Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-06-04
ECLI:NL:GHDHA:2024:838
Civiel recht; Arbeidsrecht
Hoger beroep
2,846 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
team Handel
zaaknummer: 200.319.234/01
zaaknummer rechtbank Den Haag: 9449614 RL EXPL 21-15607
arrest van 4 juni 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van
de vennootschap onder firma UNITED FASHION BENELUX V.O.F.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: E. Doornbos te Badhoevedorp,
tegen
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. N.M. Fakiri te Den Haag.
Partijen worden hierna UFB en [verweerster] genoemd.
1De zaak in het kort
In deze zaak verwijt de (ex-)werkgeefster dat de (ex-)werkneemster verduistering heeft gepleegd door een deel van de verkoopprijs van winkelproducten in geval van contante betalingen in eigen zak te steken en in het kassasysteem te registreren dat kortingen zijn verleend. Het hof acht voorlichting door een deskundige noodzakelijk alvorens verder te oordelen.
Procesverloop
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 26 september 2022 waarmee UFB in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 19 juli 2022;
- de memorie van grieven, met producties;
- de memorie van antwoord, met producties.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 5 april 2024.
Bij die gelegenheid hebben beide genoemde advocaten aan de hand van pleitaantekeningen het woord gevoerd. De pleitaantekeningen zijn overgelegd en van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.
Feiten
De kantonrechter heeft in het vonnis onder 2 (2.1 t/m 2.11) een aantal feiten vermeld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn tussen partijen niet in geschil en dienen daarom ook het hof tot uitgangspunt. Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1.
UFB verkoopt kleding onder de naam Style Italy. Zij had vestigingen in Den Haag, Amsterdam en Beverwijk.
3.2.
[verweerster] is op 5 september 2018 bij UFB in dienst getreden en was werkzaam in de winkel in Den Haag als [functie] .
3.3.
Vanaf 1 april 2020 heeft [verweerster] feitelijk geen werkzaamheden meer verricht voor UFB.
3.4.
UFB heeft aangifte van verduistering gedaan tegen [verweerster] , gepleegd in de periode van november 2018 tot en met 31 maart 2020.
Beoordeling
4.1.
In deze zaak vordert UFB, kort gezegd, veroordeling van [verweerster] tot betaling aan UFB van € 33.856,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de inleidende dagvaarding.
4.2.
Aan deze vordering legt UFB ten grondslag dat [verweerster] onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld door verduistering te plegen. Zij heeft daartoe, samengevat en in de weergave van het bestreden vonnis, het volgende gesteld. Na het sluiten van de winkel in Den Haag heeft UFB de verkooplijsten doorgenomen. Daarbij viel haar op dat de omzet lager was dan op basis van het aantal verkochte kledingstukken te verwachten viel. Volgens UFB bleek uit de verkooplijsten en verkoopbonnen dat [verweerster] structureel bij contante betalingen enorme kortingen bij de verkopen had ingevoerd, bijvoorbeeld door een broek met een verkoopwaarde van € 70,- voor € 10,- te verkopen. Aldus verkocht zij volgens UFB structureel kleding voor enorm lage prijzen. Dat was in strijd met het verkoopbeleid. Als dit soort kortingen inderdaad aan klanten gegeven zou worden, zou heel Den Haag naar de winkel zijn gekomen. Dit is niet gebeurd en daaruit leidt UFB af dat [verweerster] de kleding voor de normale prijs verkocht en de korting in haar eigen zak stak. UFB heeft een overzicht gemaakt van alle kortingen die volgens haar verdacht zijn en volgens haar door [verweerster] zijn verstrekt. Uit dit overzicht volgt volgens UFB dat [verweerster] in totaal € 33.856,57 heeft verduisterd. Door dit onrechtmatig handelen van [verweerster] heeft UFB tot dit bedrag schade geleden.
4.3.
De kantonrechter heeft de vordering van UFB afgewezen en UFB in de proceskosten veroordeeld. Hetgeen de kantonrechter daartoe heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat. De door UFB overgelegde stukken kunnen niet dienen ter onderbouwing van de door UFB gestelde feiten. Het overgelegde excel-overzicht is door UFB zelf gemaakt en niet duidelijk is op basis waarvan het is gemaakt. De aangifte bij de politie bevat enkel de verklaring van UFB. De verklaring van de directeur van Rkassa B.V. dat geregistreerde kassabonnen niet achteraf kunnen worden aangepast, doet niet ter zake omdat informatie uit het kassasysteem ontbreekt. Daarbij komt dat de conclusie van UFB dat het niet anders kan dan dat [verweerster] de kortingen in haar eigen zak heeft gestoken op zichzelf al onvoldoende onderbouwd is. De kantonrechter komt niet aan bewijslevering toe.
4.4.
