Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-06-24
ECLI:NL:GHDHA:2025:1998
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
6,705 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.353.311/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/25/115 F
Arrest van 24 juni 2025
in de zaak van
[appellante] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
appellante,
advocaat: mr. P.C.M. Ouwens, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
1
[geïntimeerde 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
2. [geïntimeerde 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
3. [geïntimeerde 3],
wonende in [woonplaats] ,
4. [geïntimeerde 4],
wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. B.F. van Noort, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] en aanvragers. Geïntimeerde 4 zal worden aangeduid als [geïntimeerde 4] .
Procesverloop
1.1
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2025 is [appellante] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. J.T.P. Pot tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. A.C.L. Beneder, advocaat te Rotterdam, als curator. Bij verzoekschrift (met bijlagen 1 t/m 8), ingekomen ter griffie van het hof op 8 april 2025, is [appellante] van voornoemd vonnis in hoger beroep gekomen en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen. Het hof heeft verder kennisgenomen van de volgende stukken:
een aanvullend verzoekschrift (met bijlagen 5 t/m 15) en de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg van 11 februari 2025 en 1 april 2025, ontvangen van [appellante],
een brief (met bijlagen 1 t/m 5) van 6 juni 2025 van de curator, en
een verweerschrift (met bijlagen 1 t/m 3) van aanvragers.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juni 2025, waarbij voornoemde advocaten en de curator zijn verschenen.
Overwegingen
2.1
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat [appellante] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Daartoe heeft de rechtbank kort samengevat het volgende overwogen. Aanvragers hebben opeisbare vorderingen op [appellante] uit hoofde van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 1 mei 2024. Het verweer van [appellante] dat deze vorderingen op dit moment niet betaald mogen worden in verband met een lopend witwasonderzoek met als (voornaamste) verdachte [geïntimeerde 4] , is onvoldoende aannemelijk gemaakt. [appellante] heeft bovendien niet toegelicht waarom zij, als inderdaad sprake zou zijn van vermogen dat afkomstig is uit misdrijf, niet zou hoeven te voldoen aan het vonnis van 1 mei 2024. Derhalve is sprake van meerdere opeisbare vorderingen die [appellante] niet heeft voldaan. [appellante] heeft niet ingestemd met het voorstel van aanvragers om het geld op een derdengeldrekening te storten en heeft evenmin laten blijken dat zekerheid kan worden gesteld voor de vorderingen van aanvragers. Er is dan ook summierlijk gebleken dat [appellante] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Van misbruik van de bevoegdheid het faillissement van [appellante] aan te vragen, is geen sprake.
2.2
De grieven van [appellante] kunnen als volgt worden samengevat.
[appellante] verkeert niet in een toestand dat zij heeft opgehouden met betalen. Zij kan de vorderingen van aanvragers wel betalen, maar mag dat niet in verband met witwasvermoedens rond [geïntimeerde 4] . Hij is onderwerp van een grootschalig onderzoek vanuit zowel de Portugese als de Spaanse autoriteiten, ondersteund door Europol. [appellante] heeft daarbij verwezen naar verscheidene mediaberichten.. Indien [appellante] tot betaling van aanvragers zou overgaan, kan die betaling worden gekwalificeerd als witwassen. Datzelfde geldt voor het op een derdengeldrekening van een advocaat storten van de verschuldigde bedragen [appellante] verwijst hierbij naar het advies van mr. W.R. Jonk (bijlage 9 bij het verweerschrift in eerste aanleg). Voorts voert [appellante] aan dat aanvragers misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid het faillissement van [appellante] aan te vragen (zie 3:13 BW).
2.3
Het standpunt van aanvragers komt er kort gezegd op neer dat de wettelijke betalingsverplichting die op [appellante] rust, niet voor serieuze betwisting vatbaar is en dat het gestelde gevaar van witwassen onjuist is en ook niet of onvoldoende bewezen.
