Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-09-16
ECLI:NL:GHDHA:2025:2035
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.343.861/01 Zaak- en rekestnummer rechtbank : C/09/649127 / HA RK 23-237 Beschikking van 16 september 2025 in de zaak van Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland , gevestigd in Emmen, verzoekster, advocaat: mr. D. Becht, kantoorhoudend in Rotterdam, tegen Staat der Nederlanden , gevestigd in Den Haag, verweerder, advocaat: mr. I.M. van der Heijden, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof noemt partijen hierna CGJG en de Staat. 1 De zaak in het kort 1.1 In december 2019 heeft de Universiteit Utrecht in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (hierna: WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid (hierna: het Ministerie) het rapport ‘Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehova’s getuigen’ uitgebracht. Het CGJG stelt dat rond de totstandkoming van dat rapport sprake is geweest van oneigenlijke beïnvloeding door ambtenaren van het Ministerie. Zij heeft onder de toenmalige Wet openbaarheid van het bestuur (Wob) een groot aantal stukken gekregen van het WODC en het Ministerie. Daarin zijn delen weggelakt. In deze procedure vordert zij – kort gezegd – ongecensureerde afschriften van die stukken. Daarnaast wil zij alsnog afgifte van de conceptversies van het rapport. Zij baseert deze vorderingen primair op artikel 843a Wetboek van Rechtsvordering (Rv) en subsidiair op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). 1.2 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en het hof is het daarmee eens. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 7 mei 2024, is CGJG in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2024. De Staat heeft een verweerschrift ingediend dat op 2 oktober 2024 is ontvangen ter griffie van het hof. 2.2. Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 19 juni 2025. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 Op 3 juli 2018 heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen waarin de regering is verzocht om onderzoek uit te voeren naar opgedane ervaringen met seksueel misbruik van personen die onderdeel zijn (geweest) van CGJG, met als doel inzicht te krijgen in het mogelijk onderliggende patroon, de gebruikte (kerk)regels, gebruiken en structuren binnen CGJG en de invloed die dit heeft op de aangiftebereidheid van deze personen. Daarnaast heeft de Tweede Kamer de regering in deze motie verzocht te bewerkstelligen dat een analyse wordt gemaakt van de ter zake in andere landen reeds verrichte onderzoeken en daarbij, zo mogelijk, aanbevelingen voor Nederland te formuleren. Aanleiding voor deze motie waren berichten in de media en meldingen van de Stichting Reclaimed Voices, een stichting opgericht door ex-leden van CGJG, waaruit een beeld naar voren kwam dat slachtoffers van seksueel misbruik binnen CGJG niet (altijd) steun zouden krijgen bij het doen van aangifte en ontmoedigd zouden worden om naar buiten te treden. 3.2 De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: ‘de Minister’) heeft het WODC gevraagd dit onderzoek uit te voeren. Het WODC heeft het onderzoek in december 2018 uitbesteed aan de Universiteit Utrecht (hierna: de UU). 3.3 Vlak nadat het WODC de opdracht aan de UU had verleend, kwam op 15 januari 2019 het rapport Ongemakkelijk Onderzoek uit. In het rapport werd geconcludeerd dat ambtenaren van het Ministerie in de periode 2017-2019 regelmatig de onafhankelijkheid van het WODC hadden geschaad en dat in dat verband sprake was van structurele tekortkomingen in de relatie tussen het WODC en de beleidsafdelingen van het Ministerie. De rapporteurs achtten het aannemelijk dat bij ten minste enkele onderzoeken sprake is geweest van oneigenlijke beïnvloeding op opzet, uitvoering of conclusies van WODC-onderzoek. 