Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-01-14
ECLI:NL:GHDHA:2025:1684
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
3,572 tokens
Dictum
inzake het verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de hoofdzaak met genoemde rolnummers van:
[X] , te [Z] , verzoeker,
(gemachtigde: M. Jonkman)
Procesverloop
1. De belastingprocedure waarin verzoeker het wrakingsverzoek heeft gedaan (de hoofdzaak) betreft een zaak van verzoeker tegen de inspecteur van de Belastingdienst (de Inspecteur).
2. Verzoeker heeft in de hoofdzaak onder meer een op 19 november 2024 gedateerd stuk ingediend, bij het hof binnengekomen op 23 november 2024, betreffende “Aanvulling beroepsgronden/nadere stukken bijlagen 16 nov 2024.”.
3. Verzoeker heeft tijdens de zitting van de meervoudige belastingkamer op 4 december 2024 een verzoek tot wraking ingediend van de zetel, bestaande uit mr. I. Reijngoud, voorzitter, mr. S.E. Postema en mr. L.D.M.A. Reijs (de meervoudige belastingkamer van het hof). De gronden voor het wrakingsverzoek zijn opgenomen in het proces-verbaal van de zitting.
4. Bij e-mail van 9 december 2024 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek aangevuld.
Het wrakingsverzoek
5. Tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft verzoeker de meervoudige belastingkamer van het hof een – in de woorden van verzoeker – “ordeverzoek” gedaan, met de strekking dat het hof bij tussenbeslissing diverse op de zaak betrekking hebbende stukken bij de Inspecteur opvraagt als bedoeld in artikel 8:42 Awb. Dit “ordeverzoek” is ook gedaan in het nader stuk van 23 november 2024. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak volgt dat de meervoudige belastingkamer van het hof hierop als volgt heeft gereageerd:
“In antwoord op de voorzitter die aangeeft dat het Hof op dit moment geen reden ziet om een tussenbeslissing te nemen, belanghebbende zelf FSV stukken kan opvragen maar het Hof die bevoegdheid niet heeft, geeft belanghebbende aan dat dit wel kan op basis van artikelen 8:42 en 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorzitter geeft aan dat het Hof niks kan met de procedure voor de Raad van State.
(…)
De voorzitter geeft aan dat het Hof later zal toetsen of aan de verplichting van artikel 8:42 Awb is voldaan.”
6.1.
Het onder 3 vermelde wrakingsverzoek houdt in, zo begrijpt de wrakingskamer, dat de meervoudige belastingkamer van het hof in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) heeft gehandeld en daarmee de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een volledig en eerlijk proces zolang niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Verzoeker wijst verder op:
i. de connexiteit tussen de hoofdzaak en de lopende procedure bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State;
ii. de FSV-procedure;
iii. integrale inzage in het fiscaal dossier 2016;
iv. de aangifteselectie van de Belastingdienst;
v. artikel 8:29 Awb, en;
vi. het systeem van de Belastingdienst dat automatisch het box 3 inkomen heeft berekend.
6.2.
In de tweede plaats voert verzoeker aan dat hij tijdens de zitting door de voorzitter, nadat zij de hoofdzaak kort had ingeleid, in de gelegenheid is gesteld om een toelichting te geven op zijn nader stuk van 23 november 2024 (zie 2). Op basis van de inleidende opmerkingen van de voorzitter was het logischer geweest om de Inspecteur te vragen om te reageren op het nader stuk, aldus verzoeker.
Beoordeling
7. Op grond van artikel 8:15 Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:108, lid 1, Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het hoger beroep in belastingzaken.
8. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (vgl. Hoge Raad 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141 en Hoge Raad 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3625).
9. Voorop wordt gesteld dat de (voorlopige) afwijzing van het verzoek om tijdens de zitting een tussenbeslissing te nemen over de op de zaak betrekking hebbende stukken, moet worden aangemerkt als een procedurele beslissing. Procedurele beslissingen vormen in beginsel geen grond voor wraking. Het middel van wraking kan niet een verkapt rechtsmiddel zijn tegen – de voor verzoeker onwelgevallige – (procedurele) beslissingen van de rechter. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Ook de motivering van een (procedurele) beslissing kan in beginsel geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (procedurele) beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Dat daarvan in deze zaak sprake is, is niet gebleken. Overigens heeft de voorzitter te kennen gegeven dat de meervoudige belastingkamer van het hof later nog zal toetsen of aan de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen is voldaan.
10. Anders dan verzoeker kennelijk meent, levert de omstandigheid dat de voorzitter verzoeker als eerste in de gelegenheid heeft gesteld een toelichting te geven op zijn nader stuk geen zwaarwegende aanwijzing op voor de conclusie dat de betrokken raadsheren vooringenomen zijn en evenmin dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Conclusie
11. Gelet op het voorgaande is het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond en dient het afgewezen te worden.
Dictum
De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de gemachtigde van verzoeker, aan de raadsheren, alsmede aan de Inspecteur.
Deze beslissing is gegeven op 14 januari 2025 door J.W. van den Hurk, voorzitter, P.J.J. Vonk en J.W. Frieling, in aanwezigheid van de griffier N. Veenstra.