Aanvragers betwisten dat de door hen aan [appellante] verstrekte gelden verband houden met witwassen. Tegen [geïntimeerde 4] is geen aanklacht ingediend, noch is sprake van een concrete verdenking. Aanvragers waren bereid betaling te aanvaarden op de derdengeldrekening van hun advocaat, maar [appellante] heeft daarmee niet ingestemd. Aanvragers verwijzen naar de opinie van mr. R.A. Kaarls (bijlage 3 bij het verweerschrift in hoger beroep), die een ander standpunt inneemt dan mr. Jonk over het (mogen) opschorten van de betaling door [appellante]. [appellante] heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat zij in staat is om de vorderingen van aanvragers te voldoen en verkeert derhalve nog steeds in de toestand dat zij heeft opgehouden met betalen.
2.4
De curator onthoudt zich van een inhoudelijke reactie op de vorderingen van aanvragers en het door [appellante] ingenomen standpunt over de betaling van die vorderingen, mede omdat, ondanks verzoek daartoe, [appellante] haar administratie niet aan hem heeft overgelegd. Ook is er geen jaarrekening voorhanden omdat [appellante] (vanaf boekjaar 2017) niet heeft voldaan aan haar deponeringsplicht.
2.5
Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt.
2.6
Het vorderingsrecht van aanvragers – dat berust op een onherroepelijk vonnis – wordt niet betwist door [appellante]. Voor zover [appellante] ter zitting van het hof de opeisbaarheid van de vorderingen heeft betwist, is die betwisting niet onderbouwd, nog daargelaten dat die betwisting moet worden aangemerkt als een niet toelaatbare nieuwe grief. [appellante] stelt zich op het standpunt dat zij in staat is om de vorderingen van aanvragers te voldoen, maar dat zij die vorderingen niet mag betalen omdat [geïntimeerde 4] wordt verdacht van witwassen en zij door betaling van de vorderingen van aanvragers, die aan [geïntimeerde 4] zijn gelieerd, strafbaar zou handelen, ook als dat geld op een geblokkeerde derdengeldrekening zou worden geparkeerd. Met het innemen van dat standpunt – wat daar verder ook van zij - had het op de weg van [appellante] gelegen om - in ieder geval in hoger beroep -
nader aan te tonen dat zij over voldoende liquide middelen beschikt om de vorderingen van aanvragers te voldoen. Dat geldt temeer nu aanvragers er steeds op hebben gewezen dat [appellante] die onderbouwing niet heeft gegeven. Zij heeft, ook in hoger beroep, geen enkel – laat staan een gemotiveerd;- inzicht in haar financiële situatie gegeven; zij heeft haar administratie niet ter beschikking van de curator gesteld en er is vanaf het boekjaar 2017 geen jaarrekening gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat ook in hoger beroep summierlijk is gebleken van de vorderingen van aanvragers en van feiten en omstandigheden die aantonen dat [appellante] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
2.7
Van misbruik van bevoegdheid door aanvragers is niet gebleken. De aan dergelijk misbruik door [appellante] ten grondslag gelegde stelling dat aanvragers als gevolg van kennelijke witwaspraktijken, een situatie hebben gecreëerd waarin zij [appellante] voor de keus stellen ofwel mee te werken aan een nieuwe witwashandeling, ofwel haar faillissement tegemoet te gaan, en daarmee hun bevoegdheid misbruiken, kan reeds gezien hetgeen hiervoor in 2.6 overwogen, niet worden gevolgd. Daarbij merkt het hof op dat door de vorderingen niet te betalen en ook geen zekerheid te stellen, [appellante] de ‘besmette’ gelden onder zich houdt. Volgens het advies van mr. Jonk, waarop [appellante] zich beroept, kan ook het voorhanden hebben van deze gelden kwalificeren als witwassen.
