Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-10-15
ECLI:NL:GHDHA:2024:2872
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
3,521 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.332.972/01Zaaknummer rechtbank : C/09/642295 / HA ZA 23-132
Arrest van 15 oktober 2024
in de zaak van
Soitec SA,
gevestigd in Bernin, Frankrijk,
appellante,
advocaat: mr. M. Malycha, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
niet verschenen.
Het hof zal partijen hierna noemen Soitec en [geïntimeerde] .
1De zaak in het kort
1.1
Deze zaak is een vervolg op een eerdere verstekzaak, waarin [geïntimeerde] is veroordeeld om aan Soitec een door fraude verkregen bedrag van € 312.500 terug te betalen. In de onderhavige procedure vordert Soitec de veroordeling van [geïntimeerde] tot het verstrekken van a) gegevens over zijn inkomenspositie en b) bankafschriften, en als [geïntimeerde] hieraan niet voldoet c) een machtiging om deze afschriften bij de bank op te vragen. [geïntimeerde] is niet verschenen. De rechtbank heeft vordering a toegewezen en de vorderingen voor het overige afgewezen. Tegen die afwijzing richt zich dit hoger beroep. Het hof wijst de vorderingen b en c alsnog toe.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 21 juni 2023, waarmee Soitec in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 maart 2023;
het op 3 oktober 2023 tegen [geïntimeerde] verleende verstek;
de memorie van grieven van Soitec, met bijlagen.
3Feitelijke en processuele achtergrond
3.1
Het hof gaat uit van de volgende (onweersproken) feiten en processuele achtergrond van de zaak.
3.2
Soitec is een Franse onderneming die halfgeleidersmaterialen ontwerpt en produceert.
3.3
Begin 2022 ontving Soitec een frauduleus betalingsverzoek waaraan zij onverschuldigd heeft voldaan. Soitec had het desbetreffende geldbedrag van € 312.500,- voldaan op de ING rekening van [geïntimeerde] .
3.4
Nadat Soitec de fraude had ontdekt, heeft zij beslag laten leggen op de ING rekening van [geïntimeerde] . Vervolgens vorderde Soitec tegenover [geïntimeerde] in een bodemprocedure terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag vermeerderd met rente en kosten.
3.5
De rechtbank Den Haag heeft de vorderingen bij verstekvonnis van 8 juni 2022 toegewezen. Soitec heeft het vonnis geëxecuteerd en heeft op grond van het beslag € 175.500,18 kunnen incasseren. Het resterende bedrag van, ongerekend rente en kosten € 136.999,82 heeft Soitec niet kunnen verhalen.
3.6
Hierop heeft Soitec [geïntimeerde] andermaal gedagvaard en gevorderd de veroordeling van [geïntimeerde] om a) gegevens over zijn inkomenspositie en b) bankafschriften te verstrekken, en als [geïntimeerde] hieraan niet voldoet c) een machtiging om de rekeningafschriften bij de bank op te vragen.
3.7
[geïntimeerde] is in eerste aanleg en ook thans in hoger beroep niet verschenen.
3.8
De rechtbank heeft vordering a toegewezen en de vorderingen voor het overige afgewezen.
4Vorderingen in hoger beroep
4.1
Soitec is in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens is met het vonnis. Zij heeft drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en vordert dat het hof haar vorderingen alsnog geheel toewijst.
Beoordeling
Internationale bevoegdheid
5.1
Deze zaak heeft een internationaal karakter. Omdat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht van openbare orde zijn, is ook de rechter in hoger beroep gehouden ambtshalve de rechtsmacht van de Nederlandse rechter aan een onderzoek te onderwerpen (HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, met verwijzingen).
5.2
Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [geïntimeerde] ten tijde van de inleidende dagvaarding zijn woonplaats buiten het grondgebied van de lidstaten van de EU woonplaats had, zodat de internationale bevoegdheid moet worden vastgesteld volgens de regels van de verordening Brussel 1-bis. Het hof sluit hiermee aan bij HvJ EU 17 november 2011 C-327/10, ECLI:EU:C:2011:745 (Hypotecni banka/Lindner) en HvJEU 15 maart 2012, ECLI:EU:C:2012:142 (G/De Visser). De ingestelde vorderingen strekken alle ertoe de materiële tenuitvoerlegging van het vonnis van 8 juni 2022 te verzekeren, waarbij de bankrekeningen waarvan inzage wordt gevorderd en de bank wier medewerking wordt verlangd in Nederland zijn gelegen cq. gevestigd. Daarmee is Brussel I-bis van toepassing en is het hof op grond van art. 24 lid 5 Brussel I-bis bevoegd kennis te nemen van de vorderingen, daargelaten dat die bevoegdheid in dit geval ook kan worden gebaseerd op het feit dat de laatst bekende woonplaats van [geïntimeerde] in Nederlands is gelegen.
