Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-07-01
ECLI:NL:GHDHA:2025:2054
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep kort geding
2,299 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
Zaaknummer hof : 200.346.843/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/683494 / KG ZA 24-745
Arrest in kort geding van 1 juli 2025
in de zaak van
[de man]
,
wonend in [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A. Kaynak, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[de vrouw]
,
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. S. Kara, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna de man en de vrouw.
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de appeldagvaarding van 8 oktober 2024, waarmee de man in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 12 september 2024 (hierna: het bestreden vonnis) en waarin de grieven zijn genomen, met bijlagen;
de memorie van antwoord van de vrouw tevens houdende incidenteel hoger beroep, met bijlagen;
de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van de man;
een e-mail van de zijde van de vrouw van 8 mei 2025 met bijlage, waarin de vrouw laat weten dat de man geen belang meer heeft bij het hoger beroep en zij verzoekt om de man te veroordelen in de proceskosten;
een e-mail van de zijde van de man van 9 mei 2025 met bijlage, waarin de man heeft verklaard het hoger beroep in te trekken;
de e-mails van de zijde van de vrouw van 12 mei 2025 en 27 mei 2025 met bijlagen, waarin de vrouw herhaalt om de man te veroordelen in de (werkelijke) proceskosten en daartoe facturen overlegt.
1.2
Op de rol van 7 januari 2025 hadden beide partijen gevraagd om een mondelinge behandeling. Gelet op voormelde e-mails is echter de door het hof op 13 mei 2025 geplande mondelinge behandeling niet doorgegaan.
1.3
Het hof heeft het arrest op heden bepaald.
2Korte weergave van wat in hoger beroep voorligt
2.1
Deze zaak gaat over een zorgregeling tussen de man en de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016, hierna: de minderjarige. In deze kortgedingprocedure heeft de man, bij dagvaarding van 8 augustus 2024, gevorderd om tussen hem en de minderjarige een zorgregeling vast te stellen op straffe van een dwangsom. De vrouw heeft op haar beurt gevorderd (in reconventie) om de man het recht op omgang met de minderjarige te ontzeggen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In dit hoger beroep heeft de man hetzelfde gevorderd als hij in eerste aanleg bij de voorzieningenrechter had gevorderd. De vrouw heeft in incidenteel appel gevorderd om de man alsnog in de proceskosten in eerste aanleg te veroordelen, en voorts om hem ook in het principale en incidentele appel in de proceskosten te veroordelen. Na het instellen van dit hoger beroep is bij beschikking van 12 maart 2025 van de rechtbank Rotterdam, uitvoerbaar bij voorraad, de man het recht op omgang met de minderjarige ontzegd voor een periode van een jaar.
2.2
De man heeft vervolgens bij e-mail van 9 mei 2025 het principale hoger beroep ingetrokken. Naar het hof begrijpt uit de verschillende e-mailberichten van de vrouw stemt zij niet in met doorhaling van de (gehele) zaak, aangezien zij haar vordering in incidenteel appel om de man te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en haar vordering om de man in het principaal en incidenteel te veroordelen in de proceskosten, handhaaft.
3De vordering van de vrouw inzake de proceskosten
3.1
De vordering van de vrouw luidt:
- de grief van de vrouw in het incidenteel appel gegrond te verklaren en het vonnis op de in het incidenteel appel genoemde punt in overeenstemming met deze gegrondverklaring te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de vrouw ten aanzien van de proceskosten alsnog toe te wijzen;
- de man in het principaal appel en in het incidenteel appel te veroordelen in de proceskosten van beide instanties met de bepaling dat hij over deze proceskosten de wettelijke rente verschuldigd is te rekenen vanaf veertien dagen na de dag waarop het arrest is gewezen, althans betekend.
Blijkens haar toelichting wenst de vrouw een veroordeling in de werkelijke proceskosten.
