Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-04-03
ECLI:NL:GHDHA:2025:1680
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
7,663 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/1079
Uitspraak van 3 april 2025
in het geding tussen:
V.O.F. [X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: P. de Haas)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 september 2023, nummer SGR 22/6834.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 april 2014 tot en met 30 juni 2018 een naheffingsaanslag in de accijns opgelegd van € 235.376 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 37.024 aan belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete van € 7.281,20 opgelegd.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt:
“De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- matigt de verzuimboete tot € 6.188.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 548. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 22 februari 2024 en 4 februari 2025 een nader stuk ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 5 maart 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende exploiteert twee winkels in dranken (de slijterijen) en een groothandel in dranken en voedings- en genotmiddelen (de groothandel). Belanghebbende heeft geen vergunning om onveraccijnsde goederen te mogen ontvangen, verzenden of opslaan (accijnsvergunning).
2.2.
In de jaren 2014 en 2015 heeft belanghebbende alcoholhoudende dranken ingekocht bij [Bedrijf 1] gevestigd te België. In 2016 heeft belanghebbende alcoholhoudende dranken ingekocht bij [Bedrijf 2] eveneens in België gevestigd.
2.3.
Met dagtekening 3 oktober 2018 heeft de Inspecteur een administratieve controle bij belanghebbende aangekondigd (de controle). De controle ziet op de periode 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2018 en is gericht op de voldoening van de in Nederland verschuldigde accijns/verbruiksbelastingen over goederen die belanghebbende heeft ingekocht.
2.4.
De Inspecteur heeft het Douane informatiecentrum op 4 december 2018 verzocht om informatie in te winnen bij de Belgische autoriteiten met betrekking tot de leveringen door [Bedrijf 1] aan belanghebbende. Bij brief van 18 april 2019 geven de Belgische autoriteiten informatie over [Bedrijf 1] . Daarbij zijn onder meer facturen van [Bedrijf 1] overgelegd. Op die facturen staat een Belgisch vestigingsadres van [Bedrijf 1] en is geen bedrag aan accijns vermeld.
2.5.
Bij brief van 9 augustus 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is een naheffingsaanslag accijns op te leggen van € 235.376 wegens het buiten een accijnsschorsingsregeling voorhanden hebben van accijnsgoederen zonder dat de verschuldigde accijns in Nederland op aangifte is voldaan. Bij deze brief zit een bijlage met een overzicht van de zendingen die in de berekening van de naheffingsaanslag zijn betrokken. De reactie van belanghebbende van 12 september 2019 heeft de Inspecteur geen aanleiding gegeven het voornemen tot naheffen te herzien. Vervolgens is op 8 oktober 2019 het controlerapport aan belanghebbende toegestuurd.
2.6.
Met dagtekening 20 november 2019 is de naheffingsaanslag conform het voornemen en het controlerapport opgelegd. De daarbij opgelegde vergrijpboete bedraagt € 7.281,20 en de in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 37.024.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Beoordeling van het geschil
Het fair play-beginsel
10. Op grond van artikel 51, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de Accijns (WA) wordt bij het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving, de accijns geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is. Daarvoor is niet vereist dat degene die het accijnsgoed voorhanden heeft, weet dat het om accijnsgoederen gaat of dat de accijns over die goederen niet is voldaan.[1] Noch de wettelijke bepalingen noch enig rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat aan elk van degenen die het accijnsgoed voorhanden hebben gehad, een naheffingsaanslag voor het volle bedrag van de accijns wordt opgelegd.[2]
11. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de accijnsgoederen voorhanden heeft gehad. Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag dan ook conform de wet- en regelgeving en terecht aan haar opgelegd. Dat ook aan anderen een naheffingsaanslag opgelegd had kunnen worden, tast de rechtmatigheid van de hier voorliggende naheffingsaanslag niet aan. Hiervoor geldt immers geen rangorde en verweerder is ook niet verplicht aan alle betrokkenen een naheffingsaanslag op te leggen. Eiseres is van mening dat verweerder niet onpartijdig en niet billijk handelt nu alleen aan haar een naheffingsaanslag is opgelegd en niet (ook) aan [Bedrijf 1] terwijl [Bedrijf 1] degene is die heeft gefraudeerd en eiseres daarvan het slachtoffer is. Ook had verweerder aanslagen kunnen opleggen aan anderen die bij deze transacties betrokken waren. Door alleen eiseres in de heffing te betrekken is volgens eiseres sprake van willekeur. Daarmee schendt verweerder volgens eiseres het fair play-beginsel. Met wat eiseres heeft aangevoerd heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat bij verweerder sprake is van vooringenomenheid en willekeur of dat verweerder een gebrek aan transparantie kan worden verweten. Weliswaar acht de rechtbank niet uitgesloten dat een eventueel verhaal door eiseres op derden gemakkelijker zal zijn als ook aan hen aanslagen waren opgelegd, maar dat enkele gegeven brengt niet mee dat het fair play-beginsel is geschonden en dat de onderhavige aanslag moet komen te vervallen. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat [Bedrijf 1] sedert 2016 in staat van faillissement verkeert.
