Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-09-25
ECLI:NL:GHDHA:2025:2228
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/266 Uitspraak van 25 september 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 februari 2024, nummer SGR 22/6889. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 928.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Den Haag (de aanslag). 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 50 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 138 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 5 november 2024. 1.5. Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgevonden. De griffier heeft het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende, [naam] , bij bericht van 13 november 2024 meegedeeld dat de Heffingsambtenaar aan het Hof heeft laten weten geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling en gevraagd uiterlijk 27 november 2024 aan het Hof te berichten of zij gebruik wil maken van het recht op zitting te worden gehoord. [naam] heeft niet verzocht om een mondelinge behandeling. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een hoekwoning met een garage en dakkapel. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 171 m². Het bouwjaar is 1929. 2.2. De Heffingsambtenaar heeft een taxatieverslag overgelegd, waarin de waarde van de woning voor het onderhavige belastingjaar is vastgesteld op € 928.000. Voorts heeft de Heffingsambtenaar een matrix overgelegd waarin de verkooptransacties van drie naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen zijn opgenomen, te weten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] , alle gelegen in de [Wijk] te [woonplaats] (de vergelijkingsobjecten). Daarnaast zijn in de matrix opgenomen de verkooptransacties van drie naar de opvatting van belanghebbende met de woning vergelijkbare woningen, te weten [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] . 2.3. De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslag gerichte bezwaarschrift ontvangen op 25 maart 2022. Het bezwaarschrift vermeldt onder meer: “Tevens verzoek ik u conform artikel 40 Wet WOZ om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan mij te verstrekken zodat ik de door u gemaakte keuzes te allen tijde kan controleren. Ik doel hierbij op alle stukken/gegevens die u bij de initiële waardebepaling en bij de behandeling van dit bezwaar heeft betrokken. Hieronder kunnen bijvoorbeeld vallen de grondstaffels, liggingsfactoren, onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum, de KOUDV-factoren van het onderhavige object en de referentiepanden, huurcijfers voor de gehanteerde huurwaarde, onderbouwing van de kapitalisatiefactor, de correctie in verband met Covid-19 etc. Dit verzoek ziet op de gehele bezwaarfase; ook als u na de hoorzitting nog nieuwe stukken in de procedure betrekt wil ik deze van u ontvangen. Dat u hiertoe verplicht bent volgt uit ECLI:NL:HR:2018:1316, ECLI:NL:PHR:2017:l051, ECLI:NL:RBAMS2021: Ter zitting heeft de heffingsambtenaar uitgebreid toegelicht hoe de waarde van woningen in de gemeente jaarlijks tot stand komt en in de bezwaarfase wordt herbeoordeeld, waarbij een belangrijk deel van het werk op individueel niveau door taxateurs handmatig wordt verricht. De rechtbank heeft geen reden hieraan te twijfelen. Hieruit volgt dat de (gegevens die ten grondslag liggen aan) indexeringscijfers en KOUDV- en liggingsfactoren de heffingsambtenaar niet ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en dus niet aan belanghebbende in de bezwaarfase konden worden verstrekt.[1] 6. Ook is de rechtbank niet gebleken van schending van het motiveringsbeginsel dan wel schending van enig ander rechtsbeginsel. De heffingsambtenaar is in de uitspraak op bezwaar voldoende ingegaan op de bezwaargronden van belanghebbende. 7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. (…) [1] Vgl. Gerechtshof Den Haag 7 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2636 en Hoge Raad 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1390.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is of de Heffingsambtenaar in strijd met het motiveringsbeginsel heeft gehandeld, of hij artikel 40 van de Wet WOZ heeft geschonden door niet alle gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde in de bezwaarfase aan belanghebbende te verstrekken en of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend. 4.2. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de woning nader wordt vastgesteld op € 891.000, met dienovereenkomstige vermindering van de aanslag en tot toekenning van een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep. 4.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Motiveringsbeginsel 5.1. Belanghebbende klaagt erover dat de Heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd. Belanghebbende constateert een schending van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar het Hof aanneemt is bedoeld te wijzen op een schending van artikel 7:12, lid 1, Awb. De tot de gedingstukken behorende uitspraak op bezwaar laat geen andere conclusie toe dan dat de Heffingsambtenaar op de door belanghebbende in bezwaar ingebrachte stellingen is ingegaan. Belanghebbendes klacht faalt. Toezendplicht met betrekking tot in bezwaar verzochte stukken 5.2.1. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Heffingsambtenaar op grond van de artikelen 6:17 en 7:4, lid 4, van de Awb en artikel 40 van de Wet WOZ, zijn toezendplicht heeft geschonden. Belanghebbende verwijst in dit verband naar de arresten van de Hoge Raad van 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052 en van 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:394. Belanghebbende stelt dat, aangezien toezending c.q. verstrekking van de grondstaffel, correctiepercentages van de KOUDV-factoren, het indexeringspercentage en de waarde van de bijgebouwen is uitgebleven, het (hoger) beroep reeds om die reden gegrond is. 5.2.2. Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt. De hiervoor bedoelde gegevens kunnen ook betrekking hebben op de voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052). 5.2.3. Naar aanleiding van het in het bezwaarschrift gedane verzoek heeft de Heffingsambtenaar het taxatieverslag aan belanghebbende verst