Beoordeling
4.1
Het hof heeft de intrekking van de zaak door (de advocaat van) de man als een verzoek tot doorhaling van de zaak op de rol aangemerkt. Doorhaling op de rol vindt alleen plaats op eenstemmig verzoek (artikel 8.2 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven). Omdat de vrouw haar verzoek tot proceskostenveroordeling van de man heeft gehandhaafd, kan niet tot doorhaling worden overgegaan.
4.2
Nu de man het hoger beroep intrekt, maakt het hof daaruit op dat hij zijn vordering niet langer handhaaft en deze niet kan worden onderzocht. Daarom zal het hof de man niet-ontvankelijk verklaren in het principale hoger beroep.
4.3
In geschil zijn dan ook alleen de proceskosten in beide instanties.
4.4
Het hof ziet geen aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten en zal, zoals gebruikelijk in familierechtzaken, de proceskosten compenseren. Het hof licht deze beslissing als volgt toe. Deze procedure gaat over het vaststelling van een zorgregeling tussen een ouder en een kind tussen wie op dit moment geen omgang plaatsvindt. In het belang van alle betrokkenen, zowel de ouders als het kind, moet op zulke beslissingen met spoed worden beslist, niet alleen in kort geding maar ook in de bodemprocedure. Zo bepaalt artikel 1:253a lid 6 van het Burgerlijk Wetboek dat een rechtbank een dergelijk verzoek binnen zes weken moet behandelen. In dit geval heeft de rechtbank dit in de bodemprocedure niet gedaan. Hoewel de man op 6 mei 2024 een verzoek had ingediend bij de rechtbank, met daarbij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, en op 18 juli 2024 had verzocht om een spoedige behandeling van de zaak, heeft de rechtbank pas op 12 februari 2025 een mondelinge behandeling gehouden en op 12 maart 2025 uitspraak gedaan (zowel in de bodemprocedure als voor wat betreft de voorlopige voorziening). Op het moment van indiening van de spoedappeldagvaarding, op 8 oktober 2024, was er dan ook belang bij het hoger beroep in dit kort geding, temeer omdat de rechtbank in de bodemprocedure nog geen zitting had gepland, terwijl de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis van 11 september 2024 ervan uitging dat deze mondelinge behandeling zou plaatsvinden op 1 oktober 2024. Pas op 12 maart 2025 bestond er duidelijkheid over de inhoud en omvang van de vastgestelde zorgregeling. De mondelinge behandeling in het hoger beroep van dit kort geding was op dat moment al gepland. Bij e-mailbericht van 9 mei 2025 heeft de man vervolgens zijn hoger beroep ingetrokken. Het hof is dan ook van oordeel dat de man geen misbruik heeft gemaakt van het procesrecht of nodeloos deze procedure is gestart, zoals de vrouw stelt. Het instellen van een hoger beroep tegen een vonnis waarbij zijn vordering was afgewezen, kan – ook als dit gebeurt zonder voorafgaand overleg met of berichtgeving aan de wederpartij en zonder nieuwe gronden aan te voeren – op zichzelf niet als zodanig worden aangemerkt. Ook het feit dat de man procedeert op toevoeging en de vrouw niet, doet hieraan niet af. Het feit dat de man zijn hoger beroep – ondanks een eerdere aanmaning van de vrouw daartoe – pas bij e-mailbericht van 9 mei 2025 heeft ingetrokken, terwijl de mondelinge behandeling op 13 mei 2025 stond gepland, doet aan het vorenstaande niet af en geeft daarom geen aanleiding om de man in de (werkelijke) proceskosten in hoger beroep te veroordelen. Uit het voorgaande volgt dat het hof het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten in beide instanties dan ook zal afwijzen.
Dictum
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in het principale hoger beroep;
bekrachtigt het bestreden vonnis in het incidentele hoger beroep;
compenseert de proceskosten tussen partijen in het principale en incidentele hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. A. Zonneveld, mr. A.F. Mollema en mr. E.B.J. van Elden en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2025 in aanwezigheid van de griffier.