3.4 Het UU-onderzoek is onder mee In die procedure vorderen zij kort gezegd: verklaringen voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld; een verbod voor de Staat om uitingen, beleid en maatregelen op het UU-rapport te baseren; een verbod voor de Staat om op enigerlei wijze de suggestie te wekken dat seksueel misbruik binnen de geloofsgemeenschap van CGJG veelvuldiger voorkomt dan elders in de maatschappij en/of dat CGJG of haar leden (potentiële) slachtoffers van seksueel misbruik in strijd met een daartoe voor CGJG bestaande rechtsplicht onvoldoende ondersteuning en/of bescherming biedt/bieden; een immateriële schadevergoeding. CGJG en het individuele lid hebben ter onderbouwing van het gevorderde onder meer aangevoerd dat de Minister zich bij het bepalen van de maatregelen jegens de CGJG ten onrechte op het UU-rapport heeft gebaseerd. Ook hebben zij aangevoerd dat de Minister door zijn uitlatingen binnen de Tweede Kamer, op sociale media en in de talkshow Opl, onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de CGJG en haar leden. Volgens hen zijn de uitlatingen en de getroffen maatregelen in strijd met meerdere grondrechten en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Kort voor de mondelinge behandeling is door hen een incidentele exhibitievordering op grond van artikel 843a Rv ingesteld. De rechtbank heeft deze vordering bij rolbeslissing van 11 mei 2023 geweigerd wegens strijd met de goede procesorde. 3.12 De rechtbank heeft bij vonnis van 13 december 2023 de vorderingen in de bodemprocedure afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat dat de Minister zich op het UU-rapport heeft mogen baseren, en dat de uitlatingen van de Minister in de media – hoewel kritisch – binnen de grenzen van het toelaatbare zijn gebleven. Voor uitingen in de Tweede Kamer geniet de Minister naar het oordeel van de rechtbank immuniteit. Ook de maatregelen die de Minister heeft genomen, zijn, gelet op de ernst van de kwestie, de concrete en specifieke signalen die de Minister uit de Tweede Kamer en het maatschappelijk veld hadden bereikt, en gelet op de beleidsruimte die de Minister bij het nemen van maatregelen toekomt, volgens de rechtbank gerechtvaardigd en proportioneel en voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de (grond)rechten van eisers niet zijn geschonden. CGJG is in hoger beroep gegaan van deze beslissing. De memorie van grieven is op 17 juni 2025 genomen. 3.13 Voorafgaand aan het starten van de bodemprocedure heeft CGJG onder meer bij het WODC en het Ministerie een verzoek ingediend op grond van de inmiddels per 1 mei 2022 vervallen Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Deze verzoeken strekken tot het verkrijgen van kopieën van alle bescheiden die betrekking hebben op het onderzoek van het UU en de totstandkoming van het UU-rapport. Het WODC en de Minister hebben deze Wob-verzoeken op 18 mei 2020 respectievelijk 16 juni 2021 deels toegewezen. Tegen deze besluiten om de verzochte informatie slechts deels openbaar te maken, heeft CGJG bezwaar gemaakt. 3.14 Op die bezwaren is op 27 oktober 2020 respectievelijk 12 april 2022 beslist, waarbij opnieuw een deel van de gevraagde informatie is geweigerd. CGJG heeft tegen deze beslissingen op bezwaar beroep ingesteld bij de bestuursrechter. In die beroepsprocedures is nog niet beslist (de zittingen hebben plaatsgevonden in april 2025). 3.15 In het kader van deze Wob-procedures zijn door het WODC en het Ministerie inventarislijsten aan CGJG verstrekt, waarin de aangetroffen bescheiden kort zijn beschreven en waarin is aangegeven of deze al dan niet (deels) openbaar worden gemaakt. 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 Bij verzoekschrift van 5 juni 2023 heeft CGJG de rechtbank verzocht om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking 1. de Staat te veroordelen tot afgifte van primair: a) niet-geanonimiseerde afschriften van de in de volgende inventarisatielijsten genoemde bescheiden (met uitzondering van de correspondentie tussen de Staat en zijn advo Zij verzoekt – zakelijk weergegeven – de beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken toe te wijzen. Zij heeft haar verzoek onder 1. primair sub a in hoger beroep vermeerderd en vordert nu ook de veroordeling van de Staat tot afgifte van de bescheiden genoemd in (iv) de inventarislijst van 12 maart 2024 betreffende het herstelbesluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. 