Oproeping van de niet verschenen [geïntimeerde]
5.3
Op grond van art. 28 lid 2 Brussel I-bis is de rechter verplicht zijn uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat de niet verschenen verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, zo tijdig als met het oog op de verdediging nodig was, te ontvangen of dat daartoe al het nodige is gedaan. Volgens de op deze bepaling gebaseerde rechtspraak van het HvJ EU verzet de verordening zich niet tegen het voeren van een procedure tegen en in afwezigheid van een persoon met een onbekende verblijfplaats, mits de rechter bij wie de zaak aanhangig is, alvorens uitspraak te doen, zich ervan heeft vergewist dat alle stappen die nodig zijn om de verweerder te vinden, met spoed en te goeder trouw zijn ondernomen (HvJ EU 17 november 2011 C-327/10, ECLI:EU:C:2011:745 (Hypotecni banka/Lindner)). Het Unierecht staat er evenmin aan in de weg dat een verstekvonnis wordt gewezen tegen een verweerder aan wie, omdat zijn verblijfplaats niet kan worden bepaald, het gedinginleidend stuk openbaar is betekend naar nationaal recht, mits het aangezochte gerecht zich tevoren ervan heeft vergewist dat alle stappen die nodig zijn om de verweerder te vinden, met spoed en te goeder trouw zijn ondernomen (HvJ EU 15 maart 2012, ECLI:EU:C:2012:142 (G/De Visser)).
5.4
In de onderhavige procedure is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de dagvaarding op de voet van art. 54 lid 2 Rv openbaar betekend. Het hof begrijpt rov. 2.4 van het vonnis aldus dat de rechtbank daarin mede heeft beoordeeld of Soitec de nodige onderzoeksinspanningen heeft verricht om de werkelijke woon- of verblijfplaats van [geïntimeerde] te achterhalen. Soitec had hierover aangevoerd dat haar via de deurwaarder was gemeld dat [geïntimeerde] niet meer staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie met de vermelding dat hij was vertrokken naar het buitenland en ook internetrecherche geen woon- of verblijfplaats had opgeleverd. Volgens mededeling van de deurwaarder in de appeldagvaarding heeft [geïntimeerde] geen bekende woon- of verblijfplaats. Bij de stukken bevindt zich ook een overeenkomstige mededeling van de deurwaarder (“relatie is geëmigreerd”). Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat van Soitec, bijvoorbeeld op grond van wat zij inmiddels over [geïntimeerde] wist, in dit geval meer inspanningen hadden kunnen worden gevergd en/of dat zij haar onderzoeksinspanningen nader zou moeten toelichten. Het hof gaat er daarmee vanuit dat de nodige stappen om [geïntimeerde] te vinden met spoed en te goeder trouw zijn ondernomen en de (appel)dagvaarding in dit geval openbaar kon worden betekend.
Toepasselijk recht
5.5
De rechtbank heeft – in hoger beroep onbestreden – geoordeeld dat de toewijsbaarheid van de vorderingen naar Nederlands recht moet worden beoordeeld. Ook het hof zal daarvan uitgaan.
Vordering tot afgifte/inzage in rekeningafschriften en opgave ING-rekeningen [geïntimeerde]
5.6
Met grief I legt Soitec de vraag voor of [geïntimeerde] op grond van art. 843a Rv en/of de algemene informatieplicht van de schuldenaar tegenover de executerende schuldeiser in het kader van de executie van het veroordelende vonnis gehouden is tot het verstrekken van bankafschriften. Soitec betoogt in dit verband dat zij beschikt over een tegen [geïntimeerde] gewezen veroordelend vonnis en dat haar verhaalsbelang als executerende schuldeiser een rechtmatig belang vormt in de zin van art. 843a Rv. Soitec heeft aangevoerd dat zij (rechtmatig) belang heeft bij afgifte van de rekeningafschriften en opgave van eventuele andere door [geïntimeerde] bij ING aangehouden rekeningen om te kunnen achterhalen wat er met het deel van het door haar onverschuldigd betaalde geld is gebeurd dat ten tijde van de beslaglegging niet meer op de ING-rekening van [geïntimeerde] stond. Met die informatie kan worden bezien of beslag kan worden gelegd op rekeningen waarnaar dat geld is overgeboekt of op activa die met de verdwenen gelden zijn aangeschaft, aldus Soitec.
