Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-06-26
ECLI:NL:GHDHA:2025:2142
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-24/972 tot en met BK-24/976 Uitspraak van 26 juni 2025 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 oktober 2024, nummers SGR 23/7558, SGR 23/7559, 23/7561, SGR 23/7562 en SGR 23/7563. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is ten aanzien van vijf voertuigen een drietal naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van in totaal € 21.052 (de naheffingsaanslagen). 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslagen gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 365 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond voor zover deze zijn gericht tegen de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de naheffingsaanslagen 1 en 3; - verklaart de beroepen voor het overige ongegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover ze betrekking hebben op de voertuigen 2 en 5; - vermindert naheffingsaanslag 1 tot een bedrag van € 9.274; - vermindert naheffingsaanslag 3 tot een bedrag van € 4.118; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.998; en - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 559 geheven. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 13 mei 2025. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 20 mei 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten Volkswagen Golf (BK-SGR 24/972) 2.1.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 3.257 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Volkswagen Golf (auto 1). De datum van eerste toelating is 26 februari 2021. 2.1.2. In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 1] . Daarin is de historische nieuwprijs van auto 1 vastgesteld op € 50.862 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 27.412. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 8.282 in mindering gebracht in verband met schade aan auto 1, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 1 is bepaald op € 19.130. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 8.662 (CO2-uitstoot van 167 gr/km). 2.1.3. De Inspecteur heeft ter zake van auto 1 een bedrag van € 232 aan bpm nageheven. Daarbij is de bpm berekend op basis van een (historische) bruto bpm van € 9.478, gebaseerd op de CO2-uitstoot van 171 gr/km die door de RDW is vastgesteld. De Inspecteur heeft een extra leeftijdskorting van € 75 toegekend. BMW X5 XDrive 40i (BK-SGR 24/973) 2.2.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 5.014 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte BMW X5 XDrive 40i (auto 2). De datum van eerste toelating is 27 november 2018. 2.2.2. In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 1] . Daarin is de historische nieuwprijs van auto 2 vastgesteld op € 105.487 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 36.104. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 17.614 in mindering gebracht in verband met schade aan auto 2, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 2 is bepaald op € 18.490. De historische (bru De Inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ ter zake van auto 5 een bedrag van € 4.297 aan bpm nageheven. Daarbij is de bpm berekend op basis van een historische nieuwprijs van € 114.109 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 49.983 (XRay (Marge)). Volgens DRZ dient een waardevermindering wegens schade van € 973 (72% van € 1.352) te worden toegepast, waardoor de Inspecteur de handelsinkoopwaarde van auto 5 heeft vastgesteld op € 49.010 (afschrijving van 57,05%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 28.950. Overzicht 2.6. Het voorgaande kan schematisch als volgt worden weergegeven: Auto Zaaknummer Zaaknummer Rechtbank Kenteken Type Bedrag naheffingsaanslag Auto 1 BK-SGR 24/972 SGR 23/7558 [kenteken 1] Volkswagen Golf 2.0 TSI GTI € 232 Auto 2 BK-SGR 24/973 SGR 23/7559 [kenteken 2] BMW X5 XDrive40i € 5.659 Auto 3 BK-SGR 24/974 SGR 23/7561 [kenteken 3] Land Rover Range Rover Evoque € 3.556 Auto 4 BK-SGR 24/975 SGR 23/7562 [kenteken 4] Mercedes-Benz GLE 350 D 4Matic Coupe € 7.308 Auto 5 BK-SGR 24/976 SGR 23/7563 [kenteken 5] BMW X5 XDrive40i € 4.297 € 21.052 Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “ Beoordeling van het geschil Deskundigheid taxateur DRZ (voertuig 2, 3, 4 en 5) 14. Eiser heeft betoogd dat DRZ schade over het hoofd heeft gezien, mogelijk omdat de desbetreffende medewerkers ondeskundig waren of onzorgvuldig hebben opgetreden. Bovendien heeft DRZ verzuimd om binnen de autobranche ontwikkeld beleid over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade toe te passen. De rechtbank verwerpt deze klachten. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ. Zij zijn ook niet gebonden aan beleid dat wordt gevoerd door de autobranche en hetzelfde geldt voor verweerder. Schade (voertuig 2, 3, 4 en 5) 15. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van een auto, rust op eiseres.[1] Eiseres heeft daartoe gewezen op de taxatierapporten die ten grondslag zijn gelegd aan de aangiften. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto’s ten tijde van het doen van aangifte meer schade hadden dan door DRZ is onderkend. Met de taxatierapporten en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over aard en omvang van de gestelde schade. 