Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-02-25
ECLI:NL:GHDHA:2025:1176
Civiel recht
Hoger beroep
5,359 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.347.834/01
Zaak-rekestnummer rechtbank : C/10/678735 / KG RK 24-548
Beschikking van 25 februari 2025
in de zaak van
V-Wave Shipping S.A.,
gevestigd in Monrovia (Liberia),
verzoekster,
advocaat: mr. B.G.F. Simons, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
1Haven Klup B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
2. Three Seas Services B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
3. Nepa Shipping B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
4Med Asia Shipping B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
5Nepa Beheer B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
6Nepa Holding B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
7 [naam] Beheer B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
8 [geïntimeerde] ,
wonende in [woonplaats] ,
verweerders,
advocaat: mr. M.J.R. Jansen, kantoorhoudend in Utrecht.
Het hof noemt verzoekster hierna ‘V-Wave’, verweerster sub 1 ‘Haven Klup’ en verweerders gezamenlijk ‘verweerders’.
1De zaak in het kort
1.1
Deze zaak betreft de begroting van een schadevergoedingsvordering bij het verlenen van verlof voor het mogen leggen van conservatoir beslag. Volgens V-Wave hebben verweerders een onrechtmatige daad gepleegd door de aan Haven Klup verbonden onderneming over te hevelen naar andere (groeps)vennootschappen. Op die wijze is vermogen aan verhaal voor de vordering van V-Wave op Haven Klup onttrokken.
1.2
De rechtbank heeft de (op bestuurders-/groepsaansprakelijkheid gestoelde) vordering van V-Wave summierlijk aannemelijk geacht en voor de begroting van die vordering aangeknoopt bij het volgens de balans van Haven Klup aanwezige eigen vermogen op het moment dat de onderneming niet verder werd voortgezet (eind 2021).
1.3
Volgens V-Wave heeft de rechtbank de vordering van V-Wave te laag begroot. Zij vinden dat verweerders geen verifieerbare informatie hebben gegeven voor de waardebepaling van (de onderneming van) Haven Klup en menen dat dit voor risico van verweerders moet worden gelaten.
1.4
De grieven van V-Wave zullen worden verworpen. Wat in hoger beroep is aangevoerd is niet voldoende om de vordering van V-Wave op een hoger bedrag te begroten dan de rechtbank heeft gedaan.
2De achtergrond van het geschil
2.1
In 2021 is tussen V-Wave en Three Seas Shipping B.V., thans Haven Klup, een geschil ontstaan over de vraag of het zeeschip de ‘Vantage Wave’ al dan niet 'on hire' was gedurende een charterperiode.
2.2
V-Wave en Haven Klup hebben ter beslechting van hun geschil een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt in London op 19 november 2021.
2.3
V-Wave heeft (nog voor de naamswijziging in Haven Klup) beslagen gelegd ten laste van Haven Klup. Die hebben (nagenoeg) geen doel getroffen.
2.4
Bij V-Wave is het vermoeden gerezen dat de bestuurders van Haven Klup in december 2021 de exploitatie van de vennootschap hebben gestaakt om te voorkomen dat V-Wave, bij succes, verhaal zou kunnen nemen op het vermogen van de vennootschap.
2.5
Bij verzoekschrift van 8 mei 2024 heeft V-Wave de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter) nogmaals verlof gevraagd conservatoir beslag te mogen leggen, maar nu ten laste van (onder meer) verweerders (waaronder groepsvennootschappen en bestuurders van Haven Klup), onder de in het verzoekschrift genoemde derden en op onroerend goed toebehorend aan verweerder sub 8.
2.6
Bij beschikking van 14 mei 2024 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof voorwaardelijk verleend. De vordering van V-Wave op verweerders is daarbij voorlopig begroot op USD 1.566.400,00, inclusief rente en kosten. Daarbij is bepaald dat V-Wave en verweerders worden opgeroepen voor een zitting, onder meer voor een nadere toetsing van de proportionaliteit van het beslag, voordat een finale beslissing zal worden genomen op het beslagrekest.
2.7
Partijen hebben op de mondelinge behandeling van 29 mei 2024 hun standpunten toegelicht.
