Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-01-14
ECLI:NL:GHDHA:2025:1846
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Wraking
2,264 tokens
Dictum
verschoningsverzoeken van 14 januari 2025
op het wrakingsverzoek van
[verzoeker 1],
wonend in Amsterdam, en
[verzoeker 2],
gevestigd te Amsterdam,
verzoekers,
advocaat: mr. M.A.M. Lem, kantoorhoudend in Breda,
Procesverloop
Bij het hof is onder zaaknummer 200.327.292/01 een procedure aanhangig tussen verzoekers als appellanten en EY Advisory Netherlands LLP, Ernst & Young Nederland LLP (hierna tezamen: EY c.s.) en mr. P.H.E. Voûte (hierna: mr. Voûte), als geïntimeerden (hierna: de hoofdzaak). In deze procedure was de mondelinge behandeling bepaald op 12 november 2024 ten overstaan van mrs. C.J. Verduyn, J.S. Honée en R.M. Hermans.
Bij brief van 11 november 2024 hebben verzoekers een verzoek tot wraking gedaan van mrs. C.J. Verduyn, J.S. Honée en R.M. Hermans (hierna: de gewraakte raadsheren).
De gewraakte raadsheren berusten niet in de wraking. Zij hebben op 18 november 2024 schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd.
Ter zitting van de wrakingskamer van 18 december 2024 zijn verschenen:
[verzoeker 1], bijgestaan door mr. Lem en mr. H. van Meerten.
De gewraakte raadsheren en de geïntimeerden in de hoofdzaak zijn (na bericht) niet verschenen.
Mr. Lem heeft de zaak bepleit aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen.
Het wrakingsverzoek
1. Verzoekers hebben - samengevat – het volgende aangevoerd.
1.1
Het hof heeft in de hoofdzaak een pleidooi (mondelinge behandeling) bepaald op 12 november 2024. Op 23 oktober 2024 hebben verzoekers kennis genomen van nieuwe relevante feiten. Gelet hierop hebben zij het hof bij brief van 4 november 2024 verzocht om de mondelinge behandeling van 12 november uit te stellen, zodat zij de gelegenheid krijgen om de (in juni 2024) nieuw opgerichte entiteiten EY Adviseurs B.V. en EY Nederland BV (hierna tezamen: EYAD c.s.) met toepassing van artikel 118 Rv in het geding te betrekken. Het hof heeft geweigerd de mondelinge behandeling aan te houden.
1.2
Verzoekers hebben de volgende wrakingsgronden naar voren gebracht.
De behandelend raadsheren hebben het recht van verzoekers op hoor en wederhoor geschonden door:
- geen ontvangstbevestiging te sturen van de brief van 4 november 2024;
- de griffie op 6 november 2024 de opdracht te geven om telefonisch contact op te nemen met de advocaten van EY c.s. en mr. Vote naar aanleiding van de brief van 4 november 2024, zonder ook met de advocaat van verzoekers telefonisch contact op te nemen;
- vervolgens niet te reageren op de vraag van verzoekers welke vragen telefonisch aan de advocaten van EY c.s. en mr. Vouûte c.s. zijn gesteld,
- op 7 november 2024 een geheel eigen en eenzijdige uitleg te geven aan de brief van 4 november 2024 en vervolgens aan EYAD c.s. een garantie voor de vorderingen van verzoekers te vragen;
-bij e-mail van 7 november 2024 (eind van de middag) een veel te korte termijn aan partijen te geven om op een e-mailbericht van het hof te kunnen reageren;
- op 8 november 2024 te bepalen dat verzoekers wegens verstrekte garanties geen belang zouden hebben bij de oproeping van EYAD c.s.
- in strijd met het feit dat alle betrokken partijen het eens waren dat (na oproeping EYAD c.s. door verzoekers) de mondelinge behandeling van 12 november 2024 diende te worden uitgesteld, te weigeren de mondelinge behandeling aan te houden..
Bovenop dit alles komt nog dat één of meerdere dezelfde raadsheren reeds hebben geoordeeld in het hoger beroep in een andere zaak tussen partijen, hetgeen in de Leidraad voor Onpartijdigheid van Rechters als te vermijden voorbeeld van schijn van partijdigheid wordt genoemd.
