Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-09-25
ECLI:NL:GHDHA:2025:2236
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/886 Uitspraak van 25 september 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 september 2024, nummer SGR 22/5107. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd (de naheffingsaanslag). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.062; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 692; - veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 808; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.998; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden; - bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft verweer gevoerd bij nader stuk van 9 mei 2025. Belanghebbende heeft met dagtekening 13 augustus 2025 een pleitnota en met dagtekening 19 augustus 2025 pleitaantekeningen ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 augustus 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Het Hof gaat uit van de volgende door de Rechtbank vastgestelde feiten welke in hoger beroep niet zijn betwist. 2.2. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 7.207 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Audi A3 Sportback 2.5 TFSI RS 3 Quattro (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 14 augustus 2019. De registratie is voltooid op 17 mei 2021. 2.3. Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [naam] (het taxatierapport). Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde vóór schade van € 46.960 en een waardevermindering wegens schade van € 18.610. De historische nieuwprijs heeft hij gesteld op € 100.656, uitgaande van een bruto bpm van € 25.594 (naar het tarief per 1 juli 2020). 2.4. In opdracht van Inspecteur heeft een schouw van de auto plaatsgevonden door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hiervan is op 20 mei 2021 een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). Volgens het DRZ-rapport bedraagt de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 50.864 op basis van de XRAY-koerslijst voor een margeauto. Het DRZ-rapport gaat uit van schade aan de auto ten bedrage van € 11.725 waarvan € 8.442 (72%) in mindering is gebracht op de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat. 2.5. De Inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ de verschuldigde bpm berekend op € 10.309. Hij is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 105.293, waarin een bruto bpm van € 27.663 is begrepen. Bij brief van 2 juni 2021 heeft de Inspecteur Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken.[2] Verweerder heeft eiser bij brief van 2 juni 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd. Betalings- en heffingsmodaliteiten 11. Eiser betoogt dat de bpm voor de registratie van de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt, omdat de Hoge Raad reeds anders geoordeeld heeft.[3] Voor het rentenadeel dat eiser stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient hij zich te wenden tot de civiele rechter. Gebreken taxatierapport / gebruik forfaitaire tabel 12. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het taxatierapport dusdanige (formele en materiële) gebreken toont dat dit niet kan dienen ter ondersteuning van de door eiser bepleite van belang zijnde waarden (zoals handelsinkoopwaarde en omvang van de schade). Verweerder heeft daarbij gewezen op de volgende gebreken: - Bij de taxatie is de gebruikte koerslijst niet goed ingevuld. Bij CO2 XRAY is 194 gram vermeld (NEDC), en bij CO2 klant 215 gram (WLTP). Er zijn dus twee verschillende meetmethoden naast elkaar gehanteerd. Er is uitgegaan van gewone lak, maar de auto heeft metallic lak. Opties zijn los ingevuld, terwijl dit met pakketten had gemoeten. - De gebruikersschade is vastgesteld aan de hand van een tabel en is dus niet door eigen waarneming van de taxateur vastgesteld en niet door de taxateur zelf beoordeeld. - De inkoopfactuur ontbreekt. - Er is schade aan de turbo opgenomen, die verweerder niet ziet. Hij ziet ook niet dat de auto is hersteld, hij heeft alleen een offerte voor herstel gezien. DRZ is controlemogelijkheid op dit punt ontnomen omdat de auto niet gestart mocht worden. - Er wordt schade aan de velgen genoemd, maar dit betreft zonder nadere motivering typische gebruikersschade. - Zonder motivering is 100% van de herstelkosten in aanmerking genomen in plaats van 72%. Eiser houdt vast aan het taxatierapport. 13. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 8, vierde lid, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2021; de Uitvoeringsregeling), gelezen in verbinding met onderdeel 3.6 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling had de inkoopfactuur of inkoopverklaring van het getaxeerde motorrijtuig bij het taxatierapport moeten worden gevoegd. Dat is niet gebeurd. Verder is in eisers taxatie zonder afdoende motivering en onderbouwing met bewijsmiddelen 100% van het gecalculeerde schadebedrag in aanmerking genomen, zulks in strijd met artikel 8, vierde lid, letter b, van de Uitvoeringsregeling, gelezen in verbinding met onderdeel 3.6 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling. De door verweerder gesignaleerde en door eiser niet weersproken inhoudelijke gebreken van het taxatierapport hebben bovendien tot gevolg dat – zelfs indien het (behoudens tegenbewijs) voorgeschreven percentage van 72% zou zijn gehanteerd – niet ervan kan worden uitgegaan dat de taxatiewaarde de werkelijke waarde weerspiegelt. Deze gebreken lenen zich niet voor herstel binnen redelijke termijn. Alsdan kan het taxatierapport niet als bewijs dienen voor de bepaling van het bedrag van de afschrijving. De wetgever heeft over die situatie opge Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling staat daaraan niet in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels, waaronder het arrest van het HvJ EU van 3 oktober 2019, C-285/18, Irgita, ECLI:EU:C:2019:829, leidt evenmin tot een ander oordeel. De taxateur/beoordelaar van DRZ is in deze procedure te beschouwen als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is verzocht een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de deskundigheid of onafhankelijkheid van de taxateur/beoordelaar.[8] Voor zover eiser daar al belang bij zou hebben, volgt de rechtbank hem ook niet in zijn stelling dat het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid is geschonden doordat eiser wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een deskundige voor wie tal van voorwaarden gelden, terwijl die voorwaarden niet gelden voor de taxateur/beoordelaar van DRZ. 72% van de schade 17. Ook de stelling dat niet 72%, maar 100% van de door DRZ vastgestelde reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht, kan niet leiden tot een gegrond beroep. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I, van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken.[9] Een waardevermindering door schade is een zodanig feit. Eiser dient dus tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat die schade meer bedraagt dan het bedrag dat DRZ heeft vastgesteld. Daarin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is onvoldoende om aan de op hem rustende bewijslast te voldoen. Dat rekening wordt gehouden met 72% van de reparatiekosten hoeft immers niet te betekenen dat ter zake van auto’s afkomstig uit andere lidstaten meer bpm wordt geheven dan het laagste restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds in Nederland geregistreerde voertuigen en eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich in het onderhavige geval voordoet. 18. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de door DRZ gehanteerde reparatietarieven buiten beschouwing te laten. Eiser heeft zijn stelling dat te lage tarieven zijn gehanteerd niet met bewijs onderbouwd. CO2-uitstoot/NEDC1/WLTP/NEDC2 19. Eiser heeft gesteld dat als gevolg van de overgang van de NEDC1-meetmethode naar de WLTP/NEDC2-meetmethode voor te importeren voertuigen met een datum eerste toelating tussen 1 september 2017 en 1 juli 2020 structureel teveel belasting wordt geheven, omdat veel buitenlandse kentekenregisters al vanaf die datum uitgaan van de WLTP/NEDC2-methode voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. Deze meetmethode leidt volgens onderzoeken van KPMG en TNO tot een hogere CO2-uitstoot dan de oude NEDC1-meetmethode en daarmee tot een hogere heffing van bpm. Volgens eiser kan deze discriminatie eenvoudig worden opgeheven door de op basis van de WLTP/NEDC2-methode vastgestelde CO2-uitstoot te verminderen met 7,3 gram (het gemiddelde verschil tussen NEDC1- en NEDC2-uitslagen zoals vastgesteld door KPMG). Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. 20. De door eiser beschreven mogelijkheid van discriminatie is door de Hoge Raad beoordeeld. In dat verband is – kort gezegd en voor zover hier van belang – overwogen dat het gebruik van en de overgang tussen twee verschillende meetmethodes voor de vaststelling van de CO2-uitstoot op zichzelf genomen kan leiden tot strijd met arti Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt.[13] In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.[14] Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.[15] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.[16] Eiser heeft de voor het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is. Wettelijke rente en griffierecht 27. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.[17] Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiser wordt uitbetaald. Conclusie 28. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond verklaard. De naheffingsaanslag zal worden verminderd tot (€ 42.422 / € 105.722) * € 25.594 -/- € 7.207 = € 3.062. Immateriële schadevergoeding 29. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 20 augustus 2021 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 19 augustus 2022. De uitspraak van de rechtbank is op 11 september 2024 gedaan. Dat is afgerond 37 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met afgerond 13 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 19 augustus 2022 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding voor 6/13 deel aan de bezwaarfase te worden toegerekend en voor 7/13 aan de beroepsfase. 30. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Of de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen, doet in dit verband niet ter zake.[18] Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. Daarvan dient € 692 door verweerder te worden vergoed en € 808 door de Staat. 31. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397, leidt daartoe niet. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat eiser in dit geval recht heeft op een hogere vergoeding dan thans toegekend. Ook het arrest van het HvJ EU van 26 november 2013, C-58/12 P (Gascogne), ECLI:EU:C:2013:770, waarop eiser zich beroept, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu het in dit arrest een handeling van een instelling van de Unie betreft, namel De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep 5.1. Met inachtneming van de herkansingsfunctie die partijen toekomt, is in hoger beroep de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot het oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd dan wel standpunten ingenomen die niet al in bezwaar of eerste aanleg zijn aangevoerd dan wel gesteld, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in bezwaar, eerste aanleg en hoger beroep ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Dit leidt tot de slotsom dat de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dient te worden. 5.2.1. Belanghebbende beroept zich nog op artikel 8, lid 8, Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (UR bpm). Uit deze bepaling blijkt volgens belanghebbende dat de Inspecteur een belastingplichtige alleen mag verzoeken zijn voertuig te tonen gelet op het bepaalde in artikel 49, lid 1, onderdeel b, Wegenverkeerswet 1994. Het is dus niet toegestaan om de schouw te gebruiken om de handelsinkoopwaarde van het voertuig te controleren. De Inspecteur heeft misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid, aldus belanghebbende. 5.2.2. Ten tijde van het indienen van de aangifte op 1 mei 2021 luidde artikel 8, lid 8, UR bpm echter: “De inspecteur kan, met het oog op een juiste toepassing van artikel 10 van de wet, bepalen dat het motorrijtuig gedurende ten hoogste zes werkdagen na de datum waarop de aangifte is ingediend in ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden teneinde het motorrijtuig in deze staat op een door de inspecteur aan te wijzen plaats en tijdstip te tonen.” 5.2.3. De door belanghebbende onjuist geciteerde tekst geldt per 1 januari 2022. Het standpunt van belanghebbende faalt dan ook. Het Hof voegt ten overvloede toe dat artikel 49, lid 1, onderdeel b, Wegenverkeerswet 1994 ziet op het fiscaal akkoord en is opgenomen speciaal voor de heffing van bpm. Deze bepaling is, anders dan belanghebbende betoogt, dus niet van technische of administratieve aard. Uit de toelichting bij de wijziging van de UR bpm (Stcrt. 2021, 48 636) volgt dat deze wijziging is bedoeld om te bereiken dat het fiscaal akkoord pas wordt gegeven als de belastingplichtige zijn toonplicht is nagekomen, en de Inspecteur kan vaststellen dat de verschuldigde belasting is betaald. Uit de toelichting wordt ook duidelijk dat de regelgever met de wijziging specifiek het oog heeft op controle van de taxatiewaarde van een gebruikt voertuig. Dat het de bedoeling van de Inspecteur is om de aangegeven waarden te controleren staat ook in de uitnodiging om het voertuig te tonen, zodat voor de belastingplichtige duidelijk is wat de bedoeling is. De hiertegen gerichte klacht ontbeert feitelijke grondslag. 5.3.1. Voor zover belanghebbende stelt dat ook al voor 1 januari 2022 geen wettelijke grondslag bestond voor de controle door DRZ van de taxatiewaarde van een gebruikt voertuig, verwerpt het Hof ook deze stelling gelet op artikel 10, lid 10, Wet bpm (tekst vanaf 1 juli 2020 t/m 1 januari 2022): “Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. Daarbij kan de vermindering, bedoeld in het tweede lid, worden verhoogd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b, en g. Voorts kan daarbij een termijn worden vastgesteld waarbinnen het motorrijtuig in ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden voor controle met het oog op een juiste vaststelling van de afschrijving, bedoeld in het twe