2.8
Bij beschikking van 31 mei 2024 heeft de voorzieningenrechter, onder meer en voor zover in hoger beroep nog van belang, geoordeeld als volgt:
gelet op de omstandigheid dat er een bevrachtingsovereenkomst was – en daarmee een verplichting om huur te betalen – is summierlijk aannemelijk is dat V-Wave een vordering van USD 1.292.549,90 heeft op Haven Klup;
het is verder summierlijk aannemelijk dat V-Wave op verweerders sub 2 tot en met 8 een vordering uit onrechtmatige daad heeft. Op zitting is gebleken dat de activiteiten van Haven Klup vanwege het geschil met V-Wave zijn overgegaan naar een of meerdere verweerders zonder dat daarvoor een vergoeding is betaald. Gegeven het feit dat Haven Klup in 2021 een lopende onderneming had, is de overgang zonder goodwillvergoeding potentieel onrechtmatig jegens V-Wave. Het is aan de bodemrechter om de vraag te beantwoorden welke vennootschapen/verweerders daar precies bij betrokken zijn geweest;
het schadebedrag voor de vordering op verweerders 2 tot en met 8 heeft de rechtbank herbegroot op USD 100.000,00 en (USD 130.000.00 inclusief rente en kosten), waarbij de rechtbank de waarde van de onderneming van Haven Klup heeft bepaald (mede) aan de hand van het eigen vermogen (ter grootte van USD 100.000,00) ten tijde van de (gestelde) verhaalsfrustratie (ultimo 2021); en
omdat verweerders onvoldoende inzicht hadden gegeven in welke mate de beslagen doel hadden getroffen, heeft de voorzieningenrechter de gelegde beslagen niet deels opgeheven.
2.9
Verweerders sub 2 tot en met 8 hebben vervolgens aangeboden aan V-Wave een bankgarantie te stellen ter grootte van USD 130.000,00. V-Wave heeft geweigerd om de beslagen op te heffen, omdat volgens V-Wave de bankgarantie ook door Haven Klup moest worden afgegeven.
2.10
Op vordering van verweerders sub 2 tot en met 8 heeft de voorzieningenrechter bij vonnis (in kort geding) van 29 augustus 2024 de gelegde beslagen opgeheven. De voorzieningenrechter heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd – verkort weergegeven – dat gelet op de belangen van V-Wave enerzijds (bij handhaving van de beslagen) en de belangen van verweerders sub 2 tot en met 8 (bij opheffing) anderzijds, V-Wave niet redelijkerwijze haar medewerking heeft mogen weigeren aan het opheffen van de beslagen. Over het oogmerk van V-Wave om onder de bankgarantie ook aanspraak te kunnen maken op betaling van haar vordering op grond van de bevrachtingsovereenkomst op Haven Klup, heeft de voorzieningenrechter – verkort weergegeven – overwogen als volgt. De vordering van V-Wave jegens verweerders sub 2 tot en met 8 betreft een te onderscheiden vordering, gestoeld op een andere (onrechtmatige daad-) grondslag, terwijl het onder Haven Klup gelegde beslag niet of nauwelijks doel heeft getroffen. Met een bankgarantie van Haven Klup waarvan V-Wave ook gebruik zou kunnen maken na toewijzing van haar vordering op Haven Klup in de arbitrageprocedure, zou V-Wave in een aanmerkelijk betere positie komen te verkeren. De omstandigheid dat wellicht – zoals V-Wave stelt – de (onrechtmatige daad-) vordering niet alleen toewijsbaar is jegens verweerders sub 2 tot en met 8, maar ook jegens Haven Klup, doet daaraan onvoldoende af.
2.11
V-Wave is bij beroepschrift, ingekomen op 30 augustus 2024 bij de griffie van het hof, in hoger beroep gekomen van de in 2.8 genoemde beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2024 (hierna: de bestreden beschikking).
Beoordeling
3.1
V-Wave is in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens is met het bedrag waarvoor haar vordering is (her)begroot door de voorzieningenrechter. V-Wave verzoekt – kort gezegd – de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarin haar vordering is (her)begroot op USD 130.000,00 (inclusief kosten), en de oorspronkelijke begroting ten opzichte van verweerders in stand te laten conform het verlof van 14 mei 2024, zijnde een bedrag van USD 1.566.400,00, met veroordeling van verzoekers in de kosten.