Het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod
12. Voor de gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod heeft eiseres verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 mei 2019 in een zaak van een andere belastingplichtige die ook van [Bedrijf 1] alcoholhoudende dranken heeft afgenomen. In die zaak hebben de partijen ter zitting een compromis gesloten op grond waarvan de naheffingsaanslag is verminderd tot 37,5% van het nageheven bedrag. Uit de uitspraak van het Gerechtshof valt niet op te maken hoe partijen tot dit compromis zijn gekomen en waarom zij het percentage van 37,5% zijn overeengekomen. Daarmee kan dan ook niet worden vastgesteld dat, zoals eiseres stelt, sprake is van een bewuste bevoordeling van die belastingplichtige die ook aan eiseres zou moeten toekomen. Dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel dan wel het discriminatieverbod heeft eiseres, op wie in deze de bewijslast rust, dan ook niet aannemelijk gemaakt. De stelling van verweerder dat het feit dat ten tijde van dit compromis in de rechtspraak nog geen eenduidig oordeel bestond over het zogenoemde wetenschapsvereiste vermoedelijk mede aanleiding zal zijn geweest voor het sluiten van het compromis, acht de rechtbank overigens niet onaannemelijk. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft immers pas bij het arrest van 10 juni 2021[3] verduidelijkt dat voor het opleggen van een naheffingsaanslag niet is vereist dat een belanghebbende wetenschap had over de accijnsstatus van de goederen.
De boete
13. Eiseres stelt dat zij slachtoffer is geworden van een fraudeur en dat haar daarin geen verwijt kan worden gemaakt. Zij acht de boeteoplegging daarom in strijd met het evenredigheidsbeginsel omdat die fraudeur niet wordt aangesproken en dus ook niet wordt beboet.
14. Op grond van artikel 67c, eerste lid, van de Awr in samenhang met paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, kan verweerder een verzuimboete van 10% van de verschuldigde belasting opleggen ingeval de accijns die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald. Niet in geschil is dat daarvan sprake is. De mate van verwijtbaarheid van het verzuim speelt daarbij geen rol. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) of indien sprake is van een pleitbaar standpunt dient een dergelijke verzuimboete achterwege te blijven. Dat sprake is van een pleitbaar standpunt is niet gesteld en is ook overigens niet gebleken.
15. Het is aan eiseres om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van avas. De enkele stelling dat zij slachtoffer is van een fraudeur, is daarvoor onvoldoende. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres als handelaar in alcoholhoudende dranken moet weten dat daarover Nederlandse accijns verschuldigd is.
Geschil
4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag, de verzuimboete en de belastingrente terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en primair tot vernietiging en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag, verzuimboete en belastingrente. Verder verzoekt belanghebbende om een (proces)kostenvergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep, om vergoeding van het griffierecht en om vaststelling van een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
Fysieke beschikkingsmacht
5.1.1.
De Inspecteur stelt dat belanghebbende de goederen die door [Bedrijf 1] aan haar zijn geleverd fysiek ter beschikking heeft gehad en wijst daarbij op informatie die eerder van belanghebbende is verkregen.
5.1.2.
Belanghebbende betwist dat zij de goederen fysiek ter beschikking heeft gehad, omdat deze onder consignatie van [Bedrijf 1] werden ondergebracht bij opslagplaatsen en ook zijn afgeleverd bij klanten van belanghebbende. Daarmee heeft belanghebbende de goederen niet voorhanden gehad als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b, van de Wet op de accijns (WA), aldus belanghebbende.
5.1.3.
Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende de goederen fysiek ter beschikking heeft gehad. [A] , adviseur van belanghebbende, heeft namens belanghebbende in een e-mailbericht van 24 april 2019 namelijk onder meer als volgt gereageerd op vragen van de Belastingdienst:
“Van leverancier [Bedrijf 1] zijn alleen facturen ontvangen. De eigenaar van [Bedrijf 1] leverde zelf de ingekochte goederen af op het afleveradres [adres] van [belanghebbende] . Na aflevering van de goederen werd enkel alleen de factuur overhandigd. [belanghebbende] heeft geen pakbonnen of vervoersbescheiden van [Bedrijf 1] ontvangen. Op de facturen van [Bedrijf 1] zijn alle gegevens opgenomen, zoals BTW-nummer en accijnsnummer.”
