Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-09-10
ECLI:NL:GHDHA:2025:2231
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/796 Uitspraak van 10 september 2025 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland , de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 juli 2024, nummer SGR 23/1079. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 4.508.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (de aanslag). 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het tegen de beschikking en de aanslagen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 365 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 559 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgevonden. De griffier heeft het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende, [naam] , bij bericht van 26 november 2024 meegedeeld dat de Heffingsambtenaar aan het Hof heeft laten weten geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling en gevraagd uiterlijk 10 december 2024 aan het Hof te berichten of zij gebruik wil maken van het recht op zitting te worden gehoord. [naam] heeft niet verzocht om een mondelinge behandeling. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Feiten 2. Het tegen de beschikking en de aanslag gerichte bezwaarschrift vermeldt onder meer: “Tevens verzoek ik u conform artikel 40 Wet WOZ om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan mij te verstrekken zodat ik de door u gemaakte keuzes te allen tijde kan controleren. Ik doel hierbij op alle stukken/gegevens die u bij de initiële waardebepaling en bij de behandeling van dit bezwaar heeft betrokken. Hieronder kunnen bijvoorbeeld vallen de grondstaffels, liggingsfactoren, onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum, de KOUDV-factoren van het onderhavige objecten de referentiepanden, huurcijfers voor de gehanteerde huurwaarde, onderbouwing van de kapitalisatiefactor, de correctie in verband met Covid-19 etc. Dit verzoek ziet op de gehele bezwaarfase; ook als u na de hoorzitting nog nieuwe stukken in de procedure betrekt wil ik deze van u ontvangen. Dat u hiertoe verplicht bent volgt uit ECLI:NL:HR:2018:1316, ECLI:NL:PHR:2017:l051, ECLI:NL:RBAMS2021:3591, ECLI:NL:RBAMS:2021:5041 en ECLI:NL:GHARL:2021:7246 Voorts verzoek ik u, eveneens op basis van artikel 40 Wet WOZ en de Wet openbaarheid van bestuur, inzicht te verstrekken in de ramingen van de baten en lasten In de begroting van de riool-en afvalstoffenheffing. Ook vraag ik u aan te tonen dat ten aanzien van deze heffingen de opbrengstlimiet niet is overschreden.” Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder: “(…) Toezendplicht / schending van artikel 40 WOZ 15. Eiseres stelt dat verweerder in de bezwaarfase artikel 40 Wet WOZ heeft geschonden, omdat niet alle gevraagde gegevens zijn verstrekt en die deels slechts in geanonimiseerde vorm zijn verstrekt. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch.[2] Verweerder heeft ter zitting erkend d Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052). Indien een verzoek als hiervoor bedoeld in de bezwaarfase wordt gedaan, moeten deze gegevens, met het oog op een zinvolle benutting van de bezwaarprocedure, voortvarend en in ieder geval uiterlijk bij het doen van uitspraak op bezwaar worden verstrekt (HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106). 5.1.3. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat niet alle gevraagde gegevens uiterlijk bij de uitspraak op bezwaar aan belanghebbende zijn verstrekt, een schending van artikel 40 Wet WOZ oplevert. De Heffingsambtenaar heeft erkend dat sprake is van een schending van artikel 40 Wet WOZ. De Rechtbank heeft deze schending op grond van het bepaalde in artikel 6:22 Awb gepasseerd, omdat belanghebbende hierdoor niet is benadeeld. De Rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat belanghebbende in beroep alsnog kennis heeft kunnen nemen van alle gegevens en deze heeft kunnen betwisten. Belanghebbende stelt dat toepassing van artikel 6:22 Awb in dit geval niet mogelijk is. 5.1.4. Onder omstandigheden kan met toepassing van artikel 6:22 Awb voorbij worden gegaan aan een schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. Op grond van artikel 6:22 Awb kan de rechter beslissen de uitspraak op bezwaar, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, in stand te laten indien aannemelijk is dat belanghebbende door deze schending niet is benadeeld. De maatstaf om vast te stellen of belanghebbende door een dergelijke schending is benadeeld, is volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de huidige tekst van artikel 6:22 Awb of zonder die schending een inhoudelijk andere uitkomst van de besluitvorming mogelijk was geweest (HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, r.o. 4.4.2). 5.1.5. In dit geval was een andere afloop van de besluitvorming moeilijk voorstelbaar. Uit het eigen verhuurcijfer blijkt dat de waarde van de onroerende zaak eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft dit ook erkend; de procedure draait immers alleen nog om de vermeende schending van de toezendverplichting en de financiële consequenties die een bevestigend antwoord op dit geschilpunt heeft. Belanghebbende heeft in beroep en hoger beroep geen argumenten of gegevens ingebracht die zonder de vermeende schending al in bezwaar hadden kunnen worden ingebracht en in de bezwaarfase tot een lagere waarde aanleiding hadden kunnen geven, zodat het instellen van beroep had kunnen worden vermeden. 5.1.6. Het Hof voegt ten overvloede toe dat het bijzondere omstandigheden aanwezig acht om ook indien de bezwaarprocedure wel een andere afloop had kunnen hebben, af te zien van het toekennen van een proceskostenvergoeding. In belanghebbendes bezwaarschrift is niet om gegevens over het bouwjaar en het objecttype verzocht. Evenmin is voldoende specifiek om gegevens over de onderhoudstoestand verzocht (zie r.o. 2). Voor zover belanghebbende met ‘KOUDV-factoren’ heeft bedoeld de onderhoudstoestand, merkt het Hof op dat KOUDV-factoren niet zijn gebruikt nu de onroerende zaak een niet-woning is en de waarde op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode is vastgesteld. Daarmee is in dit geval geen sprake van een gegeven dat ten grondslag ligt aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak. Bijkomend beschikt belanghebbende over het eigen huurcijfer, zodat het niet nodig en zelfs overbodig is om dit gegeven bij de Heffingsambtenaar op te vragen. Slotsom 5.2. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten en griffierecht 6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of voor ver