5.2 Samengevat zien de grieven (de bezwaren) van CGJG op het volgende. Met grief 1 betoogt CGJG dat de rechtbank voor het verzoek van belang zijnde feiten buiten beschouwing heeft gelaten, althans dat CGJG niet kan nagaan of de rechtbank alle aangedragen feiten bij het eindoordeel heeft betrokken. Met name heeft de rechtbank volgens haar onvoldoende acht geslagen op de verwikkelingen voorafgaand aan de totstandkoming van het UU-rapport. CGJG stelt dat de Staat zich achter de schermen vanaf het prille begin baseerde op weinig gesubstantieerde informatie en ongefundeerde vermoedens van ambtenaren en dat daaruit al blijkt dat sprake was van vooringenomenheid en/of oneigenlijke beïnvloeding. Grief 2 valt uiteen in twee delen. Met het eerste deel voert CGJG aan dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door ten onrechte te eisen dat CGJG per document of per categorie documenten had moeten aangeven welke informatie zij daarin miste en in hoeverre die informatie kan dienen ter onderbouwing van haar standpunt. CGJG stelt dat de vereisten van artikel 843a Rv in onderlinge samenhang moeten worden bekeken, en dat de vraag hoe specifiek stukken moeten worden genoemd afhangt van het doel dat de exhibitie moet dienen en de rechtsbetrekking waarop zij betrekking hebben. Het verzoek is volgens haar hoe dan ook voldoende specifiek. Het tweede deel van grief 2 houdt in dat CGJG wel degelijk rechtmatig belang heeft bij de verzochte stukken en dat geen sprake is van een ‘fishing expedition’. CGJG heeft in hoger beroep de verzochte stukken op twee manieren nader gecategoriseerd (op die categorisering wordt hieronder teruggekomen). CGJG wil kunnen aantonen dat sprake is geweest van oneigenlijke beïnvloeding en stelt dat het daarvoor nodig is dat zij exact kan reconstrueren hoe en waarom het onderzoek is opgestart en wie daarbij op welk moment betrokken waren, en waarom, alsmede hun betrokkenheid ná publicatie van het rapport. CGJG verwijst ook in hoger beroep in dit verband naar het rapport Ongemakkelijk Onderzoek van 15 januari 2019 en voert aan dat een deel van de in dit rapport genoemde signalen van oneigenlijke beïnvloeding is bevestigd in de gecensureerde kopieën van de openbaar gemaakte documenten en dat daaruit verder blijkt dat ambtenaren input hebben gegeven op de conclusies en aanbevelingen van ten minste drie conceptversies van het rapport. Grief 3 gaat in op het oordeel van de rechtbank over de verzochte toekomstige bescheiden. Volgens CGJG zijn ook die stukken wel degelijk voldoende bepaalbaar. Met grief 4 voert CGJG aan dat zij op grond van de artikelen 6, 8, 9 en 10 EVRM recht heeft op niet-geredigeerde kopieën van informatie die ‘ready and available’ is. CGJG stelt dat een rechtmatig belang geen vereiste is voor het recht op uitoefening van ‘the freedom to receive and impart information’ onder artikel 10 EVRM. Als dat wel zo zou zijn, geldt volgens haar dat wel degelijk sprake is van een legitiem belang. Verder wijst zij op het door artikel 6 EVRM gewaarborgde ‘adversarial principle and the principle of equality arms’ en het door artikel 8 EVRM beschermde ‘right to information held by a public authority’. 6 Beoordeling in hoger beroep Primaire grondslag artikel 843a Rv (grieven 1 tot en met 3) Juridisch kader 6.1 Aan het hof ligt de vraag voor of CGJG op grond van artikel 843a Rv recht heeft op afgifte van de hierboven onder 4.1 en 5.1 bedoelde stukken. Artikel 843a Rv voorziet niet in een onbeperkt recht op inzage of afschrift van stukken die een ander onder zich heeft. Op grond van lid 1 van deze bepaling moet zijn vol Wat daar ook van zij, ook onder het nieuwe recht is het inzagerecht niet onbegrensd. Er gelden nog steeds eisen, onder meer om tot een zorgvuldige belangenafweging te komen en ‘fishing expeditions’ te voorkomen. Het hof volstaat hier met de overweging dat het in deze zaak onder het nieuwe recht tot eenzelfde uitkomst zou zijn gekomen. Dat wordt niet anders doordat onder het nieuwe recht de eis van een voldoende aannemelijke rechtsbetrekking niet (meer) geldt. 