Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-12-10
ECLI:NL:GHDHA:2024:2683
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
9,650 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-23/809 tot en met BK-23/816
Uitspraak van 10 december 2024
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: J.R.R. Oevering)
en
de ontvanger van de Belastingdienst, de Ontvanger,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 14 juli 2023, nummers SGR 22/4380, SGR 22/4381, SGR 22/4382, SGR 22/4383, SGR 22/4384, SGR 22/4385, SGR 22/4386 en SGR 22/5124.
Procesverloop
1.1.
Bij de invordering van een aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2005 en aanslagen IB/PVV en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor de jaren 2006 tot en met 2008, heeft de Ontvanger aan belanghebbende de volgende aanmaningen opgemaakt, respectievelijk de volgende dwangbevelen betekend, en daarvoor de volgende bedragen aan aanmaningskosten en dwangbevelkosten in rekening gebracht:
Aanslag (nummer*)
Dagtekening aanslag
Dagtekening
aanmaning
Kosten
Dagtekening
dwangbevel
Kosten
Rechtbank
kenmerk (SGR)
Hof
kenmerk
(BK)
IB/PVV 2005 (h57)
30.12.2010
22.03.2011
€ 15
13.04.2011
€ 6.722
22/4380
23/809
IB/PVV 2006 (h66)
9.3.2011
4.5.2011
€ 15
25.5.2011
€ 6.710
22/4381
23/810
Zvw 2006 (w664)
9.3.2011
4.5.2011
€ 15
25.5.2011
€ 137
22/4382
23/811
IB/PVV 2007 (h76)
30.12.2010
22.3.2011
€ 15
13.4.2011
€ 7.058
22/4383
23/812
Zvw 2007 (w764)
30.12.2010
22.3.2011
€ 15
13.4.2011
€ 137
22/4384
23/813
IB/PVV 2008 (h86)
16.3.2011
24.5.2011
€ 15
13.9.2011
€ 7.235
22/4385
23/814
Zvw 2008 (w864)
16.3.2011
24.5.2011
€ 15
13.9.2011
€ 149
22/4386
23/815
* Laatste tekens van het aanslagnummer.
1.2.1.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in 1.1 vermelde aanmaningskosten en dwangbevelkosten. Hij heeft daarbij, voor zover hier van belang, ook bezwaar gemaakt tegen – door belanghebbende vermeend in rekening gebrachte – aanmanings- en betekeningskosten ten aanzien van een aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2008 (kenmerk Rechtbank: SGR 22/5124; kenmerk Hof: BK-23/816).
1.2.2.
Bij brief van 31 mei 2022 heeft belanghebbende de Ontvanger in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op dit bezwaar.
1.2.3.
De Ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 15 juni 2022 het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.4.
De Ontvanger heeft bij beschikking van 16 juni 2022 beslist om belanghebbende geen dwangsom toe te kennen (het dwangsombesluit).
1.3.1.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 50.
1.3.2.
Bij brief van 19 december 2022 heeft de Ontvanger het tegen het dwangsombesluit gemaakte bezwaar naar de Rechtbank gestuurd en verzocht dit met toepassing van artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te voegen in de beroepsprocedure met kenmerk SGR 22/5124.
1.3.3.
De Ontvanger heeft hangende het beroep de aanmaningskosten en dwangbevelkosten betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 en de aanslagen IB/PVV 2007 en Zvw 2007 verminderd tot nihil (de ambtshalve vermindering).
1.3.4.
Dictum
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen betreffende de aanmaningskosten en dwangbevelkosten ten aanzien van de (navorderings)aanslagen IB 2005 (22/4380) en IB 2007 (22/4383) en Zvw 2007 (22/4384) gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voorzover betrekking hebbend op de aanmaningskosten en dwangbevelkosten ten aanzien van de (navorderings)aanslagen IB 2005 (22/4380) en IB 2007 (22/4383) en Zvw 2007 (22/4384);
- verklaart de overige beroepen (22/4381, 22/4382, 22/4385, 22/4386 en 22/5124) ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”
1.3.5.