Deze reactie sluit aan op hetgeen belanghebbende in haar beroepschrift heeft opgenomen. Daarin staat:
“Gedurende die periode koopt [belanghebbende] alcoholische dranken in bij verschillende leveranciers waaronder ook bij de firma [Bedrijf 1] gevestigd in [vestigingsplaats 1] (BE). De drank van [Bedrijf 1] werd bij de winkel bezorgd door de heer [B] en contant afgerekend. Daarbij is voorgedaan dat de over de dranken verschuldigde Nederlandse accijns reeds was voldaan.”
Bovendien staat op veel facturen die [Bedrijf 1] aan belanghebbende heeft uitgereikt onder het verzendadres “Zelfde als geadresseerde”, waarbij het adres van belanghebbende is opgenomen als factuuradres.
5.1.4.
Nu het Hof aannemelijk acht dat belanghebbende de goederen fysiek ter beschikking heeft gehad, heeft belanghebbende de goederen voorhanden gehad als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b, WA. Daarmee behoeft geen behandeling of middellijke beschikkingsmacht voldoende is voor het “voorhanden hebben” en of belanghebbende kan worden aangemerkt als persoon die betrokken was bij het voorhanden hebben van de goederen.
Onderzoek naar herkomst
5.2.1.
Op grond van artikel 2, lid 1, aanhef en onder b, WA wordt accijns wegens uitslag tot verbruik verschuldigd ter zake van het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. Op de Inspecteur rust de stelplicht en in beginsel ook de bewijslast ter zake hiervan.
5.2.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat geen schorsingsregeling van toepassing is, zodat in Nederland accijns is verschuldigd wegens uitslag tot verbruik. De vraag die voorligt, is of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat over de goederen nog geen Nederlandse accijns is geheven.
5.2.3.
Belanghebbende heeft ten aanzien van de levering door [Bedrijf 2] een e-mailbericht van 15 januari 2025 overgelegd. In dat e-mailbericht schrijft [Bedrijf 2] aan belanghebbende dat de accijnsaangifte voor de door haar in 2016 aan belanghebbende uitgereikte factuur is gedaan door haar logistieke partner [Bedrijf 3] . Bij het e-mailbericht is een door [Bedrijf 3] uitgereikte factuur met omschrijving “Accijnzen NL” gevoegd. In een overzicht bij die factuur staat het desbetreffende factuurnummer van [Bedrijf 2] (VC1-205908) met daarbij onder meer de vermelding “ACCIJNS AC4 NL” en een bedrag van “106,03”.
5.2.4.
De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat een Belgische vennootschap geen Nederlandse accijns kan voldoen, dat de informatie afkomstig van [Bedrijf 2] onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te kunnen stellen of Nederlandse accijns is voldaan en dat naar aanleiding van de ontvangen informatie geen nader onderzoek is gedaan.
5.2.5.
Het Hof volgt de Inspecteur niet in zijn stelling, die erop neerkomt dat de levering van de goederen door een Belgische leverancier het vermoeden rechtvaardigt dat geen Nederlandse accijns is voldaan en dat belanghebbende dat vermoeden vervolgens moet ontzenuwen, nog daargelaten dat de door belanghebbende verstrekte informatie voldoende reden tot twijfel geeft om een dergelijk vermoeden ontzenuwd te achten. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, mede gelet op de informatie die belanghebbende heeft overgelegd en zonder daar verder onderzoek naar te doen, niet aannemelijk gemaakt dat over de goederen die door [Bedrijf 2] zijn geleverd geen Nederlandse accijns is voldaan. De naheffingsaanslag dient dan ook te worden verminderd met € 106,03, zijnde het bedrag aan accijns dat is nageheven met betrekking tot de levering door [Bedrijf 2] aan belanghebbende.
5.2.6.
Verder stelt belanghebbende dat geen deugdelijk onderzoek is gedaan naar de herkomst van de goederen die door [Bedrijf 1] aan belanghebbende zijn geleverd en dat daarom niet vaststaat of zich eerdere belastbare feiten hebben voorgedaan waarbij al dan niet Nederlandse accijns is voldaan. Zij wijst daarbij op nieuwsberichten waarin staat dat [Bedrijf 1] alcoholische dranken invoerde vanuit Nederland zonder daarover accijns te betalen. Dat geen Belgische accijns is voldaan, betekent niet dat er geen Nederlandse accijns op de goederen rustte, aldus belanghebbende.
5.2.7.