72% van de herstelkosten of 100%? (voertuig 4) 16. Eiseres heeft met betrekking tot voertuig 4 ook niet aannemelijk gemaakt dat de geraamde herstelkosten (in afwijking van artikel 8, vierde lid, letter b, van de Uitvoeringsregeling bpm 1992, gelezen in verbinding met onderdeel 3.5 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling bpm 1992, tekst 2019) niet voor 72%, maar voor 100% in mindering op de handelsinkoopwaarde moet worden gebracht. Haar standpunt dat de leeftijd en de kilometerstand van de auto een percentage van 100% rechtvaardigen, vormt daarvoor onvoldoende onderbouwing. De taxateur van eiseres heeft evenmin een specifieke onderbouwing gegeven waarom voor dit voertuig een percentage hoger dan 72% moet worden gehanteerd. Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde (voertuigen 2, 4 en 5) 17. Eiseres beroept zich wel terecht op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2013 [2023, Hof], ECLI:NL:HR:2023:1703, met het betoog dat bij de bepaling van de historische nieuwprijs dient te worden uitgegaan van de hogere bruto bpm van de geïmporteerde auto’s (voertuig 2: € 28.623, voertuig 4: € 41.034 en voertuig 5: € 115.824). De historische nieuwprijs dient derhalve te worden vastgesteld op respectievelijk € 111.896 (voertuig 2), € 137.779 (voertuig 4) en € 115.824 (voertuig 5). 18. Verweerder heeft betoogd dat alsdan de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de bewuste auto’s eveneens dient te worde 3.2.3 van dat arrest is namelijk uitdrukkelijk overwogen dat bij toepassing van de taxatiemethode (zoals ook thans aan de orde is) de door taxatie berekende waarde zal verschillen van de in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. Dit laatste doet zich ook in het onderhavige geval voor, zoals hiervoor onder 21. is overwogen. Dit zou anders zijn indien tussen eiseres en verweerder geen geschil (meer) bestond over de handelsinkoopwaarde respectievelijk de taxatiewaarde van het te registreren voertuig, zoals overwogen in r.o. 3.3.2 van het arrest. Daarvan is hier nu echter juist geen sprake, nu immers hier de handelsinkoopwaarde van het te registreren voertuig specifiek als geschilpunt aan de orde is. De andersluidende uitleg van het arrest van eiseres berust op een onjuiste lezing daarvan. 24. Evenmin vormt het vorenstaande, anders dan eiseres stelt, een schending van het vertrouwensbeginsel. Verweerder is in het verleden ervan uitgegaan dat alle gegevens van het referentievoertuig (dus zowel de historische nieuwprijs als óók de handelsinkoopwaarde) leidend waren voor de bepaling van het bewuste afschrijvingspercentage en daarmee de verschuldigde bpm. De verschillende onderdelen van deze handelwijze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Indien eiseres vertrouwen wenst te ontlenen aan een deze werkwijze, die door het hiervoor onder 17. besproken arrest onjuist is gebleken, kan dat alsdan slechts gelden voor alle onderdelen daarvan en dus ook voor de vaststelling van de historische nieuwprijs. Dat zou voor eiseres niet tot een gunstiger resultaat kunnen leiden, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. 25. Met betrekking tot voertuig 4 is het gelijk in dezen dus aan verweerder. Handelsinkoopwaarde voertuigen 2 en 5 26. Met betrekking tot de voertuigen 2 en 5 heeft verweerder echter geen bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de te waarderen motorrijtuigen ten opzichte van gebruikte referentievoertuigen benoemd. Verweerder heeft enkel gewezen op de verschillen in CO2-uitstoot tussen de bewuste voertuigen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende; nu verweerder voor de voertuigen 2 en 5 geen nadere, steekhoudende onderbouwing van zijn standpunt (zie hiervoor onder 18. en 19.) heeft gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding om de door DRZ uit de koerslijst afgeleide handelsinkoopwaarden naar boven bij te stellen. Voor wat betreft voertuig 2 komt daar nog bij dat aan dit voertuig geen schade anders dan normale gebruiksschade is vastgesteld. Alsdan staat de Wet bpm toepassing van de taxatiemethode niet toe (artikel 10, achtste lid, aanhef en letter a, van de Wet bpm). Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat verweerder bij de vaststelling van de naheffingsaanslag de koerslijstmethode heeft toegepast. De tekst van artikel 10, zevende lid, van de Wet bpm biedt bij toepassing van de koerslijstmethode echter geen ruimte voor correcties op de waarde die is vermeld in de koerslijst, indien de desbetreffende koerslijst niet in die correcties voorziet.[3] Gesteld noch gebleken is dat de door verweerder gebruikte koerslijst voorziet in relevante, nog niet toegepaste correcties voor bijvoorbeeld hoger energiegebruik of extra opties. Het gelijk is in zoverre aan eiseres. 27. Dit betekent dat de naheffingsaanslagen waarin de voertuigen 2 en 5 betrokken zijn in dit verband moeten worden verminderd conform de berekening in het nader stuk van eiseres. Dit betekent dat de naheffingsaanslag 1 moet worden verminderd met € 172,41 en dus tot op € 9.274 (= € 9.447 -/- € 172,41) en naheffingsaanslag 3 met € 178,21 tot op € 4.118 (= € 4.297 -/- € 178,21). 