De Rechtbank heeft het beroep tegen het dwangsombesluit – naar het Hof begrijpt – ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft verder – naar het Hof begrijpt – de aanmaningskosten en dwangbevelkosten ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 en de aanslagen IB/PVV 2007 en Zvw 2007 verminderd tot nihil.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 136. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 24 september 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
In de periode van december 2010 tot en met maart 2011 zijn aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2005 en aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2006, 2007 en 2008 opgelegd (zie 1.1; de (navorderings)aanslagen).
2.2.
Gedurende 2011 heeft de Ontvanger ter zake van de (navorderings)aanslagen aanmaningskosten en dwangbevelkosten in rekening gebracht.
2.3.
Belanghebbende heeft op 11 januari 2011 bezwaar gemaakt tegen ‘de belastingaanslag met uw kenmerk nr. [kenmerk] ’. Uit het hoorverslag blijkt dat het bezwaar ziet op aanslagen eindigend op: -h57; -h67; -h77 en -h88.
2.4.
Op 7 april 2020 heeft de gemachtigde van belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de (navorderings)aanslagen. In de beroepsfase over die aanslagen is tijdens de zitting van de Rechtbank naar voren gekomen dat de Inspecteur nog geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan op het in 2011 door belanghebbende ingediende bezwaar tegen de aanslagen bedoeld in 2.3 (Rechtbank Den Haag 24 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13300).
2.5.
Op 16 juli 2021 heeft de Ontvanger een bezwaarschrift ontvangen betreffende de in 2.2. bedoelde in rekening gebrachte aanmaningskosten en dwangbevelkosten. Hij heeft het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard zonder belanghebbende te horen op zijn bezwaar.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Ontvanger als verweerder (en als ontvanger):
“10. In geschil is of de ontvanger terecht aanmaningskosten in rekening heeft gebracht en dwangbevelen heeft opgelegd met de daarbij behorende (betekenings)kosten.
11. Eiser stelt dat het beroep gegrond moet worden verklaard, omdat het bezwaar ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard en eiser in bezwaar gehoord had moeten worden. Eiser stelt verder dat de invorderingsmaatregelen niet genomen hadden mogen worden, omdat er van rechtswege uitstel van betaling wordt verleend zolang er een bezwaar loopt tegen de (navorderings)aanslagen. Ook beroept eiser zich op overschrijding van de redelijke termijn.
Navorderingsaanslag IB 2005 (22/4380) en aanslagen IB (22/4383) en Zvw 2007 (22/4384)
12. Ter zitting is komen vast staan dat verweerder in de beroepsfase de aanmanings- en dwangbevelkosten heeft verminderd naar nihil betreffende de navorderingsaanslag IB 2005 en de aanslagen IB en Zvw 2007. Gelet hierop behoeft de vraag of eiser tijdig in bezwaar is gekomen geen behandeling meer en heeft de rechtbank deze beroepen gegrond verklaard.
IB 2006 (22/4381) en Zvw 2006 (22/4382) IB 2008 (22/4385) en Zvw 2008 (22/4386)
13. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen aanmaningskosten en dwangbevelkosten is zes weken. Deze termijn begint op de dag na die van de dagtekening van de beschikkingen. Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).
14. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door verweerder is ontvangen. Als het bezwaarschrift per post wordt verstuurd, is het ook tijdig ingediend wanneer het voor afloop van de termijn op de post is gedaan en door verweerder is ontvangen binnen een week na afloop van de termijn. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb.
15. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift betrokkene niet is toe te rekenen. Dan laat verweerder op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege.