De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat [Bedrijf 1] niet over een Nederlands accijnsnummer beschikt en niet zelf Nederlandse accijns heeft voldaan. De feitelijk bestuurder van [Bedrijf 1] heeft tegenover belanghebbende en haar (voormalig) gemachtigde bovendien verklaard dat over de goederen geen accijns is geheven. In de reactie van belanghebbende op het voornemen tot naheffing staat daarover:
“Deze feitelijk bestuurder heeft tegenover mij en tegenover de heer [C] verklaard dat hij heeft gefraudeerd door te doen voorkomen dat over alle goederen netjes accijns was afgedragen. Letterlijk: “ik heb […] spullen verkocht onder de voorwendselen dat de accijns betaald was”. De heer [B] is door de Belgische autoriteiten gearresteerd en vervolgens veroordeeld door de Belgische strafrechter en zou daarom bereid zijn om schoon schip te maken. Ik heb geprobeerd om het vonnis van de strafrechter te achterhalen, maar ben daarin nog niet geslaagd.
Verder heeft hij tegenover mij en de heer [C] verklaard dat de goederen vanuit een Belgisch AGP met een eAD zijn uitgeslagen naar een ontvanger in Spanje maar werden afgeleverd in Nederland. Overigens niet alleen bij mijn cliënte maar ook bij bijvoorbeeld [Bedrijf 4] in [vestigingsplaats 2] . Voor cliënte was er indertijd geen reden om te twijfelen aan de accijnsstatus omdat de prijzen duidelijk prijzen inclusief accijns zijn en de verkoper deed voorkomen dat alle accijns was betaald. Cliënte heeft daarom volledig te goeder trouw de onderhavige dranken gekocht.”
5.2.8.
In het verslag van het hoorgesprek staat:
“Dhr. [D] zegt dat, volgens zijn cliënt [belanghebbende] , de dranken, lijst met verkopen, van [Bedrijf 1] niet uit België komt maar uit Nederland. Dhr. [D] geeft aan dat zijn cliënt [belanghebbende] deze goederen met een kwartje onder de prijs heeft gekocht (t.o.v. van de concurrent in Nederland) bij [Bedrijf 1] .
Geschil
5.3.4.
Belanghebbende stelt dat zij wordt getroffen door een individuele en buitensporige last, omdat de prijzen die belanghebbende heeft betaald op de facturen van [Bedrijf 1] overeenstemmen met de prijzen van drank die is veraccijnsd, dat zij erop mocht vertrouwen dat [Bedrijf 1] de accijns zou voldoen en dat zij verantwoordelijkheid moet dragen voor het frauduleus handelen van de leverancier. Bovendien wordt alleen zij aangesproken en blijven [Bedrijf 1] en anderen buiten schot, aldus belanghebbende.
5.3.4.
Belanghebbende heeft met haar stellingen, wat er verder van ook van zij, niet aannemelijk gemaakt dat haar vermogenssituatie door de naheffing van accijns dermate is aangetast dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende op grond van artikel 51, lid 3, WA hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de accijns en dat dit niet anders wordt indien de Inspecteur ook een naheffingsaanslag had opgelegd aan [Bedrijf 1] . Het Hof acht bovendien aannemelijk dat de Inspecteur – zoals hij ter zitting heeft verklaard – van het opleggen van een naheffingsaanslag aan [Bedrijf 1] heeft afgezien, omdat deze partij sinds 2016 in staat van faillissement verkeert en het opleggen van een naheffingsaanslag daarom niet zinvol werd geacht. Voor het overige heeft belanghebbende geen bijzondere feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, die niet gelden voor alle personen bij wie onder vergelijkbare omstandigheden op grond van artikel 51, lid 1, onderdeel b, WA accijns kan worden geheven. De stelling van belanghebbende faalt.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
5.4.1.
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur het fair play-beginsel en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door belanghebbende aan te spreken voor de accijns terwijl [Bedrijf 1] buiten schot blijft.
5.4.2.
Het Hof stelt voorop dat het hier gaat om naheffing van accijns waarvan de verschuldigdheid rechtstreeks voortvloeit uit de wettelijke bepalingen. Nog daargelaten dat de Inspecteur daarbij geen beoordelings- of beleidsvrijheid toekomt en aan toetsing aan het fair play-beginsel en het evenredigheidsbeginsel dus niet wordt toegekomen (vgl. HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1348, r.o. 3.3.3), acht het Hof aannemelijk dat de Inspecteur – zoals hij ter zitting heeft verklaard – van het opleggen van een naheffingsaanslag bij [Bedrijf 1] heeft afgezien omdat deze partij sinds 2016 in staat van faillissement verkeert en het opleggen van een naheffingsaanslag daarom niet zinvol werd geacht. Het Hof acht dan ook niet het oordeel gerechtvaardigd dat sprake is van vooringenomenheid en willekeur bij de Inspecteur.