3.2
Verweerders hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking. Hoewel zij het aan hun adres gemaakte verwijt (verhaalsfrustratie) bestrijden, hebben zij zelf geen expliciete grieven tegen de beschikking geformuleerd. Bij de onderstaande beoordeling van de grieven van V-Wave wordt er daarom van uitgegaan dat (summierlijk is gebleken dat) V-Wave een vordering heeft op verweerders sub 2 tot en met 8 op grond van bestuurdersaansprakelijkheid (art. 6:162 jo 2:9 BW) en/of onrechtmatig handelen in groepsverband (art. 6:166 BW).
3.3
Bij de beoordeling van de (drie) grieven van V-Wave wordt het volgende vooropgesteld.
3.4
Haven Klup heeft haar onderneming na 31 december 2021 niet voortgezet. Volgens de balans van Haven Klup had zij per 31 december 2021 een eigen vermogen van USD 99.000,00. De vordering van V-Wave is daarin niet meegenomen.
3.5
Tussen partijen is niet in geschil dat de hoogte van de door V-Wave gewenste schadevergoeding in de bodemzaak zal moeten worden begroot door een vergelijking te maken met de situatie dat het schadeveroorzakende feit – het beweerdelijk onttrekken van gelden aan Haven Klup – zich niet zou hebben voorgedaan. Dat Haven Klup de vordering van V-Wave in dat geval in belangrijke mate had kunnen voldoen, heeft de voorzieningenrechter niet reëel geoordeeld.
3.6
De voorzieningenrechter heeft bij de waardebepaling van de vordering van V-Wave aansluiting gezocht bij het eigen vermogen van Haven Klup per 31 december 2021, volgens de jaarcijfers: USD 99.000,00.
3.7
In grief I voert V-Wave aan dat de voorzieningenrechter haar vordering aldus te laag heeft begroot. Volgens V-Wave ligt de waarde van Haven Klup (veel) hoger, maar is deze waarde zonder nadere gegevens niet eenvoudig vast te stellen, wat voor rekening van Haven Klup moet komen, omdat Haven Klup aan V-Wave geen inzage heeft willen geven in haar administratie/boekhouding.
3.8
Naar aanleiding hiervan wordt overwogen dat voor een waardering van Haven Klup per ultimo 2021 (in de bodemzaak) eerst de vraag zal moeten worden beantwoord of deze waardering going concern dan wel naar de liquidatiewaarde dient te geschieden. Voor een going concern-waardering is noodzakelijk dat de onderneming van Haven Klup als geheel te gelde had kunnen worden gemaakt, bijvoorbeeld door verkoop aan een derde.
3.9
V-Wave heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting hiervan, niet summierlijk aannemelijk kunnen maken dat (de onderneming van) Haven Klup going concern te gelde had kunnen worden gemaakt. Zij heeft ook niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken dat de onderneming – een operator op de zogenoemde spotmarkt voor de exploitatie van schepen voor het vervoer van bulk- en stukgoederen – in belangrijke mate verbonden was aan de persoon van haar bestuurder, de heer [geïntimeerde] , en er (verder) geen of nauwelijks activa in Haven Klup aanwezig waren. De (spot)contracten die via Haven Klup liepen waren ultimo 2021 geëindigd. Onweersproken is ook gebleven dat de (juridische) rechten op de naam ‘Three Seas Shipping’ zich niet in Haven Klup bevonden. V-Wave heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat Haven Klup voor deze naam (of anderszins) enige goodwill te gelde had kunnen maken door verkoop/overdracht ervan. Op de vraag wat een in de onderneming/activa van Haven Klup geïnteresseerde koper feitelijk zou hebben kunnen kopen, heeft V-Wave geen voldoende concreet antwoord kunnen geven. Zij is ook niet gekomen met voorbeelden van mogelijk geïnteresseerde kopers voor deze onderneming (of het vermeende actief ervan). Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat deze onderneming binnen de groep een (bijzondere) waarde vertegenwoordigde.
3.10
Bij deze stand van zaken ligt het voor de hand dat een eventuele waardering van Haven Klup in de bodemprocedure zal geschieden op basis van haar liquidatiewaarde, tot welk oordeel ook de voorzieningenrechter is gekomen in de bestreden beschikking.