Een afschrift van deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Dictum
inzake het verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de hoofdzaak met genoemde rolnummers van:
[X] , te [Z] , verzoeker,
(gemachtigde: M. Jonkman)
Procesverloop
1. De belastingprocedure waarin verzoeker het wrakingsverzoek heeft gedaan (de hoofdzaak) betreft een zaak van verzoeker tegen de inspecteur van de Belastingdienst (de Inspecteur).
2. Verzoeker heeft in de hoofdzaak onder meer een op 19 november 2024 gedateerd stuk ingediend, bij het hof binnengekomen op 23 november 2024, betreffende “Aanvulling beroepsgronden/nadere stukken bijlagen 16 nov 2024.”.
3. Verzoeker heeft tijdens de zitting van de meervoudige belastingkamer op 4 december 2024 een verzoek tot wraking ingediend van de zetel, bestaande uit mr. I. Reijngoud, voorzitter, mr. S.E. Postema en mr. L.D.M.A. Reijs (de meervoudige belastingkamer van het hof). De gronden voor het wrakingsverzoek zijn opgenomen in het proces-verbaal van de zitting.
4. Bij e-mail van 9 december 2024 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek aangevuld.
Het wrakingsverzoek
5. Tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft verzoeker de meervoudige belastingkamer van het hof een – in de woorden van verzoeker – “ordeverzoek” gedaan, met de strekking dat het hof bij tussenbeslissing diverse op de zaak betrekking hebbende stukken bij de Inspecteur opvraagt als bedoeld in artikel 8:42 Awb. Dit “ordeverzoek” is ook gedaan in het nader stuk van 23 november 2024. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak volgt dat de meervoudige belastingkamer van het hof hierop als volgt heeft gereageerd:
“In antwoord op de voorzitter die aangeeft dat het Hof op dit moment geen reden ziet om een tussenbeslissing te nemen, belanghebbende zelf FSV stukken kan opvragen maar het Hof die bevoegdheid niet heeft, geeft belanghebbende aan dat dit wel kan op basis van artikelen 8:42 en 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorzitter geeft aan dat het Hof niks kan met de procedure voor de Raad van State.
(…)
De voorzitter geeft aan dat het Hof later zal toetsen of aan de verplichting van artikel 8:42 Awb is voldaan.”
6.1.
Het onder 3 vermelde wrakingsverzoek houdt in, zo begrijpt de wrakingskamer, dat de meervoudige belastingkamer van het hof in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) heeft gehandeld en daarmee de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een volledig en eerlijk proces zolang niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Verzoeker wijst verder op:
i. de connexiteit tussen de hoofdzaak en de lopende procedure bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State;
ii. de FSV-procedure;
iii. integrale inzage in het fiscaal dossier 2016;
iv. de aangifteselectie van de Belastingdienst;
v. artikel 8:29 Awb, en;
vi. het systeem van de Belastingdienst dat automatisch het box 3 inkomen heeft berekend.
6.2.
In de tweede plaats voert verzoeker aan dat hij tijdens de zitting door de voorzitter, nadat zij de hoofdzaak kort had ingeleid, in de gelegenheid is gesteld om een toelichting te geven op zijn nader stuk van 23 november 2024 (zie 2). Op basis van de inleidende opmerkingen van de voorzitter was het logischer geweest om de Inspecteur te vragen om te reageren op het nader stuk, aldus verzoeker.
Beoordeling
7. Op grond van artikel 8:15 Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:108, lid 1, Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het hoger beroep in belastingzaken.
8. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (vgl. Hoge Raad 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141 en Hoge Raad 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3625).
9. Voorop wordt gesteld dat de (voorlopige) afwijzing van het verzoek om tijdens de zitting een tussenbeslissing te nemen over de op de zaak betrekking hebbende stukken, moet worden aangemerkt als een procedurele beslissing. Procedurele beslissingen vormen in beginsel geen grond voor wraking. Het middel van wraking kan niet een verkapt rechtsmiddel zijn tegen – de voor verzoeker onwelgevallige – (procedurele) beslissingen van de rechter. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Ook de motivering van een (procedurele) beslissing kan in beginsel geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (procedurele) beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Dat daarvan in deze zaak sprake is, is niet gebleken. Overigens heeft de voorzitter te kennen gegeven dat de meervoudige belastingkamer van het hof later nog zal toetsen of aan de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen is voldaan.
10. Anders dan verzoeker kennelijk meent, levert de omstandigheid dat de voorzitter verzoeker als eerste in de gelegenheid heeft gesteld een toelichting te geven op zijn nader stuk geen zwaarwegende aanwijzing op voor de conclusie dat de betrokken raadsheren vooringenomen zijn en evenmin dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Conclusie
11. Gelet op het voorgaande is het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond en dient het afgewezen te worden.
Dictum
De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de gemachtigde van verzoeker, aan de raadsheren, alsmede aan de Inspecteur.
Deze beslissing is gegeven op 14 januari 2025 door J.W. van den Hurk, voorzitter, P.J.J. Vonk en J.W. Frieling, in aanwezigheid van de griffier N. Veenstra.
Een afschrift van deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: