Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-05-15
ECLI:NL:GHDHA:2025:2019
Strafrecht
Hoger beroep
9,817 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2025:2019 text/xml public 2026-01-30T11:19:58 2025-09-26 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2025-05-15 22-001565-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2019 text/html public 2026-01-28T17:41:48 2026-01-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2025:2019 Gerechtshof Den Haag , 15-05-2025 / 22-001565-24 Belaging. De verdachte heeft samen met zijn vriendin gedurende langere periode en met gebruikmaking van diverse middelen de ex-partner van zijn vriendin en de huidige levensgezel van die ex-partner belaagd. De belaging heeft grote impact gehad op de ex-partner, zijn levensgezel en de betrokken kinderen. Rolnummer: 22-001565-24 Parketnummer: 10-241775-22 Datum uitspraak: 15 mei 2025 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, adres: [woonadres], [woonplaats]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is aan hem een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met de aangevers en de kinderen, een locatieverbod en een contactverbod met de medeverdachte. De rechtbank heeft deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tevens heeft de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven en zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep De verdachte is in eerste aanleg partieel vrijgesproken van hetgeen aan hem impliciet cumulatief is tenlastegelegd, te weten de onder sub 2, 4 en 7 tenlastegelegde gedragingen. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken. Waar hierna wordt gesproken van “de zaak” of “het vonnis”, wordt daarmee derhalve bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande nog aan het oordeel van dit hof onderworpen, te weten ten aanzien van de onder sub 1, 3, 5 en 6 impliciet cumulatief tenlastegelegde gedragingen. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 06 juli 2021 tot en met 11 januari 2023 te Vlaardingen en/of te Rotterdam en/of te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], door 1. veelvuldig, althans meerdere malen, berichten en/of foto's en/of video's die betrekking hebben op voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] op sociale media te plaatsen, welke berichten en/of foto's en/of video's veelal een int i miderende en/of dreigende en/of lasterlijke en/of kwetsende inhoud en/of strekking hebben, waaronder de volgende teksten: - ' burgemeesters die niet geassocieerd willen worden met de #antisemiet [slachtoffer 1] aka #[naam 1] verwijderen wijselijk hun tweets waarin hij benoemd wordt' en/of - ' vanwege aangiftes van [naam 1] die door menigeen de corrupte ontvoerder van [medeverdachte] haar #uithuisgeplaatse kinderen wordt genoemd' en/of - ' ik zal de wraak laten zien van een vader wiens zoon #uithuisgeplaatst is vanwege mijn liefde voor Israel' en/of - ' de kinderen van [medeverdachte] worden gediscrimineerd door hen te verbieden Kerstmis te vieren' en/of - ' we willen dat de wet aangepast wordt zodat staatskindontvoerders de doodstraf krijgen' en/of 'wat te doen met gescheiden ouders waarvan er één meewerkt met de staatskindontvoerders' en/of - ' ze zijn ontvoerd door die vrouw samen met die mensen waar ze nu zeverblijven' en/of - '#[ slachtoffer 3] #[slachtoffer 4] #[slachtoffer 5] begrijpen jullie hoe en jullie moeder niet mogen zien van de mensen waar jullie verblijven' en/of - ' mensenhandel zichtbaar maken zegt [slachtoffer 2] die 3 kinderen heeft ontvoerd' en/of - ' kinderen zitten opgesloten bij ouders welke de meerderheid in het kwade volgen', bij welke tekst een foto van voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] is geplaatst en/of - ' en in opdracht van deze kinderdief [slachtoffer 1] die zijn overheidsfunctie misbruikt en/of - '[ slachtoffer 1] is een corrupte politie-agent' en/of 3. meerdere malen, althans eenmaal, sturen van e-mail(s) naar derden over voornoemde [slachtoffer 1], in welke e-mail(s) voornoemde [slachtoffer 1] wordt beticht van machtsmisbruik en/of 5. zich veelvuldig, althans meerdere malen, op te houden bij en/of in de omgeving van woning van voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] en/of 6. meerdere malen, althans eenmaal, stickers en/of ballonnen met daarop teksten gericht aan de kinderen van voornoemde [slachtoffer 1] te plaatsen en/of op te hangen in de omgeving van de woning van voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] en/of in de omgeving van de school van de kinderen van voornoemde [slachtoffer 1] en/of met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen; Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren onder algemene en bijzondere voorwaarden, inhoudende dat de verdachte zich noch direct, noch indirect op sociale media zal uitlaten over de aangevers of de kinderen, een contactverbod met de aangevers en de kinderen en een gebiedsverbod zoals naar voren gebracht door de rechtbank in eerste aanleg. De advocaat-generaal heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden gevorderd. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel zal worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met de aangevers en de kinderen, een gebiedsverbod en een contactverbod met de medeverdachte, voor de duur van 5 jaren. De advocaat-generaal heeft tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel gevorderd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in of omstreeks de periode van 06 juli 2021 tot en met 11 januari 2023 te Vlaardingen en/of te Rotterdam en /of te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] en /of [slachtoffer 2], door 1.
