Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-02-02
ECLI:NL:GHDHA:2024:281
Strafrecht
Hoger beroep
2,549 tokens
Inleiding
Rolnummer: 22-001455-22
Parketnummer: 96-063297-21
Datum uitspraak: 2 februari 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 februari 2021 te [plaatsnaam 1], in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de tijd van 34 dagen, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 9 februari 2021 te [plaatsnaam 1], in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Namens de verdachte is vrijspraak bepleit. De verdachte zat weliswaar op de bestuurdersstoel van de auto, maar de auto stond enkel een hele poos met draaiende motor stil op de parkeerplaats. Hij is daarom ten onrechte aangemerkt als de bestuurder ervan.
Het hof overweegt hierover het volgende.
De verbalisanten verklaren op ambtseed (het proces-verbaal d.d. 9 februari 2021 van rijden onder invloed en het proces-verbaal d.d. 22 februari 2021 van bevindingen, in gezamenlijkheid bezien) dat zij op 9 februari 2021 om 01:48 uur een Volkswagen Polo hebben zien rijden op de openbare weg te [plaatsnaam 2]. Ze zagen dat de Volkswagen vervolgens een parkeerplaats opreed en dat de Volkswagen tot stilstand werd gebracht.
Omdat er op dat moment een avondklok gold in verband met de uitbraak van het coronavirus hebben de verbalisanten de bestuurder aangesproken. Ter plaatse hebben ze de bestuurder van de auto, wat later de verdachte bleek te zijn, onderworpen aan een speekseltest, waaruit een indicatie bleek voor amfetamine, cannabis en cocaïne. Dit leidde tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte is toen op deze grond aangehouden. Eenmaal op het politiebureau te [plaatsnaam 1] hebben de verbalisanten gevraagd of de verdachte mee wilde werken aan een bloedonderzoek. De verdachte heeft dit geweigerd. Hij heeft ook geen toestemming gegeven nadat de hulpofficier van justitie hem heeft bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek en hem is uitgelegd dat weigering een strafbaar feit oplevert.
De verbalisanten hebben geverbaliseerd, dat zij vanaf het moment dat zij het voertuig hebben zien
rijden tot aan de staande houding zicht hebben gehad op het voertuig, dat zij geen personen hebben zien wisselen van (bestuurders)rol en dat het onwaarschijnlijk is, door de kleine afstand tussen beide voertuigen, dat men binnen, in het voertuig, gewisseld heeft van plaats.
Vrij kort na het incident, op 7 juli 2021, zijn de verbalisanten gehoord door de rechter-commissaris. Zij hebben op essentiële punten overeenkomstig hun eerder beschreven bevindingen in de opgemaakte processen-verbaal verklaard. In het bijzonder hebben zij beiden bevestigd dat zij de auto hebben zien rijden (en kort daarop de bestuurder, de verdachte, hebben aangesproken).
Lijnrecht tegenover de verklaringen van de verbalisanten staat de verklaring van de verdachte. Hij verklaart – kort gezegd – dat hij op 9 februari 2021 de Volkswagen Polo niet heeft bestuurd, maar slechts op de stoel van de bestuurder zat op het moment dat de verbalisanten hem hebben aangesproken. De motor van de Volkswagen draaide in verband met de kou. Ter zitting in eerste aanleg heeft de verdediging dit standpunt onderbouwd met een filmpje, gemaakt op die bewuste avond rond de klok van 0:43 uur, waarop een man te zien is in de sneeuw. Voorts [getuige] als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg gehoord. Zij bevestigde de verklaring van de verdachte.
Het hof is van oordeel dat zij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de hiervoor aangehaalde ambtsedig opgemaakte processen-verbaal en de verklaringen van de verbalisanten bij de rechter-commissaris.
Daarnaast sluit het filmpje dat door de verdediging is overlegd de bevindingen van de verbalisanten geenszins uit: de verdachte werd ruim één uur na het maken van het filmpje aangesproken door de verbalisanten.
Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verbalisanten redelijkerwijs mochten vermoeden dat de verdachte de auto had bestuurd.
Die omstandigheid en de daaropvolgende uitslag van de speekseltest leverden op de verdenking dat de verdachte in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 had gehandeld. Daarom was de hulpofficier van justitie bevoegd om uiteindelijk de verdachte te bevelen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen. De verdachte heeft er voor gekozen om geen gehoor te geven aan dat bevel.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 34 (vierendertig) dagen.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. O.E.M. Leinarts,
mr. F.W. van Lottum en mr. A.H.T. de Haas, in bijzijn van de griffier mr. L.W.J. Cramer.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 februari 2024.
Mr. A.H.T. de Haas is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.