3.11
V-Wave heeft – bij gebrek aan wetenschap – betwist dat de (verkorte) balans per ultimo 2021 een juist beeld geeft van het toen in Haven Klup aanwezige vermogen. Zij heeft erop gewezen dat verweerders geen complete boekhouding ter inzage hebben gegeven, met als gevolg dat er geen verifieerbare informatie beschikbaar is over de waarde van (de onderneming) van Haven Klup per 31 december 2021 en dat deze omstandigheid niet voor haar risico dient te komen.
3.12
Dat de boekhoudkundige juistheid van de balans/jaarcijfers van Haven Klup in de onderhavige procedure niet valt te verifiëren, is in dit geval onvoldoende om uit te gaan van de onjuistheid ervan. En dat verweerders aan V-Wave geen (complete) inzage hebben willen geven in de verdere administratie van (onder andere) Haven Klup is onvoldoende om de (op de onrechtmatige daad-grondslag gebaseerde) vordering van V-Wave te begroten op een hoger bedrag dan de voorzieningenrechter heeft gedaan. In de bodemzaak kan nader worden bezien of eventueel aanleiding bestaat voor een nader onderzoek. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Haven Klup zich bereid heeft verklaard haar volledige administratie te openbaren aan een deskundige, mocht die worden benoemd in het kader van een nadere waardering. Vooralsnog ontbreken objectieve aanwijzingen voor een substantieel hogere liquidatie- of going concern-waarde van de onderneming terwijl er inmiddels een waarderingsrapport van Kruger ligt waarin gemotiveerd op een lagere waarde wordt uitgekomen. De tegenwerpingen van de zijde van V-Wave tegen dat rapport zijn, mede gelet op de reactie daarop van verweerders, niet van dien aard dat dit als irrelevant terzijde dient te worden gesteld. Vooralsnog wordt er daarom van uitgegaan dat per ultimo 2021 een vermogen ter grootte van hooguit een bedrag van USD 99.000 beschikbaar zou zijn geweest om de gezamenlijke schuldeisers te voldoen.
3.13
Voor zover V-Wave betoogt dat bij de schadebegroting ervan dient te worden uitgegaan dat het Haven Klup niet vrij heeft gestaan om haar bedrijfsactiviteiten te beëindigen en dat nieuwe contracten ook op naam van Haven Klup hadden moeten worden aangegaan, wordt dat betoog verworpen. Het staat een rechtspersoon in beginsel vrij de aan haar verbonden onderneming niet voort te zetten. Bijvoorbeeld omdat, wat verweerders hebben aangevoerd, Haven Klup verlieslatend was en feitelijk een negatief eigen vermogen kende. Haven Klup zou in dat geval ook haar eigen faillissement hebben kunnen aanvragen. Voor zover sprake is van het ‘wegmaken’ voor crediteuren van het bij en na het staken van de onderneming aanwezige/resterende kapitaal, is dat uiteraard niet geoorloofd. In het onderhavige geval zijn er vooralsnog geen aanwijzingen in die richting.
3.14
Opmerking verdient nog dat tussen partijen niet in geschil is dat Haven Klup, na het staken van haar activiteiten, in 2022 een bedrag van € 153.000 heeft betaald aan V-Wave. Verweerders hebben in hun spreekaantekeningen in hoger beroep toegelicht dat Haven Klup dit geld zelf niet had en daarom heeft geleend van een groepsmaatschappij. De vraag in hoeverre, gelet op deze betaling, verweerders niettemin valt te verwijten dat zij hetgeen ultimo 2021 nog resteerde aan vermogen niet hebben aangewend om daarmee (een deel van) de vordering van V-Wave te voldoen, kan in de bodemprocedure worden meegenomen.
Conclusie
3.21
De grieven van V-Wave falen. V-Wave zal als de in ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
3.22
Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 798,00
salaris advocaat € 12.434,00 (2 punten × tarief VIII)
Totaal € 13.232,00
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt V-Wave in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van verweerders begroot op € 13.232,00;
verklaart deze beschikking voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.P. Schild, Van der Klooster en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Beoordeling
3.15
In grief II klaagt V-Wave dat in de bestreden beschikking ten onrechte ervan is uitgegaan dat haar vordering op grond van bestuurders/groepsaansprakelijkheid ziet op verweerders sub 2-8 en niet (ook) op Haven Klup (zelf). Deze grief faalt, omdat wat de voorzieningenrechter op dit punt heeft overwogen juist en dragend is en overigens ook omdat V-Wave onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welk belang zij heeft bij deze klacht. Wat dit laatste betreft, ter toelichting het volgende.
