIN op het CVO hoort bij de auto en de fabrikant verklaart dat de auto aan alle technische specificaties voldoet van een bepaald type voertuig waarvan de gecombineerde CO2-uitstoot 145 gr/km bedraagt. De Inspecteur heeft zijn standpunt dat het CVO desalniettemin niet bruikbaar zou zijn, niet nader toegelicht. Het Hof gaat ervan uit dat de fabrikant de meeste kennis van de door hem geproduceerde voertuigen heeft en niet zomaar een CVO afgeeft als dit niet klopt. Dat de auto in Mexico zou zijn geproduceerd, staat niet zonder meer aan de juistheid van het CVO in de weg. 5.7.4. Het Hof zal de naheffingsaanslag dan ook verminderen naar één op basis van een uitstoot van 145 gr/km. Aan de overige standpunten over de CO2-uitstoot komt het Hof niet toe. Ex-rental 5.8. Belanghebbende stelt dat de waarde in onbeschadigde staat moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet Voor de bpm geldt als belangrijkste uitgangspunt dat artikel 110 VWEU een hogere belasting op uit andere lidstaten afkomstige gelijksoortige goederen verbiedt. Voor zover het om procedurele en formele regels gaat, zijn de lidstaten vrij deze zelf te bepalen; het Unierecht voorziet niet in een stelsel van heffing en inning van nationale belastingen of in effectieve rechtsbescherming. Het is vaste jurisprudentie dat regels van formeel en procedureel recht moeten voldoen aan twee beginselen: het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. 5.11.3. Zo is aan het HvJ EU de vraag voorgelegd of een nationale regeling die de volgende kenmerken bevat, in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel (HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:565, punten 70 tot en met 78): - ten eerste de regel dat, op dat gebied, de ontvankelijkheid van een verzoek in kort geding of een beroep afhangt van betaling, door de justitiabele, van vaste griffierechten, zodat dat verzoek of beroep slechts kan worden behandeld nadat die rechten zijn voldaan; - ten tweede de regel dat, op dat gebied, voor een verzoek in kort geding dat met een beroep ten gronde wordt ingediend een specifiek vast griffierecht moet worden voldaan; en - ten derde de regel dat, op dat gebied, de vaste griffierechten niet bij administratief besluit worden opgelegd, zodat tegen die griffierechten niet kan worden opgekomen bij een gerecht met volledige rechtsmacht. 5.11.4. Het HvJ EU besliste dat deze nationale regeling niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Voor de Nederlandse regeling geldt dat deze van toepassing is in alle zaken, wat een verschil is met de aan het HvJ EU voorgelegde regeling en maakt dat van schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel in Nederland ook geen sprake is. Uit het eerdere arrest van het HvJ EU van 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:655, punten 43 tot en met 45, kon reeds worden afgeleid dat betaling van het griffierecht bij het instellen van het beroep geen schending vormt van het doeltreffendheidsbeginsel, omdat dit de toegang tot de rechter niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. Niet kan worden gezegd dat de hoogte van het griffierecht in het onderhavige geval een belemmering voor belanghebbende vormt. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Er bestaat evenmin aanleiding om rente te vergoeden over de periode tussen de betaling en de uitspraak. Vooraf heffen is immers niet in strijd met een hogere rechtsorde. Kostenvergoeding in bezwaar 5.12.1. Belanghebbende heeft in haar nadere stuk in hoger beroep van 17 juni 2025 om een hogere proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase verzocht. Belanghebbende verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060. 5.12.2. Belanghebbende stelt zich terecht op het standpunt dat zij recht heeft op een hogere vergoeding voor de bezwaarfase. Het Hof zal dit bij de berekening van de proceskostenvergoeding onder 6.1 verwerken. Kostenvergoeding in beroep 5.13. Nu het hoger beroep inhoudelijk gegrond is, zal het Hof de proceskostenvergoeding opnieuw vaststellen. Verzoek vergoeding van (immateriële) schade 5.14.1. De Rechtbank heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld volgens de door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten. Dit betekent dat geen recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klage