Volledig
veelvuldig , althans meerdere malen, berichten en /of foto's en/of video's die betrekking hebben op voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] op sociale media te plaatsen, welke berichten en /of foto's en/of video's veelal een intmiderende en/of dreigende en/of lasterlijke en/of kwetsende inhoud en/of strekking hebben, waaronder de volgende teksten: - ' burgemeesters die niet geassocieerd willen worden met de #antisemiet [slachtoffer 1] aka #[naam 1] verwijderen wijselijk hun tweets waarin hij benoemd wordt' en /of - ' vanwege aangiftes van [naam 1] die door menigeen de corrupte ontvoerder van [medeverdachte] haar #uithuisgeplaatse kinderen wordt genoemd' en/of - ' ik zal de wraak laten zien van een vader wiens zoon #uithuisgeplaatst is vanwege mijn liefde voor Israel' en /of - ' de kinderen van [medeverdachte] worden gediscrimineerd door hen te verbieden Kerstmis te vieren' en /of - ' we willen dat de wet aangepast wordt zodat staatskindontvoerders de doodstraf krijgen' en/of 'wat te doen met gescheiden ouders waarvan er één meewerkt met de staatskindontvoerders' en /of - ' ze zijn ontvoerd door die vrouw samen met die mensen waar ze nu ze verblijven' en /of - '#[ naam 3] #[naam 4] #[naam 5] begrijpen jullie hoe onlogische het is dat jullie gevangen zitten in Den Haag en jullie moeder niet mogen zien van de mensen waar jullie verblijven' en /of - ' mensenhandel zichtbaar maken zegt [slachtoffer 2] die 3 kinderen heeft ontvoerd' en /of - 'kinderen zitten opgesloten bij ouders welke de meerderheid in het kwade volgen', bij welke tekst een foto van voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] is geplaatst en/of - ' en in opdracht van deze kinderdief [slachtoffer 1] die zijn overheidsfunctie misbruikt en /of - '[ slachtoffer 1] is een corrupte politie-agent' en /of 3. meerdere malen , althans eenmaal , sturen van e-mail ( s ) naar derden over voornoemde [slachtoffer 1], in welke e-mail ( s ) voornoemde [slachtoffer 1] wordt beticht van machtsmisbruik en /of 5. zich veelvuldig , althans meerdere malen, op te houden bij en/of in de omgeving van de woning van voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] en/of 6. meerdere malen, althans eenmaal, stickers en/of een ballon nen met daarop teksten gericht aan de kinderen van voornoemde [slachtoffer 1] te plaatsen en /of op te hangen in de omgeving van de woning van voornoemde [slachtoffer 1] en /of voornoemde [slachtoffer 2] en/of in de omgeving van de school van de kinderen van voornoemde [slachtoffer 1] en/of met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 1] en /of [slachtoffer 2], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en /of vrees aan te jagen; Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Bespreking van het verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de behandeling van de zaak terug te wijzen naar de rechtbank in de rechtbank Rotterdam, omdat het aanhoudingsverzoek van de verdachte ten onrechte niet is gehonoreerd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte ten tijde van de zitting ziek was en aan clusterhoofdpijn leed, waardoor hij niet aanwezig kon zijn. Het hof overweegt als volgt. In sommige gevallen waarin de rechtbank de hoofdzaak wel heeft beslist, kan het in artikel 423, tweede lid, Sv besloten liggende beginsel dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties met zich brengen dat na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, de zaak wordt teruggewezen naar de eerste rechter. Naast de in artikel 423, tweede lid, Sv geregelde gevallen kan van zo'n geval sprake zijn indien in eerste aanleg zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van het gerecht dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdige rechterlijke instantie als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit geldt ook voor de situatie waarin de rechter op de terechtzitting in eerste aanleg niet aan de inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen omdat een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich ook niet een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. Tot deze personen kunnen, naast de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, alleen de verdachte en zijn raadsman worden gerekend. (Vgl. HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442.) Het hof wijst het verzoek van de raadsvrouw tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank af op de grond dat geen sprake is van een geval als hiervoor bedoeld. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het proces-verbaal ter terechtzitting van 8 april 2024 blijkt dat de toenmalige advocaat geen uitdrukkelijk beroep op het aanwezigheidsrecht heeft gedaan. Bovendien heeft de raadsman, na afwijzing van het aanhoudingsverzoek door de rechtbank, telefonisch contact gehad met de verdachte en vervolgens met toestemming van de verdachte het woord gevoerd ter terechtzitting. Nu de belangen van de verdachte, die op de hoogte was van de zitting, zijn behartigd door een gemachtigd raadsman is er geen sprake van een gebrek in de behandeling van de zaak door de rechtbank dat noopt tot terugwijzing. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: belaging. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan belaging van de aangevers. De verdachte heeft onder andere belastende berichten geplaatst op sociale media en is naar de woning van de aangevers gegaan. Na verschillende stopgesprekken en ook nadat de verdachte is aangehouden, is de verdachte doorgegaan met de belaging. Hieruit blijkt dat de verdachte volhardend is geweest in zijn gedrag en geen inzicht heeft getoond in de ernst van zijn handelen. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangevers en de kinderen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft één van de aangevers verklaard over de impact die deze voortdurende daden op hen en de kinderen heeft (gehad). Daarnaast blijkt uit de slachtofferverklaring dat de belaging, ondanks het lopende contact- en locatieverbod dat dadelijk uitvoerbaar is verklaard, nog steeds niet is opgehouden. Zij, haar partner en de kinderen ervaren nog dagelijks angst, stress en moeten voortdurend alert zijn op de aanwezigheid van de verdachte in hun fysieke en/of digitale omgeving. Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
Volledig
17 april 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op een Reclasseringsadvies d.d. 27 februari 2025, uitgebracht met het oog op een mogelijke schorsing van de voorlopige hechtenis. Ondanks te verwachten problemen bij het (kunnen) nakomen van afspraken met de reclassering is reclasseringstoezicht geadviseerd in verband met de geconstateerde noodzaak om toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden te monitoren. De verdachte is door het hof met ingang van 17 maart 2025 onder voorwaarden geschorst. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte over zijn persoonlijke omstandigheden verklaard dat hij tijdens zijn detentie zijn huurwoning heeft kunnen behouden en daar nu samen met zijn zoon woont, mantelzorg verleent aan zijn moeder en een uitkering zal ontvangen via de Ziektewet. Hij heeft ook aangegeven dat hij veel last heeft van clusterhoofdpijn, wat hem in zijn dagelijkse leven beperkt. Gevangenisstraf Het hof is van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur recht doet aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Het hof is alles afwegende van oordeel dat een - deels voorwaardelijke - gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient de verdachte te doordringen van de noodzaak zich in de toekomst verre te houden van het plegen van strafbare feiten. Gelet op het volhardende gedrag van de verdachte in het verleden, zal het hof zal de proeftijd bepalen op drie jaar. Het hof stelt hierbij als bijzondere voorwaarden dat het de verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is: - contact te onderhouden met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 1977 en [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1991 en de kinderen [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 2007, [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum slachtoffer 4] 2009 en [slachtoffer 5], geboren op [geboortedatum slachtoffer 5] 2010; - zich op te houden in het navolgende