3.16
De vordering tot betaling van de openstaande schuld onder de bevrachtingsovereenkomst van V-Wave op Haven Klup is in de bestreden beschikking begroot op USD 1.292.549,90. Haven Klup is inmiddels in arbitrage tot betaling veroordeeld. Daarnaast hebben verweerders sub 2 tot en met 8 een bankgarantie afgegeven als zekerheid voor de vordering op de grondslag van bestuurders/groepsaansprakelijkheid. Wordt de vordering van V-Wave op deze grondslag tegen één of meer verweerders sub 2 tot en met 8 toewijsbaar geoordeeld in de bodemprocedure, dan zal V-Wave voor deze vordering betaling kunnen verlangen onder de bankgarantie. Niet valt in te zien welk belang V-Wave dan nog heeft bij een oordeel over de vraag in hoeverre (summierlijk) is gebleken dat ook Haven Klup zelf onrechtmatig handelen kan worden verweten in het kader van deze grondslag. Dat oordeel kan immers niet ertoe leiden dat V-Wave mag verlangen dat tot een hoger bedrag zekerheid wordt gesteld – dan voor de reeds afgegeven bankgarantie ter grootte van USD 130.000,00 – voor haar vordering gebaseerd op bestuurders/groepsaansprakelijkheid. De vordering uit hoofde van bestuurders- en of groepsaansprakelijkheid kan ook niet alleen jegens Haven Klup toewijsbaar worden geoordeeld.
3.17
Terzijde wordt opgemerkt dat V-Wave onvoldoende heeft toegelicht waarom ook Haven Klup zelf onrechtmatig handelen kan worden verweten op de grondslag bestuurders-/ groepsaansprakelijkheid. Dat en waarom het handelen van bijvoorbeeld de bestuurders van Haven Klup zou moeten worden toegerekend aan Haven Klup heeft V-Wave niet aangevoerd.
3.18
In grief III klaagt V-Wave dat in de bestreden beschikking in het dictum, gelezen in combinatie met de laatste zin van rechtsoverweging 2.3.5., onvoldoende duidelijk wordt gemaakt welke samenhang er is tussen ‘de herbegroting van de vordering’ enerzijds en de belangenafweging gecombineerd met de mogelijkheid om zekerheid te stellen anderzijds. In de klacht en de daarop gegeven toelichting maakt V-Wave echter niet op een voldoende (ook voor verweerders) navolgbare wijze duidelijk waarom zij meent dat de voorzieningenrechter hier is tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht. Reeds daarom faalt deze klacht. Terzijde wordt nog overwogen als volgt.
3.19
In de bestreden beschikking is gemotiveerd uiteengezet waarom aanleiding bestond tot herbegroting/vermindering van de vordering op grond van bestuurders-/ groepsaansprakelijkheid tegenover verweerders sub 2 tot en met 8. Vervolgens was de vraag aan de orde welke van de gelegde beslagen zouden kunnen vervallen. De voorzieningenrechter heeft daar verder geen oordeel over willen/kunnen geven omdat hij door verweerders niet (voldoende specifiek) was geïnformeerd over welk beslag voor welk bedrag doel had getroffen. De voorzieningenrechter heeft vervolgens – ten overvloede – nog overwogen: “Dit lost zich overigens op indien deze verweerders, zoals gelet op het besprokene op zitting voor de hand ligt, zekerheid stellen voor het bedrag van USD 130.000,00”
3.20
Inmiddels is zekerheid gesteld door verweerders sub 2 tot en met 8, met als gevolg dat de vraag welke beslagen eventueel zouden kunnen vervallen inmiddels is achterhaald. Ook om die reden valt niet in te zien welk belang V-Wave heeft bij haar klacht over hetgeen is overwogen ‘in het dictum’ in combinatie met de laatste zin van rov. 2.3.5, met als gevolg dat grief III ook faalt. Toegevoegd wordt nog (i) dat V-Wave in dit hoger beroep niet kan opkomen tegen het kort geding vonnis van 29 augustus 2024 en (ii) dat uit het bovenstaande volgt dat er geen genoegzame inhoudelijke gronden zijn voor een begroting van de vordering uit hoofde van bestuurders-/groepsaansprakelijkheid op USD 1.566.400,00.