Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-04-08
ECLI:NL:GHDHA:2025:1695
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
13,832 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/520
Uitspraak van 8 april 2025
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A. Bakker)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 april 2024, nummer SGR 23/496.
Procesverloop
1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 645.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Den Haag (de aanslag).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 50 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 138 geheven. Van de zijde van de Heffingsambtenaar is op 19 november 2024 een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingekomen. Belanghebbende heeft op 14 januari 2025 nadere stukken (volmacht met kopie identiteitsbewijs) ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 13 februari 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is appartementseigenaar van de woning. De woning is een parterre-portiekflat in een complex uit 1937 met een berging en een gebruiksoppervlakte van 126 m2. De woning is in 1994 gerenoveerd. Bij de woning hoort een tuin van 646 m2 die eigendom is van de vereniging van eigenaren van het complex. De appartementseigenaar van de woning heeft op grond van de splitsingsakte de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van de tuin.
2.2.
De voormalige gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 16 maart 2022 bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslag. In het bezwaarschrift is, onder meer, vermeld:
“Verzoek
Op basis van het bovenstaande verzoeken wij u op grond van artikel 7:11, lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht uw besluit te heroverwegen en de WOZ-waarde van de woning vast te stellen op het hiervoor genoemde bedrag.
Indien u voornemens bent dit bezwaarschrift ongegrond te verklaren, verzoeken wij u met het oog op de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7246, overwegingen 4.20 en 4.29 jo. 2.7 om uiterlijk in de uitspraak op bezwaar een overzicht op te nemen c q. eerder toe te zenden in de vorm van een taxatiematrix van de relevante gegevens en waarden van de woning, waaronder in ieder geval:
1. De gehanteerde grondstaffel; en
2. De gehanteerde cijfers en correcties voor secundaire objectkenmerken zoals kwaliteit, onderhoud, ligging etc. (VLOK/KOUDV factoren);
3. De waarde van de deelobjecten; en
4. Minstens 6 referentiewoningen gekoppeld aan de waardering van de onderhavige woning die volgens u de waarde onderbouwen.
(…)
De werkwijze van [naam]
(…) Daarom leggen wij alle beschikbare argumenten (waar mogelijk gebaseerd op een taxatierapport) in de bezwaarfase op tafel en verzoeken wij ook reeds in de bezwaarfase om een matrix bij ongegrondverklaringen, zodat wij terechte ongegrondverklaringen aan de belanghebbenden kunnen uitleggen en onnodige beroepsprocedures kunnen voorkomen.”
2.3.
Het bezwaarschrift bevat een matrix waarin de verkooptransacties van drie naar de opvatting van belanghebbende met de woning vergelijkbare woningen zijn opgenomen, te weten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] . In deze matrix is de waarde bepaald op € 455.000.
2.4.
De Heffingsambtenaar heeft op 25 maart 2022 belanghebbende een taxatieverslag toegezonden, waarin de waarde van de woning voor het onderhavige belastingjaar is bepaald op € 645.000. Hierin zijn de gegevens opgenomen van de woning en van een drietal naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen, te weten de onroerende zaken: [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] . Het taxatieverslag vermeldt onder meer:
de woning
[adres 5]
[adres 6]
[adres 7]
Wijk
[Wijk]
[Wijk]
[Wijk]
[Wijk]
Buurt
[Buurt 1]
[Buurt 2]
[Buurt 1]
[Buurt 2]
Soort woning
Part-portiekflat
Part-portiekflat
Part-portiekflat
Part-portiekflat
Bouwjaar
1937
1938
1938
1936
Oppervlakte
126 m2
114 m2
108 m2
94 m2
Verkoopdatum
7-5-2020
3-8-2020
29-7-2020
Verkoopprijs
€ 593.500
€ 660.000
€ 535.000
WOZ-waarde
€ 645.000
€ 595.000
€ 645.000
€ 535.000
Waardepeildatum
1-1-2021
1-1-2021
1-1-2021
1-1-2021
2.5.
De uitspraak op bezwaar vermeldt voor zover in hoger beroep van belang:
“Met betrekking tot uw verzoek om nadere informatie, zoals grondstaffels,
onderdeelwaarden en cijfers en correcties voor secundaire objectkenmerken (VLOK/KOUD-V factoren) merk ik op dat de gemeente geen grondstaffels en onderdeelwaarden hanteert, en dat de gemeente geen gebruik maakt van VLOK/KOUD-V factoren. Gelet hierop kunnen deze gegevens niet aan u worden verstrekt.”