gebied: binnen een straal van 5 kilometer van de [straat 1] te 's-Gravenhage ([postcode 1]) en de [straat 2] te 's-Gravenhage ([postcode 2]); - berichten op sociale media te verspreiden of laten verspreiden die betrekking hebben op de aangevers of de kinderen waarvoor het contactverbod van kracht is. Het hof zal geen contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] opleggen omdat dit een onevenredige inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 38v-maatregel en dadelijke uitvoerbaarheid Daarnaast zal het hof ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaren opleggen. De reden voor de duur van de maatregel is gelegen in de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis van de verdachte in de onderhavige zaak tweemaal is geschorst en de verdachte tijdens deze perioden is doorgegaan met de hem verweten gedragingen, ondanks dat hem een contact- en gebiedsverbod en een gedragsaanwijzing was opgelegd. De maatregel houdt in dat de verdachte: - zich niet zal ophouden in het navolgende gebied: binnen een straal van 5 kilometer van de [straat 1] te 's-Gravenhage ([postcode 1]) en de [straat 2] te 's-Gravenhage ([postcode 2]); - op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal onderhouden met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 1977 en [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1991 en de kinderen [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 2007, [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum slachtoffer 4] 2009 en [slachtoffer 5], geboren op [geboortedatum slachtoffer 5] 2010; - geen berichten op sociale media zal verspreiden of laten verspreiden die betrekking hebben op de aangevers of de kinderen waarvoor het contactverbod van kracht is. Het belang van verdachte de [straat 3] te bezoeken weegt niet op tegen het belang van de slachtoffers gevrijwaard te blijven van belaging. Ook het belang van de verdachte het Stadhuis aan het Spui, het Provinciehuis en de Eerste en Tweede Kamer te mogen bezoeken in verband met zijn politieke aspiraties weegt niet op tegen het belang van de slachtoffers in hun leefomgeving gevrijwaard te blijven van belaging. Gelet op de eerdergenoemde motivering dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens de hiervoor genoemde personen. Op grond daarvan zal de maatregel dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 11.796,78. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 11.796,78. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat materiële schade is geleden zoals hierna vermeld. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, zoals hierna vermeld, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over de afzonderlijke bedragen vanaf de factuurdatum tot aan de dag der algehele voldoening (HR 22.4.2025; ECLI:NL:HR:2025:628). Het hof zal de vordering voor een bedrag van € 129,40 niet-ontvankelijk verklaren. De verdediging heeft een bedrag van € 143,31 betwist en aangevoerd dat het bedrag in het kostenoverzicht niet correspondeert met de bijgevoegde factuur van de psycholoog. Gelet op de betwisting door de verdediging is de vordering onvoldoende onderbouwd voor zover het gaat om het verschil tussen de gevorderde hoofdsom en de opstelsom van de toe te wijzen facturen. Om die reden zal het hof de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren. Het gaat daarbij om de volgende toe te wijzen bedragen: € 142,31 met factuurdatum 7 november 2022, € 505,28 met factuurdatum 9 december 2022, € 120,99 met factuurdatum 12 januari 2023, € 256,80 met factuurdatum 9 februari 2023, € 128,40 met factuurdatum 10 maart 2023, € 128,40 met factuurdatum 14 april 2023, € 128,40 met factuurdatum 12 mei 2023, € 128,40 met factuurdatum 13 juli 2023, € 128,40 met factuurdatum 14 september 2023. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de partij die zich op aantasting van de persoon beroept, voldoende concrete gegevens zal moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk geworden dat er sprake is van een aantasting van de persoon van de benadeelde partij, aangezien de benadeelde partij heeft aangetoond geestelijk letsel te hebben opgelopen.