1.3
Door bovengenoemde gedragingen hebben de gewraakte raadsheren bij verzoekers (de objectief gerechtvaardigde) schijn van partijdigheid gewekt. Al met al is sprake van een zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat de gewraakte raadsheren jegens verzoekers vooringenomen zijn, althans is de bij verzoekers dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd.
De reactie van de gewraakte raadsheren
2. De gewraakte raadsheren hebben niet in de wraking berust, aangezien zij
van mening zijn dat er geen sprake is van vooringenomenheid of de schijn daarvan. Zij hebben de wrakingskamer verzocht het wrakingsverzoek af te wijzen. Hiertoe hebben zij - samengevat - het volgende aangevoerd.
2.1
De weigering van aanhouding van de mondelinge behandeling is genomen op zuiver juridische gronden, met inachtneming van beginselen van hoor en wederhoor. Meer in het algemeen kan de afwijzing van een verzoek tot aanhouding van een mondelinge behandeling zonder bijkomende omstandigheden geen afbreuk aan de onpartijdigheid van de rechter doen. De gewraakte raadsheren zijn van mening dat in dit geval geen sprake is van feiten of omstandigheden waardoor hun onpartijdigheid schade heeft kunnen lijden.
2.2
Het wrakingsverzoek is ingediend naar aanleiding van een procedurele beslissing van het hof waarmee verzoekers het niet eens zijn, namelijk om het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling af te wijzen. De wrakingsprocedure is niet bedoeld om de juistheid van deze procedurele beslissing ter discussie te stellen.
2.3
De omstandigheid dat mr. Verduyn eerder betrokken is geweest bij een zaak tussen partijen leidt niet tot partijdigheid of de schijn daarvan.
Beoordeling
3. Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De rechter wordt volgens vaste jurisprudentie uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.1.
De wrakingskamer is van oordeel dat de door verzoekers aangevoerde wrakingsgronden in de kern erop neerkomen dat de gewraakte raadsheren ten onrechte de mondelinge behandeling van 12 november 2024 niet hebben aangehouden teneinde verzoekers in de gelegenheid te stellen EYAD c.s. met toepassing van artikel 118 Rv in het geding te betrekken. De afwijzing van een verzoek tot aanhouding van een zitting is een procedurele beslissing. Procedurele beslissingen kunnen in beginsel geen grond vormen voor wraking. Dit is alleen anders, als (de motivering van) die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die de beslissing heeft genomen. Daarvan is dit geval geen sprake. In dit verband wijst de wrakingskamer nog op het volgende. Het is volstrekt in overeenstemming met de beginselen van hoor- en wederhoor dat de geïntimeerden in de hoofdzaak de gelegenheid krijgen om te reageren op een aanhoudingsverzoek van de wederpartij en dat het hof vervolgens beslist. Dit is in deze zaak ook gebeurd, nota bene nadat verzoekers nog de kans hebben gekregen om te reageren.
Overigens hebben de gewraakte raadsheren met de weigering van het aanhoudingsverzoek geen beslissing genomen over de wens van verzoekers om EYAD c.s. bij de hoofdzaak te betrekken. Zij hebben slechts besloten dat deze wens in genoemd stadium van de procedure geen reden was om de mondelinge behandeling aan te houden. De hoofdzaak lag en ligt verder nog open.
3.2
Dat één van de gewraakte raadsheren reeds heeft mee beslist in het hoger beroep in een andere zaak tussen partijen, kan ook niet leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek. Het enkele feit dat raadsheren eerdere bemoeienis hebben gehad met een andere zaak tussen partijen, is onvoldoende om, objectief gezien, de vrees, voor partijdigheid te rechtvaardigen (HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4004, r.o. 3.3.2).
3.3
Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek tot wraking dient te worden afgewezen.
Dictum
De wrakingskamer:
- wijst af het verzoek tot wraking van mrs. C.J. Verduyn, J.S. Honée en R.M. Hermans;
- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoekers, (de advocaten van) EY c.s. en mr. Voûte en mrs. Verduyn, Honee en Hermans.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, K. Schaffels en C.M. Warnaar en is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2025 in aanwezigheid van de griffier.