5.7
Een schuldenaar is in beginsel verplicht een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen (HR 20 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, Tripels/Masson). Deze algemene, op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde, informatieplicht is in art. 475g Rv uitgewerkt voor de situatie dat een deurwaarder (conservatoir of executoriaal) beslag wenst te leggen. Deze bepaling verplicht de schuldenaar niet om naast zijn bronnen van inkomsten ook van zijn vermogen opgave te doen, nu uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever de mededelingsplicht minder ver heeft willen doen strekken dan in faillissement waar de failliet ingevolge art. 105 Fw (wel) verplicht is de curator alle gewenste inlichtingen te verschaffen. Het voorgaande is niet anders in het licht van het hiervoor genoemde arrest Tripels/Masson (aldus HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1776).
5.8
Daarnaast geeft art. 843a Rv in het eerste lid een vorderingsrecht aan degene die een rechtmatig belang heeft bij de exhibitie van bepaalde bescheiden tegen degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Het hof is van oordeel dat met de (onweersproken) stellingen van Soitec aan de vereisten van het eerste lid is voldaan. Op grond van het vonnis waarin de vordering van Soitec wegens door [geïntimeerde] gepleegde fraude is toegewezen, is sprake van een rechtsbetrekking tussen Soitec en [geïntimeerde] , waarop de verlangde bepaalde bescheiden – de bankafschriften over de periode 1 januari 2022 tot en met 30 april 2022 van de bij Soitec bekende en mogelijk nog onbekende ING-rekeningen van [geïntimeerde] – zien.
5.9
Naar het oordeel van het hof kan echter, tegen de achtergrond van de onder 5.7 weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad, niet worden aanvaard dat een schuldenaar in het algemeen op grond van het enkele verhaalsbelang van de schuldeiser op de voet van art. 843a Rv gehouden is inzage in zijn vermogen (waaronder inzicht in zijn rekeningafschriften) te geven. Een andere opvatting zou te zeer afdoen aan de door de Hoge Raad aangehaalde bedoelingen van de wetgever bij een beperkte mededelingsplicht van de schuldenaar buiten faillissement in (ook) de executoriale fase.
Dictum
Het hof:
1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank voor zover het gaat om de veroordeling onder 3.1, vernietigt dat vonnis voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:
2. veroordeelt [geïntimeerde] om binnen twee dagen na betekening van dit arrest ING Bank schriftelijk te instrueren (met gelijktijdige kopie aan de advocaat van Soitec mr. Malycha, Staunch B.V., Parnassusweg 819, 1082 LZ Amsterdam, dan wel per e-mail op het mailadres malte.malycha@staunchlaw.com) om een fysieke of digitale kopie van de volgende bescheiden aan de advocaat van Soitec (op genoemd fysiek/mailadres) te verstrekken:
i) de afschriften van de op naam van [geïntimeerde] staande rekening [rekeningnummer] over de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 april 2022, en
ii) de afschriften van alle eventuele overige op naam van [geïntimeerde] staande, bij ING aangehouden rekeningen over de periode 1 januari 2022 tot en met 30 april 2022;
3. bepaalt dat als [geïntimeerde] niet tijdig aan de hiervoor gegeven veroordeling voldoet, dit arrest in de plaats treedt van een verzoek van [geïntimeerde] aan ING Bank N.V. tot het verstrekken van de onder 2 genoemde afschriften aan de advocaat van Soitec;
4. veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, aan de zijde van Soitec voor de eerste aanleg begroot op € 676,- voor verschotten en € 598,- voor salaris van de advocaat en voor het hoger beroep op € 928,27 voor verschotten en € 1.214,- voor salaris van de advocaat;
5. veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten begroot op € 178,-, te vermeerderen met € 92,-
ingeval [geïntimeerde] veertien dagen na aanschrijving de tijd heeft gehad om in der minne aan de kostenveroordeling te voldoen en Soitec dit arrest heeft moeten laten
betekenen;
6. verklaart bovenvermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Lenselink, J.J. Dijk en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024 in aanwezigheid van de griffier.