Tegen deze beslissing komt UFB op in hoger beroep. Bij memorie van grieven heeft zij als productie 1 overgelegd een rapport van [betrokkene 1] . Dit rapport vormt, aldus UFB, de basis van de memorie van grieven. De belangrijkste overwegingen van dat rapport zijn volgens UFB dat de door [verweerster] in het kassasysteem doorgevoerde transacties niet achteraf zijn aan te passen, dat op de door UFB ontdekte transacties door [verweerster] een extreme korting is gegeven, fors hoger dan toegestaan, dat een en ander enkel bij contante transacties is geschied en dat een en ander een zwaar vermoeden van verduistering in dienstbetrekking oplevert. Hoewel UFB van oordeel is dat ook op basis van hetgeen in eerste aanleg was aangevoerd en overgelegd, kon worden vastgesteld dat [verweerster] aansprakelijk kon worden gehouden voor de door UFB geleden schade, is volgens haar in elk geval na overlegging van het rapport van [betrokkene 1] aangetoond dat [verweerster] grote sommen geld heeft verduisterd. Mocht het hof anders oordelen, dan dient UFB in elk geval tot nader bewijs te worden toegelaten, bijvoorbeeld door middel van een deskundigenonderzoek. Hiermee heeft het hof de strekking van de drie grieven van UFB weergegeven. Het hof voegt hieraan het volgende toe. UFB heeft naar voren gebracht dat de hoogte van de volgens haar door [verweerster] verleende kortingen absurd was, dat kortingen niet meer dan tien procent mochten zijn en dat kortingen van maar liefst 80 procent simpelweg niet aan de orde zijn. Het hof leest in de stellingen van UFB niet als afzonderlijke grondslag van haar vordering dat [verweerster] ontoelaatbare kortingen heeft verleend. Zij leest daarin dat [verweerster] deze kortingen slechts op papier heeft verleend om vervolgens het verschil tussen de normale verkoopprijs en de verkoopprijs met aftrek van korting in eigen zak te steken.
4.5.
[verweerster] heeft geconcludeerd, zakelijk, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten. Zij is niet opgekomen tegen de beslissing van de kantonrechter tot afwijzing van de vordering van [verweerster] om UFB te veroordelen in de werkelijke proceskosten.
4.6.
Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.
4.7.
Het rapport van [betrokkene 1] heeft twee bijlagen. Bijlage 1 (“Excelbestand Pin- en contante verkopen”) behelst, naar het hof begrijpt, een overzicht van alle transacties die [verweerster] volgens UFB heeft verricht in de periode november 2018 t/m maart 2020. In het overzicht zijn verwerkt: de data van deze transacties, bon-nummers, de verkochte producten, de verkoopwaarde hiervan en de ontvangen betalingen (uitgesplitst in pintransacties en contante betalingen), de verleende korting en het kortingspercentage. Bijlage 2 (“Printscreens bonnen gebruikt in dit rapport”) bevat printscreens van het kassysteem. [betrokkene 1] heeft in zijn rapport vermeld dat op alle verkochte goederen die als contante betaling in het kassysteem zijn geregistreerd, [verweerster] een hoge dan wel een extreem hoge korting heeft gegeven. Omdat deze extreem hoge kortingen alleen bij contant betaalde verkopen plaatsvinden, is het vermoeden van verduistering in dienstbetrekking meer dan aanwezig, aldus het rapport. [betrokkene 1] heeft verder vermeld dat hij proefondervindelijk heeft vastgesteld dat er in de computer waarin de kassaverkopen waren geregistreerd, niets kon worden veranderd. Ook met de inloggegevens van de filiaalchef van het filiaal in Amsterdam en met de autorisatie van [betrokkene 2] kon hij de vastgelegde gegevens in het systeem op geen enkele wijze veranderen. [betrokkene 1] heeft ten slotte contact gehad met [beheerder kassasysteem] , de ontwerper en beheerder van het door UFB gebruikte kassysteem. Deze heeft hem verteld dat het systeem al 20 jaar draait en dat hem ( [beheerder kassasysteem] ) in die tijd nooit is gebleken dat er met het systeem is gefraudeerd. En dat, nadat een verkoper de koop in een winkel had gesloten, de gegevens van die verkoop achteraf niet meer te wijzigen waren. De enige persoon die wijzigingen in het systeem kan aanbrengen is hij. Van UFB en/of [betrokkene 2] heeft hij daarvoor absoluut geen verzoek ontvangen. [betrokkene 1] trekt uit de demonstratie en de informatie van [beheerder kassasysteem] de conclusie dat er, nadat de koop in een filiaal is gesloten, geen veranderingen meer kunnen worden aangebracht.
4.8.
[verweerster] betwist dat zij heeft gefraudeerd. Zij heeft de bevindingen en conclusies van [betrokkene 1] bestreden. Zij heeft naar voren gebracht dat UFB geen kassabonnen heeft overgelegd, dat zij op bepaalde dagen zou hebben verduisterd terwijl zij die dag helemaal niet gewerkt had, dat uit de printscreens van het kassasysteem blijkt dat daarmee door UFB is geknoeid doordat er kortingen ingevuld zijn die door [verweerster] niet verleend zijn, dat, kort gezegd, de gestelde verduistering niet goed te rijmen is met de werkwijze van de verantwoording van de dagelijkse omzet (print van een bon van de inhoud van de kassa en het geld in een envelop en een foto van de envelop per WhatsApp naar Aksu), dat de nummers van de bonnen van 19 en 21 maart 2020 opvolgend zijn, dat de gegevens van het excel-overzicht op 19 en 21 maart 2020 niet overeenstemmen met de gegevens op de enveloppen van die data en dat andere medewerkers van UFB ook op [verweerster] kassacode werkten, zodat het goed mogelijk is dat deze werknemers de kortingen hebben verleend.
Dictum
Het hof:
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 2 juli 2024 voor het nemen van een akte aan de zijde van UFB tot het hiervoor omschreven doel en bepaalt dat [verweerster] daarop zal kunnen reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, R.G.C. Veneman en W.H.A.C.M. Bouwens, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2024 in aanwezigheid van de griffier.