Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-09-25
ECLI:NL:GHDHA:2025:2239
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/2 Uitspraak van 25 september 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 november 2024, nummer SGR 23/7074. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag opgelegd ter zake van het parkeren van een personenauto met het kenteken [kenteken] (het voertuig) op 11 mei 2023 om 9:40 uur op de [straat] in [woonplaats] (de naheffingsaanslag). Het bedrag van de naheffingsaanslag is € 75,40 (€ 2,50 belasting en € 72,90 kosten van het opleggen van de naheffingsaanslag). 1.2. De Heffingsambtenaar heeft het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft bij nader stuk van 14 maart 2025 verweer gevoerd. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 31 juli 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Lokale regelgeving 2.1. De raad van de gemeente Den Haag heeft in zijn openbare vergadering van 9 februari 2022 de Verordening parkeerbelastingen 2022 (oorspronkelijke versie gepubliceerd op de website overheid.nl en vastgesteld in de openbare vergadering van 4 november 2021) gewijzigd en (nader) vastgesteld (de Verordening). De wijziging van de Verordening is op 24 februari 2022 gepubliceerd in het Gemeenteblad 2022, nr. 83110, en in werking getreden op 1 april 2022. In artikel 5.11 van de Verordening is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders nadere regels kan stellen met betrekking tot de heffing en invordering van de parkeerbelastingen. 2.2. De onder 2.1 bedoelde nadere regels zijn (onder meer) gesteld in de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 (geldend van 1 mei 2023 tot en met 31 mei 2025), gepubliceerd op de website overheid.nl en laatstelijk gewijzigd per 1 mei 2023 bij besluit van 28 maart 2023, gepubliceerd in het Gemeenteblad 2023, nr. 144594 (de Regeling). De Regeling luidt, voor zover van belang, als volgt: “Hoofdstuk 4 Parkeervergunningen Paragraaf 4.1 Algemene bepalingen (…) Artikel 4.1.5 Algemene regels gebruik parkeervergunning 1. Parkeren in strijd met de voorschriften van de parkeervergunning wordt beschouwd als parkeren zonder parkeervergunning. (…) 4. Een niet op kenteken verleende parkeervergunning is geldig vanaf het tijdstip waarop de vergunninghouder het kenteken van het geparkeerde motorvoertuig heeft aangemeld en de vergunninghouder een bevestiging van de aanmelding heeft ontvangen. Het aanmelden kan via de mobiele applicatie, de website of de telefoon. (…) 6. De vergunninghouder draagt er zelf zorg voor dat de parkeeractie wordt afgemeld. (…) (…) Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 6.1 Hardheidsclausule Het college kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang van deze regeling leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.” Feiten 3.1. Belanghebbende heeft het voertuig op donderdag 11 mei 2023 om 8.30 uur geparkeerd op de locatie [straat] te [woonplaats] . 3.2. Op de onder 3.1 genoemde datum om 9:40 uur is geconstateerd dat het voertuig stond geparkeerd op de onder 3.1 genoemde locatie, zonder dat de ter plaatse verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Deze locatie is door het college van burgemees Het verlenen van coulance is een discretionaire bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders, de rechtbank heeft die bevoegdheid niet en kan ook het college van burgemeester en wethouders niet opdragen van die discretionaire bevoegdheid gebruik te maken. 8. Het verzoek om teruggave van de te veel afgeschreven uren van de bezoekersvergunning kan niet worden ingewilligd omdat alleen de opgelegde naheffingsaanslag in deze procedure in geschil is. Overigens wijst de rechtbank eiser erop dat het mogelijk is om bij het aanmelden van een kenteken voor de bezoekersvergunning van de gemeente Den Haag zelf de begintijd en eindtijd van de aanmelding te kiezen. 9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. [1] Vgl. Hoge Raad 17 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3336.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 5.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Heffingsambtenaar bevestigend. 5.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag. 5.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep 6.1. Belanghebbende stelt dat sprake is van een eenmalig foutje. De mobiele applicatie meldt het kenteken niet automatisch af, waardoor op momenten voorafgaand aan de bewuste parkeeractie van 11 mei 2023 bij parkeren na 14.00 uur regelmatig te veel tegoed is afgeschreven. Voorheen meldde de mobiele applicatie het kenteken na 14.00 uur wel automatisch af. Hierdoor zijn, bij eerdere parkeeracties, minimaal 20 uren ten onrechte betaald. Dit is voor belanghebbende reden om, in het geval hij voorafgaand aan het tijdstip van 9.00 uur (het tijdstip waarop betaald parkeren ingaat ter plaatse) zijn auto parkeert, niet eerder dan om 9.00 uur de mobiele applicatie te activeren. Op de bewuste datum 11 mei 2023 heeft belanghebbende ook om 9.00 uur de mobiele applicatie willen activeren, maar is hij, zo stelt hij, vergeten daarvoor zijn wekker te zetten en heeft hij de mobiele applicatie pas om 9.59 uur geactiveerd. Pas enige tijd later is het belanghebbende gebleken dat ten tijde van de activering al een naheffingsaanslag was opgelegd. Als belanghebbende had geweten dat de scanauto van de gemeente al langs was gereden, had hij de mobiele applicatie niet alsnog geactiveerd. Er was geen sprake van opzet, maar van aanpassing aan de “parkeerfraude van de gemeente Den Haag”. Er is, aldus belanghebbende, sprake van een verdienmodel waarbij de mobiele applicatie dusdanig is aangepast dat de parkeertijd niet automatisch stopt om 14.00 uur en weer opnieuw begint om 9.00 uur de volgende dag. Dit maakt dat belanghebbende steeds wekkers op die tijdstippen moet zetten om de mobiele applicatie uit dan wel aan te zetten. 6.2. Gelet op artikel 4.1.5 van de Regeling waarin de algemene regels voor het gebruik van een parkeervergunning zijn vermeld (zie 2.2) is de vergunning geldig vanaf het tijdstip waarop het kenteken van het geparkeerde voertuig is aangemeld. Niet in geschil is dat het voertuig op 11 mei 2023 om 8.30 uur is geparkeerd aan de [straat] , dat vanaf 9.00 uur betaald parkeren geldt ter plaatse en dat belanghebbende eerst, door aanmelding via de mobiele applicatie, om 9.59 uur het kenteken van het geparkeerde voertuig heeft aangemeld. Hiermee is niet voldaan aan de voorwaarden voor het parkeren met een gebruikmaking van een vergunning en is dus geen sprake van parkeren met een vergunning (vgl. HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1997:AA3336). De naheffingsaanslag is, naar aanleiding van de bevindingen van de parkeercontroleur om 9.40 uur, en nu ook niet op andere wijze de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan, terecht opgelegd. 6.3. Dat belanghebbende ervoor heeft gekozen de mobiele applicatie niet voorafgaand aan het aanvangstijdstip voor be