6.8 Het hof zal het verzoek tegen de achtergrond van het voorgaande beoordelen. De op de inventarislijsten vermelde stukken: niet aan de eisen voldaan (grieven 1 en 2) 6.9 CGJG vermoedt dat sprake is geweest van oneigenlijke beïnvloeding. Zij stelt dat dit met de verzochte ongecensureerde stukken nader te onderbouwen is en dat dit voor haar van belang is met het oog op het hoger beroep in de bodemprocedure, waarin de Staat zich ter rechtvaardiging van zijn handelen op het rapport beroept. Daarnaast zou de oneigenlijke beïnvloeding ook een zelfstandige onrechtmatige daad opleveren. Zoals hierboven al vermeld, wil CGJG de ongecensureerde versies van: álle op de Wob-inventarislijsten voorkomende stukken en álle onder de Wob/Woo nog te verstrekken stukken, en alle conceptrapporten. 6.10 Het gaat om meer dan duizend stukken. CGJG voert op zich terecht aan (grief 2) dat die grote hoeveelheid als zodanig nog geen reden voor afwijzing is, maar zoals de Staat onweersproken heeft gesteld (en zoals overigens ook het hof is gebleken), zitten tussen al die stukken ook veel stukken waarvan vrijwel direct duidelijk is dat deze niet relevant zijn voor het beroep op oneigenlijke beïnvloeding. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt immers niet in te zien waarom bijvoorbeeld offertes, facturen, contracten, mails over het Privacy Impact Assessment en communicatie over de geheimhoudingsverklaring (dit is een niet-limitatieve opsomming), gebruikt kunnen worden ter onderbouwing van de gestelde oneigenlijke beïnvloeding. Dit betekent dat voor een aanzienlijk deel van de verzochte stukken hoe dan ook niet aan de vereisten van 843a Rv is voldaan. CGJG heeft in hoger beroep weliswaar een categorisering aangebracht maar hierna zal worden uiteengezet dat deze niet afdoende is. Het hof is het met de Staat en de rechtbank eens dat CGJG aan de hand van de al openbaar gemaakte stukken redelijkerwijs in staat moest worden geacht een nadere onderbouwing te geven van haar verzoek en beter te omschrijven van welke stukken, dan wel van welk type stukken, zij de ongecensureerde versie wil en waarom zij daarbij een rechtmatig belang heeft. De stukken zijn niet alle zodanig gecensureerd dat dat niet mogelijk was. Dat klemt temeer nu CGJG op basis van de verstrekte stukken zelf ook al conclusies trekt. 6.11 De door CGJG aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad van 29 november 2024 en van de rechtbank Den Haag van 12 februari 2025 doen aan het voorgaande niet af. In de zaak waar de uitspraak van de Hoge Raad op zag ging het om een bewijsbeslag op een administratie waarin na een zoekslag met zoektermen in een bijzonder grote hoeveelheid digitale bestanden, nog steeds een grote hoeveelheid bestanden (ca 650.000) overbleef. De Hoge Raad overwoog dat in zo’n geval “niet uit te sluiten” valt dat sommige bestanden ten onrechte tot de geselecteerde bestanden behoren, maar dat dit nog niet voldoende reden is voor afwijzing van een inzagevordering, omdat ook in dat geval het rechtmatig belang van de verzoeker zwaarder kan wegen dan het belang van de beslagene. In de onderhavige zaak liggen de feiten anders en is niet alleen “niet uit te sluiten” dat zich onder de verzochte stukken ook niet-relevante stukken bevinden, maar staat dat als onweersproken vast. Zoals hierboven al overwogen valt bovendien niet in te zien waarom in dit geval niet redelijkerwijs van CGJG gevergd kon worden dat zij een beter werkbare categorisering aan zou brengen ten behoeve van de toetsing aan de eisen van artikel 843a Rv. Het belang van CGJG bij Niet duidelijk is waarom CGJG rechtmatig belang zou hebben bij kennisname van álle namen en álle beleidsopvattingen, voorkomend in álle stukken, en waarom dat belang zwaarder zou moeten wegen dan het belang van de Staat om niet al deze gevoelige informatie te hoeven verschaffen. Dit geldt nog afgezien van de vraag of gewichtige redenen aan afgifte in de weg staan, zoals het privacybelang van de ambtenaren en het belang om vrijelijk van gedachten te kunnen wisselen, zoals de Staat heeft aangevoerd. 6.15 Aldus resteren categorie 1 sub (c), de door ambtenaren gegeven input, en daarnaast de vanaf het begin als afzonderlijke categorie genoemde conceptversies van de rapporten. Beide typen informatie/documenten houden op zich verband met de stelling van CGJG dat sprake is geweest van sturing en beïnvloeding. Dat is echter nog niet voldoende reden voor toewijzing van de verzoeken. Zoals hierboven al is overwogen is voor het aannemen van een rechtmatig belang méér nodig dan speculaties over een mogelijke gang van zaken en de wens om stukken in handen te krijgen die misschien een bevestiging kunnen vormen van een vermoeden. Anders gezegd (zoals in de toelichting op de nieuwe regeling van artikel 194 en 195a Rv staat): er is sprake van een fishing expedition als informatie meer lijkt te worden opgevraagd om een zaak op te zetten dan om deze te kunnen onderbouwen . 6.16 CGJG erkent dat sturing door ambtenaren op zichzelf niet onrechtmatig behoeft te zijn. Volgens haar is echter sprake geweest van ‘oneigenlijke’ en dus onrechtmatige beïnvloeding. Naar het hof begrijpt zou dat moeten blijken uit de volgende feiten en omstandigheden: Uit het rapport Ongemakkelijk Onderzoek blijkt dat in andere WODC-onderzoeken ook oneigenlijke beïnvloeding heeft plaatsgevonden. Deze andere onderzoeken overlappen de periode van het UU-onderzoek. De gecensureerde Wob-stukken bevestigen volgens CGJG bovendien dat de in dat rapport Ongemakkelijk Onderzoek gesignaleerde elementen die zouden (kunnen) duiden op oneigenlijke beïnvloeding, ook in het UU-onderzoek voorkomen. Zo is er tot het laatst toe gesleuteld aan de hoofdonderzoeksvraag. Verder is gebleken dat beleidsambtenaren ten minste drie conceptversies van het rapport hebben geredigeerd inclusief de conclusies en aanbevelingen. Ook dat is een signaal van oneigenlijke beïnvloeding. Weer een ander signaal is dat de onderzoeker in het UU-onderzoek op zeer amicale voet stond met het WODC. Uit de omstandigheid dat het onderwerp (omgang met seksueel misbruik binnen CGJG) ook na het gesprek met het bestuur van CGJG op de agenda bleef staat, blijkt dat het gesprek met het bestuur kennelijk geen indruk had gemaakt. Dit bevestigt dat sprake was van vooringenomenheid, aldus CGJG. Opvallend is ook dat CGJG als enige godsdienstige gemeenschap wordt genoemd in het rapport van 1 november 2019 over verruiming van de aangifteplicht, nog voordat het UU-rapport er überhaupt lag. Dit versterkt volgens CGJG de indruk dat de Staat erop uit was een onderbouwing te krijgen om CGJG te bewegen tot maatregelen en zich daarbij meer baseerde op ongefundeerde vermoedens dan op feiten. Tot slot is van belang dat in een intern verslag van 17 april 2018 van een gesprek binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid ter voorbereiding van een gesprek met het bestuur van CGJG staat dat als CGJG niet meebeweegt met de verzoeken van de Staat er (maximaal) druk zal worden uitgeoefend om de door de Staat gewenste veranderingen te bewerkstelligen. 6.17 Ten aanzien van e) tot en met g) geldt het volgende. Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt is het gelet op de aard en ernst van het onderwerp niet vreemd of verdacht dat het onderwerp na een gesprek met het bestuur van CGJG op de agenda bleef staan, dat behoefte bestond aan het onderzoeken van het nut van een verruiming van de aangifteplicht en dat belang werd gevoeld om zo nodig druk uit te oefenen op CGJG om in te stemmen met een onafhankelijk onderzoek. Dat duidt nog niet op vooringenomenheid. De Staat heeft al in eerste aanleg uiteengezet dat het gebruikelijk is en ook is toegestaan dat de ambtenaar van het Ministerie die lid is van de begeleidingscommissie (hierna: het Ministeriële lid) overleg voert, meeleest en input geeft op het onderzoek en (de conclusies en aanbevelingen in) het concept onderzoeksrapport. Dit strookt volgens de Staat met het op 5 december 2019 in werking getreden Omgangskader, dat, naar de Staat ter zitting in hoger beroep heeft toegelicht, een bevestiging vormt van wat daarvoor al de praktijk was. Ook was en is het volgens de Staat daarbij toegestaan dat dit Ministeriële lid overleg voert met collega’s buiten de begeleidingscommissie, vanwege de specifieke expertise van die collega’s, en dat de resultaten van dat overleg vervolgens door het Ministeriële lid worden gedeeld met de begeleidingscommissie en via die commissie met de onderzoekers. Volgens de Staat komt dit voort uit de taak van de begeleidingscommissie: het toezien op de wetenschappelijke kwaliteit van het onderzoek en het waarborgen van de onafhankelijkheid van de uitvoering van dat onderzoek en van de totstandkoming van het rapport; de begeleidingscommissie moet toetsen of de conclusies zijn gebaseerd op, respectievelijk voortvloeien uit de opgehaalde data en bevindingen. Niet in geschil is dat ook in het UU-onderzoek feedback is gegeven aan de onderzoekers, rechtstreeks door de begeleidingscommissie zelf en door ambtenaren buiten de begeleidingscommissie, via die begeleidingscommissie. Wat dat laatste betreft geldt dat uit de stukken blijkt dat het Ministeriële lid aan de projectleider van het WODC (volgens de verklaring van de Staat is dat de WODC-medewerker die deel uit maakt van de begeleidingscommissie) schriftelijk toestemming heeft gevraagd om overleg te hebben met die collega’s en dat die toestemming is gegeven onder de voorwaarde dat ook die collega’s zich zouden houden aan de vertrouwelijkheidsvoorwaarden en dat het Ministeriële lid zelf verantwoordelijk zou zijn voor de inbreng in de begeleidingscommissie. Dit verzoek om toestemming is overigens in overeenstemming met het Omgangskader, hetgeen een bevestiging vormt van de stelling dat voorheen ook al conform dat kader werd gehandeld. 6.23 De aldus beschreven gang van zaken is niet vreemd of ‘verdacht’. Er kunnen allerlei goede redenen zijn voor input die niets te maken hebben met oneigenlijke beïnvloeding. Ter zitting is het voorbeeld gegeven dat input is gevraagd ten aanzien van de cijfers (aantallen meldingen/aangiften van seksueel misbruik binnen CGJG respectievelijk aantallen meldingen/aangiften landelijk). Het hof is van oordeel dat in beginsel moet worden vertrouwd op de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van de onderzoekers en de controlerende taak van de begeleidingscommissie die in meerderheid bestaat uit onafhankelijke wetenschappers. Dit klemt temeer nu in dit geval ook geen sprake is van een louter negatief rapport. Het rapport bevat ook nuances en in het rapport staat bijvoorbeeld ook vermeld dat het bestuur van CGJG goed heeft meegewerkt aan het onderzoek en dat bij de vragenlijsten expliciet is vermeld dat de onderzoekers niet alleen op zoek waren naar negatieve, maar ook naar positieve ervaringen met de afhandeling van een melding of nazorg. In dit verband kan nog worden opgemerkt dat CGJG zelf heeft opgemerkt dat het rapport de (volgens CGJG) veronderstelde uitkomsten niet bevestigde en dat de (volgens CGJG) diffamerende uitlatingen van de Minister niet strookten met de conclusies en aanbevelingen uit dat rapport. Dit verhoudt zich ook niet goed tot de gestelde oneigenlijke beïnvloeding. 6.24 De conclusie luidt dat er veel argwaan bestaat bij CGJG, maar dat zij uiteindelijk toch blijft steken in vermoedens en speculaties. Het hof kan in het aangevoerde (ook niet in onderlinge samenhang bezien) geen (begin van een) ‘smoking gun’ ontwaren. Daarmee heeft CGJG onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een rechtmatig belang bij de verzochte ongec