28. Verweerder heeft de rechtbank daags voor zitting nog gevraagd om in dit verband met toepassing van artikel 8:45 Belanghebbende kan reeds om de hiervoor gegeven redenen geen gebruik maken van de bij het hogerberoepschrift overgelegde lijst met gegevens.” 30. De rechtbank sluit zich aan bij deze oordelen. Er zijn door eiseres geen feiten of omstandigheden aangevoerd, noch zijn die anderszins gebleken, die in de onderhavige zaken een andersluidend oordeel zouden kunnen dragen. Slotsom 31. Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard voor zover deze zijn gericht tegen de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de naheffingsaanslagen 1 en 3 en dienen de beroepen voor het overige ongegrond te worden verklaard. De naheffingsaanslagen 1 en 3 dienen te worden verminderd voor wat betreft de voertuigen 2 en 5 zoals hiervoor onder 27. geoordeeld. Immateriële schadevergoeding 32. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). De rechtbank merkt de onderhavige bezwaren en beroepen voor wat betreft de isv aan als samenhangende zaken.[4] De rechtbank heeft daarbij onder andere in aanmerking genomen dat de zaken in de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk zijn behandeld en in hoofdzaak ook betrekking op dezelfde onderwerpen. Het oudste bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 26 april 2022 (zaaknummer SGR 23/7562) en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 18 oktober 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 25 oktober 2024 gedaan. Dat is 30 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met 6 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 18 oktober 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding geheel aan de bezwaarfase te worden toegerekend. 33. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Of de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen, doet in dit verband niet ter zake.[5] Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500, geheel te vergoeden door verweerder. De rechtbank volgt verweerder daarbij niet in zijn standpunt dat de vergoeding kan worden gematigd tot € 50 per half jaar.[6] Proceskosten 34. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en met inachtneming van de jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.248 in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624, een wegingsfactor 1) en € 1.750 in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). Vanwege de samenhang tussen de twee gegronde beroepen in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb, bedraagt de factor wegens samenhang 1, zodat dit niet tot een verhoging van voornoemde bedragen leidt. 35. De rechtbank zal verweerder opdragen het voor de samenhangende procedures betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden. (…) [1] HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1273, r.o. 4.2.6. [2] Zie Gerechtshof Den Haag 29 februari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:732, r.o. 5.3.3. [3] Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.2. [4] Vgl. HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, r.o. 2.4.3 en HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700, r.o. 2.2.2. [5] Vgl. HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3 en HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, r.o. 3.2.3. [6] Zie HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299, r.o. 5.4.3. Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslagen terech Bij aangiften bpm waarin gebruik wordt gemaakt van een individuele taxatie, kunnen de indieners worden uitgenodigd het voertuig op een van de locaties van DRZ (Soesterberg, Hoogeveen of Bleiswijk) te tonen. Op deze locaties kan een schouw onder optimale omstandigheden worden uitgevoerd, door middel van gekwalificeerd personeel van DRZ, goede verlichting en de beschikbaarheid van alle benodigde apparatuur en programmatuur. Niet gebleken is dat de Belastingdienst DRZ beïnvloedt of instrueert over de wijze van taxeren (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5796 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1818). Voorts staat het de Inspecteur vrij een deskundige naar zijn keuze in te schakelen. 5.1.3. Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. In dit geval dient belanghebbende aannemelijk te maken dat en in welke mate rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3, BNB 2020/45 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2, BNB 2020/63). 5.1.4. De Rechtbank heeft in haar overweging 15 op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van auto’s 2, 3, 4 en 5 sprake is van schade dan wel meer schade dan door de Inspecteur is onderkend. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto’s ten tijde van het doen van de aangifte bpm schade hadden die het niveau van normale gebruikssporen overstijgt. De enkele verwijzing naar de taxatierapporten met de bijgevoegde schadecalculaties is daarvoor onvoldoende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur en de rapporten van DRZ. Belanghebbende voldoet daarmee niet aan de op haar rustende bewijslast. Percentage schade-aftrek (auto 4) 5.2.1. Belanghebbende stelt dan voorts dat het bedrag aan schade dat de Inspecteur in aanmerking heeft genomen volledig in mindering op de handelsinkoopwaarde moet worden gebracht. Belanghebbende voert daarvoor aan dat auto 4 tot het exclusieve segment behoort, slechts zeven maanden oud is en slechts 7.000 kilometer heeft gereden. Bovendien was de schade omvangrijk en technisch gecompliceerd, aldus belanghebbende. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst belanghebbende voorts naar een brief en de bijbehorende bijlage van 17 oktober 2014 van Stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit (VbV) aan de Belastingdienst en het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1273, BNB 2022/144 5.2.2. Ook in dit geval rust de bewijslast op belanghebbende (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, BNB 2020/45, r.o. 2.3.3 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, BNB 2020/63, r.o. 3.3.2,). 5.2.3. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat schade niet voor 72%, maar voor 100% in mindering op de handelsinkoopwaarde moet worden gebracht. Hetgeen belanghebbende daarvoor heeft aangevoerd, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende voor het Hof om een dergelijke vermindering te rechtvaardigen. Dat auto 4 jong en exclusief is, is onvoldoende. Deze stelling is te algemeen en onvoldoende onderbouwd. Daarbij overweegt het Hof dat uit de bijlage van de brief van de VbV volgt dat in 1% van de schadegevallen de schade voor 100% in aanmerking wordt genomen. Uit de brief en de grafiek in de bijlage daarbij, kan niet worden afgeleid welke objectieve kenmerken een rol spelen bij de beoordeling in hoeverre schade waarde verminderend is. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat een schade-expert ook tot de conclusie z Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.” 5.5.3. Artikel 3, lid 2, Bpb brengt mee dat een gelijktijdige behandeling of nagenoeg gelijktijdige behandeling van zaken deze zaken tot samenhangende zaken maakt, indien de werkzaamheden van de rechtsbijstandsverlener in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn. Daarbij is niet vereist dat die nagenoeg identieke werkzaamheden (nagenoeg) gelijktijdig hebben plaatsgevonden (HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439, BNB 2017/109). 5.5.4. In de onderhavige zaken is de wijze van procesvoering en daarmee de daarbij behorende werkzaamheden van de gemachtigde, in elk van de zaken nagenoeg identiek geweest. De Rechtbank heeft derhalve terecht de onderhavige zaken voor de bepaling van de hoogte van de proceskostenvergoeding als samenhangend aangemerkt en de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase juist vastgesteld. Anders dan belanghebbende stelt, leidt het feit dat ten tijde van het indienen van het bezwaar ter zake van de naheffingsaanslag van auto 3 de naheffingsaanslag ter zake van auto 1 nog niet was opgelegd niet tot een ander oordeel. Proceskostenvergoeding beroepsfase 5.6. Belanghebbende stelt zich, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, BNB 2024/21, op het standpunt dat zij recht heeft op een aanvullende proceskostenvergoeding voor beroep van € 218,75. Immers, aldus belanghebbende, dient aan het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade afzonderlijk een punt te worden toegekend met een wegingsfactor 0,25. Die stelling berust op een onjuiste lezing van het arrest. De omstandigheid dat bij een ongegrond (hoger) beroep of beroep in cassatie aanleiding is toch een proceskostenvergoeding toe te kennen bij een honorering van een verzoek om vergoeding van immateriële schade zorgt ervoor dat daarvoor een punt moet worden toegekend, maar sinds voornoemd arrest met een wegingsfactor 0,25 (en zulks in afwijking van het arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.1, BNB 2016/140). Daaruit volgt niet dat bij een gegrond (hoger) beroep of beroep in cassatie waarbij belanghebbende in het gelijk wordt gesteld een extra punt wordt toegekend met een wegingsfactor 0,25 bij honorering van een bijkomend verzoek om vergoeding van immateriële schade. Het verzoek om een vergoeding van immateriële schade gaat dan op in de proceshandeling ‘beroep/verweerschrift’. Kosten voor het opvragen van koerslijsten 5.7.1. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van € 278,60 exclusief btw vanwege het in de hoger beroepsfase opvragen van een viertal (nieuwe) koerslijsten, als vallend onder artikel 1 van het Bpb (schriftelijk bericht van een deskundige). Daartoe heeft belanghebbende een factuur van 30 september 2024 overgelegd. De Inspecteur heeft verklaard dit standpunt te delen. 5.7.2. Nu het hoger beroep ongegrond is, bestaat geen recht op vergoeding van de kosten. Ten overvloede merkt het Hof op dat dergelijke kosten niet zijn opgenomen in het Bpb en niet kunnen worden aangemerkt als deskundigenkosten in de zin van artikel 1, onderdeel b, van het Bpb. Overschrijding redelijke termijn 5.8.1. Belanghebbende stelt dat de immateriële schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Volgens belanghebbende dient de immateriële schadevergoeding te worden vastgesteld op € 1.000. 5.8.2. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet