Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-09-09
ECLI:NL:GHDHA:2025:2050
Strafrecht
Hoger beroep
1,426 tokens
Inleiding
Rolnummer: 22-003797-21
Parketnummer: 10-143817-21
Datum uitspraak: 9 september 2025
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 16 december 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Beoordeling
De raadsman heeft – kort en zakelijk weergegeven - verzocht de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) terug te wijzen naar de rechtbank Rotterdam, nu de politierechter niet aan de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak had mogen toekomen.
Hiertoe is door de raadsman aangevoerd dat hij zich op 20 april 2021 bij het openbaar ministerie heeft gesteld, waarbij hij heeft verzocht op de hoogte te worden gehouden van het verdere verloop van de zaak, waaronder de eventuele vervolgingsbeslissing. Het openbaar ministerie heeft echter nagelaten te voldoen aan het verzoek van de verdediging op grond van de artikelen 30 en 31 Sv, waardoor het voor de raadsman niet mogelijk was zich ook bij de griffie van de rechtbank te stellen. Derhalve is hij niet op de hoogte gesteld van de voortgang en behandeling in eerste aanleg van de onderhavige zaak. De verdachte was eveneens niet op de hoogte gesteld van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg. Gelet op deze omstandigheden was de raadsman niet in staat ter terechtzitting bij de politierechter de verdediging namens zijn cliënt te voeren. Naar de mening van de raadsman heeft deze handelwijze van het openbaar ministerie de verdedigingsbelangen van de verdachte geschaad en een inbreuk gemaakt op diens recht op berechting in twee feitelijke instanties.
Het hof overweegt het volgende.
De raadsman heeft zich ten tijde van de aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte bij het openbaar ministerie gesteld door middel van een aan de officier van justitie gezonden stelbrief van 20 april 2021. In deze brief heeft de raadsman verzocht op de hoogte te worden gehouden van de verdere voortgang van de zaak, waaronder de eventuele vervolgingsbeslissing, en, op de voet van artikel 30 Sv, om kennisneming van de processtukken. Op deze verzoeken is weliswaar diezelfde dag een ontvangstbevestiging gevolgd met daarin de toezegging van een spoedige reactie, maar een verdere inhoudelijke reactie vanuit het openbaar ministerie is desondanks uitgebleven.
Voorts is de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg verzonden naar het destijds bekende adres van de verdachte, te weten [adres] te [plaats] . Dit betreft een postadres van de gemeente. Hoewel de verdachte op dat adres post ontvangt, betreft dit geen feitelijk woonadres, zodat niet is komen vast te staan dat de verdachte daadwerkelijk kennis heeft genomen van de dagvaarding en evenmin dat hij zijn raadsman daarvan tijdig op de hoogte heeft kunnen stellen. Daarbij komt dat het openbaar ministerie de raadsman geen afschrift van de dagvaarding of enige kennisgeving heeft doen toekomen.
Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de raadsman, die zich reeds in een vroeg stadium bij het openbaar ministerie heeft gesteld, op de juiste wijze is geïnformeerd omtrent de vervolging van de verdachte en de (datum van de) terechtzitting in eerste aanleg. Dat de raadsman zich niet (tevens) bij de rechtbank heeft gesteld, kan de verdediging, gelet op het vorenstaande, niet worden tegengeworpen.
Het hof is van oordeel dat de raadsman in de onderhavige zaak ten onrechte niet op de voet van artikel 48 Sv op de hoogte is gebracht van de (datum van de) terechtzitting in eerste aanleg. Er heeft zich geen omstandigheid voorgedaan waaruit kan worden geconcludeerd dat die terechtzitting hem tevoren bekend was.
De zaak dient derhalve, met toepassing van artikel 423 lid 2 Sv, te worden teruggewezen naar de rechter die het te vernietigen vonnis heeft gewezen teneinde de zaak op de uitgebrachte inleidende dagvaarding verder te berechten in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het tijdstip van het uitroepen der zaak op de terechtzitting in eerste aanleg van 16 december 2021.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Rotterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Dit arrest is gewezen door mr. V.M. de Winkel, als voorzitter, en mr. M.E.L. Hendriks en mr. R.K. Pijpers, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Karsters.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 september 2025.