2.6.
Belanghebbende heeft bij nader stuk in beroep een matrix (de eigen matrix) overgelegd waarin de waarde van de woning op de waardepeildatum wordt bepaald op € 557.802. De eigen matrix vermeldt de gegevens van de objecten [adres 8] , [adres 9] , [adres 10] en van de woning, waaronder transactiedata, KOUDVL coderingen en geïndexeerde koopsommen. Bijlagen bij het nadere stuk vermelden indexcijfers voor Nederland en voor CBS regio Stad Den Haag.
2.7.
De Heffingsambtenaar heeft in beroep een matrix overgelegd waarin de verkooptransacties van naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen zijn opgenomen, te weten de onder 2.4 vermelde onroerende zaken.
Geschil
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de Heffingsambtenaar zijn toezendplicht heeft geschonden, of de Heffingsambtenaar artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden, of de Heffingsambtenaar heeft verzuimd alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden en of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de woning nader wordt vastgesteld op € 558.000, dienovereenkomstige vermindering van de aanslag en toekenning van een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
Toezendplicht met betrekking tot in bezwaar verzochte stukken
5.1.
Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Heffingsambtenaar ten onrechte niet de matrix, de KOUDV-factoren, de waardes van de deelobjecten en de grondstaffel heeft toegezonden aan zijn gemachtigde, terwijl hij daar wel om heeft verzocht en de Heffingsambtenaar gehouden was deze aan zijn gemachtigde te doen toekomen gelet op artikel 6:17 Awb en artikel 7:4, lid 4, Awb. Verder bestrijdt belanghebbende in hoger beroep “dat geen zes referentie-objecten zouden moeten worden verstrekt”.
5.2.
Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt. De hiervoor bedoelde gegevens kunnen ook betrekking hebben op de voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten. De gegevens dienen voortvarend en in ieder geval uiterlijk bij het doen van uitspraak op bezwaar te worden verstrekt. Aan dit een en ander doet niet af dat de overige gegevens op de zaak betrekking hebbende stukken zijn die daarom tevens voorafgaand aan het horen in een bezwaarprocedure op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb ter inzage moeten worden gelegd (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, en HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106).
5.3.
Naar aanleiding van het in het bezwaarschrift gedane verzoek (zie 2.2) heeft de Heffingsambtenaar het taxatieverslag aan belanghebbende verstrekt. De uitspraak op bezwaar vermeldt en ter zitting van het Hof is door de Heffingsambtenaar bevestigd dat de gemeente Den Haag niet werkt met grondstaffels, KOUDV- en liggingsfactoren, indexeringsgegevens en onderdeelwaardes, zodat deze stukken niet aan belanghebbende konden worden verstrekt. Voorts heeft de Heffingsambtenaar aangevoerd dat de matrix pas in de beroepsfase wordt opgesteld door de taxateur. Het Hof heeft geen reden hieraan te twijfelen. De Heffingsambtenaar heeft zijn toezendplicht als bedoeld in artikel 40, lid 2, Wet WOZ dus niet geschonden.
5.4.
Verder heeft de Heffingsambtenaar onweersproken gesteld dat een hoorgesprek met goedvinden van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft dus ook niet gebruikgemaakt van het inzagerecht. Van schending van de toezendplicht van artikel 7:4, lid 4, Awb kan alsdan evenmin sprake zijn. Van schending van artikel 6:17 Awb is ook geen sprake. Dit artikel regelt alleen, voor het geval er een gemachtigde is, aan wie stukken moeten worden gezonden, en niet welke stukken moeten worden gezonden
(vgl. HR 20 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7148).
5.5.
Voor wat betreft het verzoek om meer dan de drie in het taxatieverslag aangedragen vergelijkingsobjecten en de daarbij behorende objectkenmerken aan te dragen, geldt dat een verplichting daartoe niet uit wet- of regelgeving dan wel jurisprudentie volgt zolang niet aannemelijk is geworden dat de gegevens van andere vergelijkingsobjecten ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak.
Op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42, lid 1, Awb)
5.6.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep (wederom) dat de Heffingsambtenaar niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Belanghebbende verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316. Volgens belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar ten onrechte geen iWOZ-kaarten en bouwtekeningen van de door de Heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten overgelegd in de beroeps- en hogerberoepsfase.
5.7.
iWOZ is een door de Vereniging Nederlandse Gemeenten samengestelde verzameling van objectgegevens en foto’s van te koop aangeboden woningen in Nederland. Anders dan belanghebbende betoogt, behoren de iWOZ-gegevens en bouwtekeningen van de door de Heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb. De Heffingsambtenaar is daarom in beginsel niet verplicht deze gegevens over te leggen. Dit kan anders zijn in het geval de Heffingsambtenaar bij het bepalen van de waarde heeft gebruikgemaakt van de iWOZ-kaarten en/of de bouwtekeningen om daaruit de kenmerken van de (vergelijkings)objecten af te leiden die van belang zijn voor de beslechting van geschilpunten, maar daarvoor biedt het dossier geen aanknopingspunten. Daarbij komt dat de bouwtekeningen in principe voor eenieder toegankelijk zijn in de lokale gemeentearchieven. Er is dus geen aanleiding om de Heffingsambtenaar op te dragen iWOZ-kaarten en bouwtekeningen van de vergelijkingsobjecten over te leggen.
Waarde van de woning
5.8.
De waarde van een woning wordt ingevolge artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 43-44).
5.9.
Op de Heffingsambtenaar rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Bij de beoordeling van de vraag of de Heffingsambtenaar aan zijn bewijslast heeft voldaan, dient evenwel gelet te worden op hetgeen door belanghebbende wordt aangevoerd (vgl. HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332).
5.10.
Niet vereist is dat vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woning. Voldoende is dat vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn, mits bij de bepaling van de waarde voldoende rekening wordt gehouden met de onderlinge verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning.
5.11.
Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de door de Heffingsambtenaar aangedragen objecten, eveneens benedenwoningen, geschikt zijn om te dienen als vergelijkingsobjecten voor het bepalen van de waarde van de woning en dat de Heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen deze vergelijkingsobjecten en de woning. De Rechtbank heeft met betrekking tot het door belanghebbende aangedragen object [adres 9] geoordeeld dat als dit object in de vergelijking wordt betrokken, dit niet leidt tot een lagere waarde van de woning. Belanghebbende heeft hiertegen in hoger beroep niets ingebracht en het Hof sluit zich op dit punt aan bij de Rechtbank en de Heffingsambtenaar. Anders dan de Rechtbank is het Hof evenwel van oordeel dat ook het door belanghebbende aangedragen object [adres 8] kan dienen als vergelijkingsobject. De gebruiksoppervlakte daarvan wijkt immers niet wezenlijk af van het eveneens voor de waardering gebruikte vergelijkingsobject [adres 7] . Het in aanmerking nemen van het object [adres 8] leidt echter niet ertoe dat de waarde van de woning op een lager bedrag moet worden vastgesteld.
Conclusie
5.17.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, Chr.Th.P.M. Zandhuis en L.D.M.A Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter
L. van den Bogerd C. Maas
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/520
Uitspraak van 8 april 2025
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A. Bakker)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 april 2024, nummer SGR 23/496.
Procesverloop
1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 645.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Den Haag (de aanslag).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 50 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 138 geheven. Van de zijde van de Heffingsambtenaar is op 19 november 2024 een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingekomen. Belanghebbende heeft op 14 januari 2025 nadere stukken (volmacht met kopie identiteitsbewijs) ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 13 februari 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is appartementseigenaar van de woning. De woning is een parterre-portiekflat in een complex uit 1937 met een berging en een gebruiksoppervlakte van 126 m2. De woning is in 1994 gerenoveerd. Bij de woning hoort een tuin van 646 m2 die eigendom is van de vereniging van eigenaren van het complex. De appartementseigenaar van de woning heeft op grond van de splitsingsakte de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van de tuin.
2.2.
De voormalige gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 16 maart 2022 bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslag. In het bezwaarschrift is, onder meer, vermeld:
“Verzoek
Op basis van het bovenstaande verzoeken wij u op grond van artikel 7:11, lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht uw besluit te heroverwegen en de WOZ-waarde van de woning vast te stellen op het hiervoor genoemde bedrag.
Indien u voornemens bent dit bezwaarschrift ongegrond te verklaren, verzoeken wij u met het oog op de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7246, overwegingen 4.20 en 4.29 jo. 2.7 om uiterlijk in de uitspraak op bezwaar een overzicht op te nemen c q. eerder toe te zenden in de vorm van een taxatiematrix van de relevante gegevens en waarden van de woning, waaronder in ieder geval:
1. De gehanteerde grondstaffel; en
2. De gehanteerde cijfers en correcties voor secundaire objectkenmerken zoals kwaliteit, onderhoud, ligging etc. (VLOK/KOUDV factoren);
3. De waarde van de deelobjecten; en
4. Minstens 6 referentiewoningen gekoppeld aan de waardering van de onderhavige woning die volgens u de waarde onderbouwen.
(…)
De werkwijze van [naam]
(…) Daarom leggen wij alle beschikbare argumenten (waar mogelijk gebaseerd op een taxatierapport) in de bezwaarfase op tafel en verzoeken wij ook reeds in de bezwaarfase om een matrix bij ongegrondverklaringen, zodat wij terechte ongegrondverklaringen aan de belanghebbenden kunnen uitleggen en onnodige beroepsprocedures kunnen voorkomen.”
2.3.
Het bezwaarschrift bevat een matrix waarin de verkooptransacties van drie naar de opvatting van belanghebbende met de woning vergelijkbare woningen zijn opgenomen, te weten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] . In deze matrix is de waarde bepaald op € 455.000.
2.4.
De Heffingsambtenaar heeft op 25 maart 2022 belanghebbende een taxatieverslag toegezonden, waarin de waarde van de woning voor het onderhavige belastingjaar is bepaald op € 645.000. Hierin zijn de gegevens opgenomen van de woning en van een drietal naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen, te weten de onroerende zaken: [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] . Het taxatieverslag vermeldt onder meer:
de woning
[adres 5]
[adres 6]
[adres 7]
Wijk
[Wijk]
[Wijk]
[Wijk]
[Wijk]
Buurt
[Buurt 1]
[Buurt 2]
[Buurt 1]
[Buurt 2]
Soort woning
Part-portiekflat
Part-portiekflat
Part-portiekflat
Part-portiekflat
Bouwjaar
1937
1938
1938
1936
Oppervlakte
126 m2
114 m2
108 m2
94 m2
Verkoopdatum
7-5-2020
3-8-2020
29-7-2020
Verkoopprijs
€ 593.500
€ 660.000
€ 535.000
WOZ-waarde
€ 645.000
€ 595.000
€ 645.000
€ 535.000
Waardepeildatum
1-1-2021
1-1-2021
1-1-2021
1-1-2021
2.5.
De uitspraak op bezwaar vermeldt voor zover in hoger beroep van belang:
“Met betrekking tot uw verzoek om nadere informatie, zoals grondstaffels,
onderdeelwaarden en cijfers en correcties voor secundaire objectkenmerken (VLOK/KOUD-V factoren) merk ik op dat de gemeente geen grondstaffels en onderdeelwaarden hanteert, en dat de gemeente geen gebruik maakt van VLOK/KOUD-V factoren. Gelet hierop kunnen deze gegevens niet aan u worden verstrekt.”
2.6.
Belanghebbende heeft bij nader stuk in beroep een matrix (de eigen matrix) overgelegd waarin de waarde van de woning op de waardepeildatum wordt bepaald op € 557.802. De eigen matrix vermeldt de gegevens van de objecten [adres 8] , [adres 9] , [adres 10] en van de woning, waaronder transactiedata, KOUDVL coderingen en geïndexeerde koopsommen. Bijlagen bij het nadere stuk vermelden indexcijfers voor Nederland en voor CBS regio Stad Den Haag.
2.7.
De Heffingsambtenaar heeft in beroep een matrix overgelegd waarin de verkooptransacties van naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen zijn opgenomen, te weten de onder 2.4 vermelde onroerende zaken.
Geschil
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de Heffingsambtenaar zijn toezendplicht heeft geschonden, of de Heffingsambtenaar artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden, of de Heffingsambtenaar heeft verzuimd alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden en of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de woning nader wordt vastgesteld op € 558.000, dienovereenkomstige vermindering van de aanslag en toekenning van een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
Toezendplicht met betrekking tot in bezwaar verzochte stukken
5.1.
Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Heffingsambtenaar ten onrechte niet de matrix, de KOUDV-factoren, de waardes van de deelobjecten en de grondstaffel heeft toegezonden aan zijn gemachtigde, terwijl hij daar wel om heeft verzocht en de Heffingsambtenaar gehouden was deze aan zijn gemachtigde te doen toekomen gelet op artikel 6:17 Awb en artikel 7:4, lid 4, Awb. Verder bestrijdt belanghebbende in hoger beroep “dat geen zes referentie-objecten zouden moeten worden verstrekt”.
5.2.
Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt. De hiervoor bedoelde gegevens kunnen ook betrekking hebben op de voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten. De gegevens dienen voortvarend en in ieder geval uiterlijk bij het doen van uitspraak op bezwaar te worden verstrekt. Aan dit een en ander doet niet af dat de overige gegevens op de zaak betrekking hebbende stukken zijn die daarom tevens voorafgaand aan het horen in een bezwaarprocedure op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb ter inzage moeten worden gelegd (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, en HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106).
5.3.
Naar aanleiding van het in het bezwaarschrift gedane verzoek (zie 2.2) heeft de Heffingsambtenaar het taxatieverslag aan belanghebbende verstrekt. De uitspraak op bezwaar vermeldt en ter zitting van het Hof is door de Heffingsambtenaar bevestigd dat de gemeente Den Haag niet werkt met grondstaffels, KOUDV- en liggingsfactoren, indexeringsgegevens en onderdeelwaardes, zodat deze stukken niet aan belanghebbende konden worden verstrekt. Voorts heeft de Heffingsambtenaar aangevoerd dat de matrix pas in de beroepsfase wordt opgesteld door de taxateur. Het Hof heeft geen reden hieraan te twijfelen. De Heffingsambtenaar heeft zijn toezendplicht als bedoeld in artikel 40, lid 2, Wet WOZ dus niet geschonden.
5.4.
Verder heeft de Heffingsambtenaar onweersproken gesteld dat een hoorgesprek met goedvinden van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft dus ook niet gebruikgemaakt van het inzagerecht. Van schending van de toezendplicht van artikel 7:4, lid 4, Awb kan alsdan evenmin sprake zijn. Van schending van artikel 6:17 Awb is ook geen sprake. Dit artikel regelt alleen, voor het geval er een gemachtigde is, aan wie stukken moeten worden gezonden, en niet welke stukken moeten worden gezonden
(vgl. HR 20 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7148).
5.5.
Voor wat betreft het verzoek om meer dan de drie in het taxatieverslag aangedragen vergelijkingsobjecten en de daarbij behorende objectkenmerken aan te dragen, geldt dat een verplichting daartoe niet uit wet- of regelgeving dan wel jurisprudentie volgt zolang niet aannemelijk is geworden dat de gegevens van andere vergelijkingsobjecten ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak.
Op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42, lid 1, Awb)
5.6.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep (wederom) dat de Heffingsambtenaar niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Belanghebbende verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316. Volgens belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar ten onrechte geen iWOZ-kaarten en bouwtekeningen van de door de Heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten overgelegd in de beroeps- en hogerberoepsfase.
5.7.
iWOZ is een door de Vereniging Nederlandse Gemeenten samengestelde verzameling van objectgegevens en foto’s van te koop aangeboden woningen in Nederland. Anders dan belanghebbende betoogt, behoren de iWOZ-gegevens en bouwtekeningen van de door de Heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb. De Heffingsambtenaar is daarom in beginsel niet verplicht deze gegevens over te leggen. Dit kan anders zijn in het geval de Heffingsambtenaar bij het bepalen van de waarde heeft gebruikgemaakt van de iWOZ-kaarten en/of de bouwtekeningen om daaruit de kenmerken van de (vergelijkings)objecten af te leiden die van belang zijn voor de beslechting van geschilpunten, maar daarvoor biedt het dossier geen aanknopingspunten. Daarbij komt dat de bouwtekeningen in principe voor eenieder toegankelijk zijn in de lokale gemeentearchieven. Er is dus geen aanleiding om de Heffingsambtenaar op te dragen iWOZ-kaarten en bouwtekeningen van de vergelijkingsobjecten over te leggen.
Waarde van de woning
5.8.
De waarde van een woning wordt ingevolge artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 43-44).
5.9.
Op de Heffingsambtenaar rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Bij de beoordeling van de vraag of de Heffingsambtenaar aan zijn bewijslast heeft voldaan, dient evenwel gelet te worden op hetgeen door belanghebbende wordt aangevoerd (vgl. HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332).
5.10.