2.8
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
Dictum
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2025.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Volker, C.J. Verduyn en M.C.M. van Dijk, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.353.311/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/25/115 F
Arrest van 24 juni 2025
in de zaak van
[appellante] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
appellante,
advocaat: mr. P.C.M. Ouwens, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
1
[geïntimeerde 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
2. [geïntimeerde 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
3. [geïntimeerde 3],
wonende in [woonplaats] ,
4. [geïntimeerde 4],
wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. B.F. van Noort, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] en aanvragers. Geïntimeerde 4 zal worden aangeduid als [geïntimeerde 4] .
Procesverloop
1.1
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2025 is [appellante] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. J.T.P. Pot tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. A.C.L. Beneder, advocaat te Rotterdam, als curator. Bij verzoekschrift (met bijlagen 1 t/m 8), ingekomen ter griffie van het hof op 8 april 2025, is [appellante] van voornoemd vonnis in hoger beroep gekomen en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen. Het hof heeft verder kennisgenomen van de volgende stukken:
een aanvullend verzoekschrift (met bijlagen 5 t/m 15) en de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg van 11 februari 2025 en 1 april 2025, ontvangen van [appellante],
een brief (met bijlagen 1 t/m 5) van 6 juni 2025 van de curator, en
een verweerschrift (met bijlagen 1 t/m 3) van aanvragers.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juni 2025, waarbij voornoemde advocaten en de curator zijn verschenen.
Overwegingen
2.1
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat [appellante] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Daartoe heeft de rechtbank kort samengevat het volgende overwogen. Aanvragers hebben opeisbare vorderingen op [appellante] uit hoofde van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 1 mei 2024. Het verweer van [appellante] dat deze vorderingen op dit moment niet betaald mogen worden in verband met een lopend witwasonderzoek met als (voornaamste) verdachte [geïntimeerde 4] , is onvoldoende aannemelijk gemaakt. [appellante] heeft bovendien niet toegelicht waarom zij, als inderdaad sprake zou zijn van vermogen dat afkomstig is uit misdrijf, niet zou hoeven te voldoen aan het vonnis van 1 mei 2024. Derhalve is sprake van meerdere opeisbare vorderingen die [appellante] niet heeft voldaan. [appellante] heeft niet ingestemd met het voorstel van aanvragers om het geld op een derdengeldrekening te storten en heeft evenmin laten blijken dat zekerheid kan worden gesteld voor de vorderingen van aanvragers. Er is dan ook summierlijk gebleken dat [appellante] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Van misbruik van de bevoegdheid het faillissement van [appellante] aan te vragen, is geen sprake.
2.2
De grieven van [appellante] kunnen als volgt worden samengevat.
[appellante] verkeert niet in een toestand dat zij heeft opgehouden met betalen. Zij kan de vorderingen van aanvragers wel betalen, maar mag dat niet in verband met witwasvermoedens rond [geïntimeerde 4] . Hij is onderwerp van een grootschalig onderzoek vanuit zowel de Portugese als de Spaanse autoriteiten, ondersteund door Europol. [appellante] heeft daarbij verwezen naar verscheidene mediaberichten.. Indien [appellante] tot betaling van aanvragers zou overgaan, kan die betaling worden gekwalificeerd als witwassen. Datzelfde geldt voor het op een derdengeldrekening van een advocaat storten van de verschuldigde bedragen [appellante] verwijst hierbij naar het advies van mr. W.R. Jonk (bijlage 9 bij het verweerschrift in eerste aanleg). Voorts voert [appellante] aan dat aanvragers misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid het faillissement van [appellante] aan te vragen (zie 3:13 BW).
2.3
Het standpunt van aanvragers komt er kort gezegd op neer dat de wettelijke betalingsverplichting die op [appellante] rust, niet voor serieuze betwisting vatbaar is en dat het gestelde gevaar van witwassen onjuist is en ook niet of onvoldoende bewezen.