Verzuimboete
5.5.1.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak in overweging 16 op goede gronden geoordeeld dat het opleggen van de verzuimboete niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het Hof neemt deze overweging over, maakt deze tot de zijne en vult deze als volgt aan.
5.5.2.
Belanghebbende stelt in hoger beroep dat sprake is van een pleitbaar standpunt, omdat de betaalde prijzen overeenkomen met de prijzen van veraccijnsde goederen. Nog daargelaten dat een dergelijke omstandigheid niet een pleitbaar standpunt kan opleveren, nu het niet een interpretatie van het fiscale recht betreft, wijst het Hof erop dat belanghebbende eerder heeft verklaard de goederen onder de prijs van Nederlandse concurrenten te hebben gekocht (zie 5.2.8). Daarbij komt dat belanghebbende als handelaar in alcoholhoudende dranken moet weten dat daarover Nederlandse accijns verschuldigd is en dat – zoals de Rechtbank in haar uitspraak in overwegingen 14 en 15 heeft geoordeeld –
afwezigheid van alle schuld niet aannemelijk is gemaakt.
5.5.3.
De Rechtbank heeft de verzuimboete ambtshalve gematigd in verband met de duur van de procedure. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat sprake is van één boetebeschikking, maar niet kunnen toelichten op welke wijze rekening is gehouden met het wettelijk maximum van artikel 67c, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Een berekening van de verzuimboete ontbreekt in de gedingstukken. Het Hof ziet in deze omstandigheid en het feit dat de verzuimboete moet worden verminderd voor zover deze toerekenbaar is aan de nageheven accijns met betrekking tot de levering door [Bedrijf 2] (zie 5.2.5) aanleiding om de verzuimboete verder te matigen. Het Hof acht een boete van € 4.700 passend en geboden. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg zal het Hof de boete nader matigen met 15 percent tot € 3.995.
Belastingrente
5.6.
De belastingrente dient te worden verminderd voor zover deze toerekenbaar is aan de nageheven accijns met betrekking tot de levering door [Bedrijf 2] (zie 5.1).
Immateriëleschadevergoeding
5.7.1.
Belanghebbende stelt voor het eerst in hoger beroep dat zij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de bezwaar- en beroepsfase. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). Hierbij geldt dat voor de bezwaarfase een termijn van een half jaar als redelijk wordt beschouwd en dat voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar als redelijk wordt beschouwd. Voor de hogerberoepsfase wordt een termijn van twee jaar als redelijk beschouwd. In een geval waarin voor het eerst in hoger beroep wordt verzocht om een vergoeding van immateriële schade heeft te gelden dat de vraag of die termijn is overschreden door het Hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen (vgl. HR 12 december 2014, ECLI:NL:2014:3562). In een zodanig geval geldt een redelijke termijn voor berechting van vier jaar.
5.7.2.
Het bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 2 december 2019 en hij heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 21 september 2022. Het Hof doet uitspraak op 3 april 2025. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur tot en met de datum waarop het Hof uitspraak doet, zijn vijf jaar en (afgerond) vijf maanden verstreken. Hiervan worden vijf maanden buiten beschouwing gelaten, omdat belanghebbende heeft verzocht de behandeling van het bezwaar aan te houden in afwachting van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie en de Inspecteur daaraan gehoor heeft gegeven. Het Hof houdt dan ook rekening met een overschrijding van de redelijke termijn met twaalf maanden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000. De overschrijding van de redelijke termijn dient geheel te worden toegerekend aan de bezwaarfase. Het Hof zal de Inspecteur veroordelen tot betaling van genoemd bedrag van € 1.000.
Conclusie
5.8.
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.1
Er is aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, welke op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage worden vastgesteld op € 4.922 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (inzake de bezwaarfase € 1.294: 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 647 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1; inzake de beroepsfase € 1.814: 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beroep met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1; inzake de hogerberoepsfase € 1.814: 1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting in hoger beroep, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1).
6.2.
Voorts dienen aan belanghebbende de betaalde griffierechten van € 365 voor het beroep en € 548 voor het hoger beroep te worden vergoed.
Dictum
Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 235.269;
- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- vermindert de verzuimboete tot een bedrag van € 3.995;
- veroordeelt de Inspecteur in de immateriële schade van belanghebbende tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.922;
- gelast de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht van in totaal € 913 te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, A. van Dongen en W.J. Blokland, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd L.D.M.A Reijs
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.