Niet vereist is dat vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woning. Voldoende is dat vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn, mits bij de bepaling van de waarde voldoende rekening wordt gehouden met de onderlinge verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning.
5.11.
Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de door de Heffingsambtenaar aangedragen objecten, eveneens benedenwoningen, geschikt zijn om te dienen als vergelijkingsobjecten voor het bepalen van de waarde van de woning en dat de Heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen deze vergelijkingsobjecten en de woning. De Rechtbank heeft met betrekking tot het door belanghebbende aangedragen object [adres 9] geoordeeld dat als dit object in de vergelijking wordt betrokken, dit niet leidt tot een lagere waarde van de woning. Belanghebbende heeft hiertegen in hoger beroep niets ingebracht en het Hof sluit zich op dit punt aan bij de Rechtbank en de Heffingsambtenaar. Anders dan de Rechtbank is het Hof evenwel van oordeel dat ook het door belanghebbende aangedragen object [adres 8] kan dienen als vergelijkingsobject. De gebruiksoppervlakte daarvan wijkt immers niet wezenlijk af van het eveneens voor de waardering gebruikte vergelijkingsobject [adres 7] . Het in aanmerking nemen van het object [adres 8] leidt echter niet ertoe dat de waarde van de woning op een lager bedrag moet worden vastgesteld.
Conclusie
5.17.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, Chr.Th.P.M. Zandhuis en L.D.M.A Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter
L. van den Bogerd C. Maas
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Feiten
In de matrix is onder meer vermeld:
Bezwaard object
Adres
€/m2 GO
Opmerking
[adres 1]
€ 5.119
Referenties Gemeente Den Haag
Adres
Opmerking
[adres 5]
€ 5.206
[adres 6]
€ 6.111
[adres 7]
€ 5.691
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – geoordeeld:
“4. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Met de matrix en hetgeen overigens door de heffingsambtenaar is aangevoerd, maakt hij aannemelijk dat in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning, waaronder de oppervlakte. De door de heffingsambtenaar aangedragen vergelijkingsobjecten zijn, anders dan belanghebbende bepleit, voldoende vergelijkbaar qua ligging. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de transacties van [adres 8] en [adres 10] ook in aanmerking moeten worden genomen. [adres 8] wijkt aanzienlijk af qua oppervlakte en [adres 10] beschikt in tegenstelling tot de woning over een souterrain. Daarom acht de rechtbank deze door belanghebbende aangedragen transacties minder goed vergelijkbaar dan de vergelijkingsobjecten die de heffingsambtenaar heeft aangedragen. Indien het door belanghebbende aangedragen object [adres 9] (vierkantemeterprijs van € 4.697) in de vergelijking wordt betrokken, leidt dit niet tot een lagere waarde. Dit leidt namelijk tot een (op de drie vergelijkingsobjecten van de heffingsambtenaar en de [adres 9] gebaseerde) vierkantemeterprijs van € 5.426, hetgeen aanzienlijk hoger is dan de voor de woning gehanteerde vierkantemeterprijs (€ 5.119).
6. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, doet aan het hiervoor gegeven oordeel niet af. Belanghebbende klaagt dat de heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan de toezendplicht omdat geen taxatiekaart met grondstaffel is verstrekt, ondanks het verzoek van belanghebbende daartoe. De heffingsambtenaar heeft verklaard geen gebruik te maken van deze gegevens. De rechtbank overweegt dat de werkwijze van de heffingsambtenaar reeds aan de orde is geweest in de jurisprudentie waarbij is geoordeeld dat van een schending van de toezendplicht geen sprake is.[2] De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen.
7. De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 6:17 van de Awb heeft gehandeld door de gemachtigde in de bezwaarfase niet de taxatiematrix en grondstaffel toe te zenden, moet worden verworpen. Artikel 6:17 van de Awb gaat immers niet verder dan dat in het geval er een gemachtigde is, de plicht bestaat aan hem stukken te zenden, maar dit artikel heeft geen betrekking op de vraag voor welke stukken een toezendplicht geldt.
8. Belanghebbende stelt dat de bouwtekeningen en de iWOZ-rapporten van de vergelijkingsobjecten behoren tot de stukken zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb en verzoekt de heffingsambtenaar deze stukken te overleggen. Anders dan belanghebbende meent, horen de bouwtekeningen en de iWOZ-rapporten van de vergelijkingsobjecten niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb.[3] De heffingsambtenaar is daarom in beginsel niet verplicht om deze gegevens te verstrekken. Dit zou anders kunnen zijn als belanghebbende aannemelijk maakt dat de gehanteerde oppervlakten of secundaire objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten onjuist zijn maar dat heeft belanghebbende in dit geval niet gedaan.
9. Belanghebbende heeft ook aangevoerd dat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd omdat daarin niet volledig is weergegeven wat op de hoorzitting is besproken. Niet in geschil is dat geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Reeds daarom faalt het betoog van belanghebbende.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] Hoge Raad 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529.
[2] Hof Den Haag 7 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2636 en Hoge Raad 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1390.
[3] Hof Den Haag 4 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:914.”
Feiten
In de matrix is onder meer vermeld:
Bezwaard object
Adres
€/m2 GO
Opmerking
[adres 1]
€ 5.119
Referenties Gemeente Den Haag
Adres
Opmerking
[adres 5]
€ 5.206
[adres 6]
€ 6.111
[adres 7]
€ 5.691
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – geoordeeld:
“4. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Met de matrix en hetgeen overigens door de heffingsambtenaar is aangevoerd, maakt hij aannemelijk dat in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning, waaronder de oppervlakte. De door de heffingsambtenaar aangedragen vergelijkingsobjecten zijn, anders dan belanghebbende bepleit, voldoende vergelijkbaar qua ligging. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de transacties van [adres 8] en [adres 10] ook in aanmerking moeten worden genomen. [adres 8] wijkt aanzienlijk af qua oppervlakte en [adres 10] beschikt in tegenstelling tot de woning over een souterrain. Daarom acht de rechtbank deze door belanghebbende aangedragen transacties minder goed vergelijkbaar dan de vergelijkingsobjecten die de heffingsambtenaar heeft aangedragen. Indien het door belanghebbende aangedragen object [adres 9] (vierkantemeterprijs van € 4.697) in de vergelijking wordt betrokken, leidt dit niet tot een lagere waarde. Dit leidt namelijk tot een (op de drie vergelijkingsobjecten van de heffingsambtenaar en de [adres 9] gebaseerde) vierkantemeterprijs van € 5.426, hetgeen aanzienlijk hoger is dan de voor de woning gehanteerde vierkantemeterprijs (€ 5.119).
6. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, doet aan het hiervoor gegeven oordeel niet af. Belanghebbende klaagt dat de heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan de toezendplicht omdat geen taxatiekaart met grondstaffel is verstrekt, ondanks het verzoek van belanghebbende daartoe. De heffingsambtenaar heeft verklaard geen gebruik te maken van deze gegevens. De rechtbank overweegt dat de werkwijze van de heffingsambtenaar reeds aan de orde is geweest in de jurisprudentie waarbij is geoordeeld dat van een schending van de toezendplicht geen sprake is.[2] De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen.
7. De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 6:17 van de Awb heeft gehandeld door de gemachtigde in de bezwaarfase niet de taxatiematrix en grondstaffel toe te zenden, moet worden verworpen. Artikel 6:17 van de Awb gaat immers niet verder dan dat in het geval er een gemachtigde is, de plicht bestaat aan hem stukken te zenden, maar dit artikel heeft geen betrekking op de vraag voor welke stukken een toezendplicht geldt.
8. Belanghebbende stelt dat de bouwtekeningen en de iWOZ-rapporten van de vergelijkingsobjecten behoren tot de stukken zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb en verzoekt de heffingsambtenaar deze stukken te overleggen. Anders dan belanghebbende meent, horen de bouwtekeningen en de iWOZ-rapporten van de vergelijkingsobjecten niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb.[3] De heffingsambtenaar is daarom in beginsel niet verplicht om deze gegevens te verstrekken. Dit zou anders kunnen zijn als belanghebbende aannemelijk maakt dat de gehanteerde oppervlakten of secundaire objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten onjuist zijn maar dat heeft belanghebbende in dit geval niet gedaan.
9. Belanghebbende heeft ook aangevoerd dat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd omdat daarin niet volledig is weergegeven wat op de hoorzitting is besproken. Niet in geschil is dat geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Reeds daarom faalt het betoog van belanghebbende.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] Hoge Raad 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529.
[2] Hof Den Haag 7 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2636 en Hoge Raad 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1390.
[3] Hof Den Haag 4 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:914.”