Volledig
Voor het bestaan van geestelijk letsel heeft de benadeelde partij stukken overgelegd waaruit blijkt dat een GZ-psycholoog een diagnose heeft vastgesteld. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 7.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof heeft hierbij gelet op de lange periode waarin de feiten zich hebben afgespeeld, de intensiteit daarvan, de inbreuk op het gezinsleven en de aantijgingen van antisemitisme ook richting de werkgever. Het hof heeft voorts acht geslagen op hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 7.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag met de verschuldigde wettelijke rente aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]. Tevens zal het hof op gelijke gronden aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen de navolgende bedragen met de verschuldigde wettelijke rente aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]: € 142,31 met factuurdatum 7 november 2022, € 505,28 met factuurdatum 9 december 2022, € 120,99 met factuurdatum 12 januari 2023, € 256,80 met factuurdatum 9 februari 2023, € 128,40 met factuurdatum 10 maart 2023, € 128,40 met factuurdatum 14 april 2023, € 128,40 met factuurdatum 12 mei 2023, € 128,40 met factuurdatum 13 juli 2023, € 128,40 met factuurdatum 14 september 2023. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.000,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 10.000,00. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de partij die zich op aantasting van de persoon beroept, voldoende concrete gegevens zal moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk geworden dat er sprake is van een aantasting van de persoon van de benadeelde partij, aangezien de benadeelde partij heeft aangetoond geestelijk letsel te hebben opgelopen. Voor het bestaan van geestelijk letsel heeft de benadeelde partij stukken overgelegd waaruit blijkt dat een GZ-psycholoog een diagnose heeft vastgesteld. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 7.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof heeft hierbij gelet op de lange periode waarin de feiten zich hebben afgespeeld, de intensiteit daarvan, de inbreuk op het gezinsleven en de aantijgingen van antisemitisme ook richting de werkgever. Het hof heeft voorts acht geslagen op hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 7.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag met de verschuldigde wettelijke rente aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]. Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake de impliciet cumulatief tenlastegelegde gedragingen onder sub 2, 4 en 7. Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden . Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarden: dat het de verdachte gedurende de gehele proeftijd verboden is (indirect) contact te onderhouden met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 1977 en [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1991 en de kinderen [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum salchtoffer 3] 2007, [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum slachtoffer 4] 2009 en [slachtoffer 5], geboren op [geboortedatum slachtoffer 5] 2010; dat het de verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden binnen een straal van 5 kilometer van de [straat 1] te 's-Gravenhage ([postcode 1]) en de [straat 2] te 's-Gravenhage ([postcode 2]); dat het de verdachte gedurende de gehele proeftijd verboden is berichten op sociale media te verspreiden of laten verspreiden die betrekking hebben op de aangevers of de kinderen waarvoor het contactverbod van kracht is. Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Volledig
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaren, inhoudende dat wordt bevolen: dat de veroordeelde zich niet zal ophouden in het navolgende gebied: binnen een straal van 5 kilometer van de [straat 1]'s-Gravenhage ([postcode 1]) en de [straat 2] te 's-Gravenhage ([postcode 2]) op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal onderhouden met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 1977 en [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1991 en de kinderen [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 2007, [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum slachtoffer 4] 2009 en [slachtoffer 5], geboren op [geboortedatum slachtoffer 5] 2010 geen berichten op sociale media zal verspreiden of laten verspreiden die betrekking hebben op de aangevers of de kinderen waarvoor het contactverbod van kracht is. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 maand voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht. Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade , waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot de navolgende bedragen aan materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen factuurdatum tot aan de dag der voldoening: € 142,31 met factuurdatum 7 november 2022, € 505,28 met factuurdatum 9 december 2022, € 120,99 met factuurdatum 12 januari 2023, € 256,80 met factuurdatum 9 februari 2023, € 128,40 met factuurdatum 10 maart 2023, € 128,40 met factuurdatum 14 april 2023, € 128,40 met factuurdatum 12 mei 2023, € 128,40 met factuurdatum 13 juli 2023, € 128,40 met factuurdatum 14 september 2023. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 juli 2021. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde ter zake van materiële schade de navolgende bedragen te betalen, en bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de afzonderlijke bedragen aan materiële schade op de betreffende factuurdata, te weten: € 142,31 met factuurdatum 7 november 2022, € 505,28 met factuurdatum 9 december 2022, € 120,99 met factuurdatum 12 januari 2023, € 256,80 met factuurdatum 9 februari 2023, € 128,40 met factuurdatum 10 maart 2023, € 128,40 met factuurdatum 14 april 2023, € 128,40 met factuurdatum 12 mei 2023, € 128,40 met factuurdatum 13 juli 2023, € 128,40 met factuurdatum 14 september 2023. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 80 (tachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 72 (tweeënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 juli 2021. Dit arrest is gewezen door mr. TH.W.H.E. Schmitz, als voorzitter, mr. N. Schaar en mr. H.M.D. de Jong, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.A. Besteman. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 mei 2025. Mr. N. Schaar is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.