Aanvragers betwisten dat de door hen aan [appellante] verstrekte gelden verband houden met witwassen. Tegen [geïntimeerde 4] is geen aanklacht ingediend, noch is sprake van een concrete verdenking. Aanvragers waren bereid betaling te aanvaarden op de derdengeldrekening van hun advocaat, maar [appellante] heeft daarmee niet ingestemd. Aanvragers verwijzen naar de opinie van mr. R.A. Kaarls (bijlage 3 bij het verweerschrift in hoger beroep), die een ander standpunt inneemt dan mr. Jonk over het (mogen) opschorten van de betaling door [appellante]. [appellante] heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat zij in staat is om de vorderingen van aanvragers te voldoen en verkeert derhalve nog steeds in de toestand dat zij heeft opgehouden met betalen.
2.4
De curator onthoudt zich van een inhoudelijke reactie op de vorderingen van aanvragers en het door [appellante] ingenomen standpunt over de betaling van die vorderingen, mede omdat, ondanks verzoek daartoe, [appellante] haar administratie niet aan hem heeft overgelegd. Ook is er geen jaarrekening voorhanden omdat [appellante] (vanaf boekjaar 2017) niet heeft voldaan aan haar deponeringsplicht.
2.5
Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt.
2.6
Het vorderingsrecht van aanvragers – dat berust op een onherroepelijk vonnis – wordt niet betwist door [appellante]. Voor zover [appellante] ter zitting van het hof de opeisbaarheid van de vorderingen heeft betwist, is die betwisting niet onderbouwd, nog daargelaten dat die betwisting moet worden aangemerkt als een niet toelaatbare nieuwe grief. [appellante] stelt zich op het standpunt dat zij in staat is om de vorderingen van aanvragers te voldoen, maar dat zij die vorderingen niet mag betalen omdat [geïntimeerde 4] wordt verdacht van witwassen en zij door betaling van de vorderingen van aanvragers, die aan [geïntimeerde 4] zijn gelieerd, strafbaar zou handelen, ook als dat geld op een geblokkeerde derdengeldrekening zou worden geparkeerd. Met het innemen van dat standpunt – wat daar verder ook van zij - had het op de weg van [appellante] gelegen om - in ieder geval in hoger beroep -
nader aan te tonen dat zij over voldoende liquide middelen beschikt om de vorderingen van aanvragers te voldoen. Dat geldt temeer nu aanvragers er steeds op hebben gewezen dat [appellante] die onderbouwing niet heeft gegeven. Zij heeft, ook in hoger beroep, geen enkel – laat staan een gemotiveerd;- inzicht in haar financiële situatie gegeven; zij heeft haar administratie niet ter beschikking van de curator gesteld en er is vanaf het boekjaar 2017 geen jaarrekening gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat ook in hoger beroep summierlijk is gebleken van de vorderingen van aanvragers en van feiten en omstandigheden die aantonen dat [appellante] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
2.7
Van misbruik van bevoegdheid door aanvragers is niet gebleken. De aan dergelijk misbruik door [appellante] ten grondslag gelegde stelling dat aanvragers als gevolg van kennelijke witwaspraktijken, een situatie hebben gecreëerd waarin zij [appellante] voor de keus stellen ofwel mee te werken aan een nieuwe witwashandeling, ofwel haar faillissement tegemoet te gaan, en daarmee hun bevoegdheid misbruiken, kan reeds gezien hetgeen hiervoor in 2.6 overwogen, niet worden gevolgd. Daarbij merkt het hof op dat door de vorderingen niet te betalen en ook geen zekerheid te stellen, [appellante] de ‘besmette’ gelden onder zich houdt. Volgens het advies van mr. Jonk, waarop [appellante] zich beroept, kan ook het voorhanden hebben van deze gelden kwalificeren als witwassen.
2.8
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
Dictum
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2025.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Volker, C.J. Verduyn en M.C.M. van Dijk, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.353.311/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/25/115 F
Arrest van 24 juni 2025
in de zaak van
[appellante] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
appellante,
advocaat: mr. P.C.M. Ouwens, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
1
[geïntimeerde 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
2. [geïntimeerde 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
3. [geïntimeerde 3],
wonende in [woonplaats] ,
4. [geïntimeerde 4],
wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. B.F. van Noort, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] en aanvragers. Geïntimeerde 4 zal worden aangeduid als [geïntimeerde 4] .
Procesverloop
1.1
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2025 is [appellante] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. J.T.P. Pot tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. A.C.L. Beneder, advocaat te Rotterdam, als curator. Bij verzoekschrift (met bijlagen 1 t/m 8), ingekomen ter griffie van het hof op 8 april 2025, is [appellante] van voornoemd vonnis in hoger beroep gekomen en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen. Het hof heeft verder kennisgenomen van de volgende stukken:
een aanvullend verzoekschrift (met bijlagen 5 t/m 15) en de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg van 11 februari 2025 en 1 april 2025, ontvangen van [appellante],
een brief (met bijlagen 1 t/m 5) van 6 juni 2025 van de curator, en
een verweerschrift (met bijlagen 1 t/m 3) van aanvragers.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juni 2025, waarbij voornoemde advocaten en de curator zijn verschenen.
Overwegingen
2.1
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat [appellante] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Daartoe heeft de rechtbank kort samengevat het volgende overwogen. Aanvragers hebben opeisbare vorderingen op [appellante] uit hoofde van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 1 mei 2024. Het verweer van [appellante] dat deze vorderingen op dit moment niet betaald mogen worden in verband met een lopend witwasonderzoek met als (voornaamste) verdachte [geïntimeerde 4] , is onvoldoende aannemelijk gemaakt. [appellante] heeft bovendien niet toegelicht waarom zij, als inderdaad sprake zou zijn van vermogen dat afkomstig is uit misdrijf, niet zou hoeven te voldoen aan het vonnis van 1 mei 2024. Derhalve is sprake van meerdere opeisbare vorderingen die [appellante] niet heeft voldaan. [appellante] heeft niet ingestemd met het voorstel van aanvragers om het geld op een derdengeldrekening te storten en heeft evenmin laten blijken dat zekerheid kan worden gesteld voor de vorderingen van aanvragers. Er is dan ook summierlijk gebleken dat [appellante] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Van misbruik van de bevoegdheid het faillissement van [appellante] aan te vragen, is geen sprake.
2.2
De grieven van [appellante] kunnen als volgt worden samengevat.
[appellante] verkeert niet in een toestand dat zij heeft opgehouden met betalen. Zij kan de vorderingen van aanvragers wel betalen, maar mag dat niet in verband met witwasvermoedens rond [geïntimeerde 4] . Hij is onderwerp van een grootschalig onderzoek vanuit zowel de Portugese als de Spaanse autoriteiten, ondersteund door Europol. [appellante] heeft daarbij verwezen naar verscheidene mediaberichten.. Indien [appellante] tot betaling van aanvragers zou overgaan, kan die betaling worden gekwalificeerd als witwassen. Datzelfde geldt voor het op een derdengeldrekening van een advocaat storten van de verschuldigde bedragen [appellante] verwijst hierbij naar het advies van mr. W.R. Jonk (bijlage 9 bij het verweerschrift in eerste aanleg). Voorts voert [appellante] aan dat aanvragers misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid het faillissement van [appellante] aan te vragen (zie 3:13 BW).
2.3
Het standpunt van aanvragers komt er kort gezegd op neer dat de wettelijke betalingsverplichting die op [appellante] rust, niet voor serieuze betwisting vatbaar is en dat het gestelde gevaar van witwassen onjuist is en ook niet of onvoldoende bewezen.
Aanvragers betwisten dat de door hen aan [appellante] verstrekte gelden verband houden met witwassen. Tegen [geïntimeerde 4] is geen aanklacht ingediend, noch is sprake van een concrete verdenking. Aanvragers waren bereid betaling te aanvaarden op de derdengeldrekening van hun advocaat, maar [appellante] heeft daarmee niet ingestemd. Aanvragers verwijzen naar de opinie van mr. R.A. Kaarls (bijlage 3 bij het verweerschrift in hoger beroep), die een ander standpunt inneemt dan mr. Jonk over het (mogen) opschorten van de betaling door [appellante]. [appellante] heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat zij in staat is om de vorderingen van aanvragers te voldoen en verkeert derhalve nog steeds in de toestand dat zij heeft opgehouden met betalen.
2.4
De curator onthoudt zich van een inhoudelijke reactie op de vorderingen van aanvragers en het door [appellante] ingenomen standpunt over de betaling van die vorderingen, mede omdat, ondanks verzoek daartoe, [appellante] haar administratie niet aan hem heeft overgelegd. Ook is er geen jaarrekening voorhanden omdat [appellante] (vanaf boekjaar 2017) niet heeft voldaan aan haar deponeringsplicht.
2.5
Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt.
2.6
Het vorderingsrecht van aanvragers – dat berust op een onherroepelijk vonnis – wordt niet betwist door [appellante]. Voor zover [appellante] ter zitting van het hof de opeisbaarheid van de vorderingen heeft betwist, is die betwisting niet onderbouwd, nog daargelaten dat die betwisting moet worden aangemerkt als een niet toelaatbare nieuwe grief. [appellante] stelt zich op het standpunt dat zij in staat is om de vorderingen van aanvragers te voldoen, maar dat zij die vorderingen niet mag betalen omdat [geïntimeerde 4] wordt verdacht van witwassen en zij door betaling van de vorderingen van aanvragers, die aan [geïntimeerde 4] zijn gelieerd, strafbaar zou handelen, ook als dat geld op een geblokkeerde derdengeldrekening zou worden geparkeerd. Met het innemen van dat standpunt – wat daar verder ook van zij - had het op de weg van [appellante] gelegen om - in ieder geval in hoger beroep -
nader aan te tonen dat zij over voldoende liquide middelen beschikt om de vorderingen van aanvragers te voldoen. Dat geldt temeer nu aanvragers er steeds op hebben gewezen dat [appellante] die onderbouwing niet heeft gegeven. Zij heeft, ook in hoger beroep, geen enkel – laat staan een gemotiveerd;- inzicht in haar financiële situatie gegeven; zij heeft haar administratie niet ter beschikking van de curator gesteld en er is vanaf het boekjaar 2017 geen jaarrekening gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat ook in hoger beroep summierlijk is gebleken van de vorderingen van aanvragers en van feiten en omstandigheden die aantonen dat [appellante] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
2.7
Van misbruik van bevoegdheid door aanvragers is niet gebleken. De aan dergelijk misbruik door [appellante] ten grondslag gelegde stelling dat aanvragers als gevolg van kennelijke witwaspraktijken, een situatie hebben gecreëerd waarin zij [appellante] voor de keus stellen ofwel mee te werken aan een nieuwe witwashandeling, ofwel haar faillissement tegemoet te gaan, en daarmee hun bevoegdheid misbruiken, kan reeds gezien hetgeen hiervoor in 2.6 overwogen, niet worden gevolgd. Daarbij merkt het hof op dat door de vorderingen niet te betalen en ook geen zekerheid te stellen, [appellante] de ‘besmette’ gelden onder zich houdt. Volgens het advies van mr. Jonk, waarop [appellante] zich beroept, kan ook het voorhanden hebben van deze gelden kwalificeren als witwassen.
2.8
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
Dictum
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2025.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Volker, C.J. Verduyn en M.C.M. van Dijk, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2025 in aanwezigheid van de griffier.