16. Vast staat dat de dagtekening van de aanmaningen en dwangbevelen IB en Zvw 2006 is respectievelijk 4 mei 2011 en 25 mei 2011 en de dagtekening van de aanmaningen en dwangbevelen IB en Zvw 2008 is respectievelijk 24 mei 2011 en 4 oktober 2011. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die data heeft plaatsgevonden, zodat de bezwaartermijnen op respectievelijk 15 juni 2011, 6 juli 2011, 5 juli 2011 en 15 november 2011 zijn geëindigd.
17. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 16 juli 2021. Het bezwaarschrift is dus na afloop van de bezwaartermijnen ingediend.
18. Eiser heeft als reden voor de overschrijding van de bezwaartermijnen het volgende opgegeven. Hij heeft eerder op 11 januari 2011 al bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB en Zvw over de jaren 2006 en 2008, waardoor er van rechtswege uitstel van betaling zou moeten worden verleend. De rechtbank stelt vast dat op 11 januari 2011 de aanslagen nog niet waren opgelegd. Het bezwaar van 11 januari 2011 kan daar dan ook geen betrekking op hebben gehad. Anders dan eiser leest de rechtbank niet in het verslag van een hoorgesprek van 21 maart 2011 en het begeleidende schrijven bij de verzending van dit verslag aan eiser van 15 juli 2011 dat er (ook) bezwaar is gemaakt tegen de aanslagen IB 2006 (kenmerk eindigend op H66) en 2008 (kenmerk eindigend op H86), waarop de onderhavige in geschil zijn de aanmanings- en dwangbevelkosten betrekking hebben. Immers in de begeleidende brief staat vermeld, voor zover van belang: “bij deze stuur ik u (…) het verslag van het hoorgesprek dat op 21 maart 2011 heeft plaatsgevonden naar aanleiding van uw bezwaarschrift d.d. 11 januari 2011 tegen de (navorderings)aanslagen [IB] 2005 tot en met 2008.”. In het hoorverslag staat vermeld voorzover van belang: “Het horen vond plaats naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften tegen de volgende beschikking(en) en de daarin begrepen vergrijpboete:
- (…)H57;
- (…)H67;
- (…)H77;
- (…)H88.”
19. Uit voorgaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank terecht van horen is afgezien. Aangezien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, heeft verweerder op grond van artikel 7:3, letter a, van de Awb van horen kunnen en mogen afzien. De beroepen betreffende de aanmanings- en dwangbevelkosten ten aanzien van de aanslagen IB 2006 (22/4381) en Zvw 2006 (22/4382) en de aanslagen IB 2008 (22/4385) en Zvw 2008 (22/4386) zijn daarom ongegrond.
Navorderingsaanslag IB 2008 (22/5124)
20. Hoewel niet expliciet benoemd in de uitspraak op bezwaar volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de uitspraak wel voldoende dat verweerder het bezwaar van eiser tegen de aanmanings- en dwangbevelkosten ten aanzien van de navorderingsaanslag IB 2008 kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat er geen aanmaning is verzonden en geen dwangbevel is betekend. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd bevestigd - en eiser heeft dit bij gebrek aan wetenschap niet weersproken - dat dit ten aanzien van deze aanslag nog steeds niet is gebeurd. Verweerder heeft derhalve terecht het bezwaar van eiser tegen de aanmanings- en dwangbevelkosten ten aanzien van de navorderingsaanslag IB 2008 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Aangezien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, heeft verweerder van horen kunnen en mogen afzien. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Verzoek om immateriële schadevergoeding
21. Eiser heeft verzocht om toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 16 juli 2021. Op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, is de redelijke termijn van twee jaar dus nog niet verstreken. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
Proceskostenvergoeding
22. De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase voor de navorderingsaanslag IB 2005 (22/4380) en aanslagen IB (22/4383) en Zvw 2007 (22/4384) houdt partijen verdeeld, meer in het bijzonder of sprake is van samenhang tussen de zaken in de beroepsfase.
Geschil
4.1.
In hoger beroep is in geschil of:
(i) de Ontvanger alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb heeft overgelegd;
(ii) de hoorplicht is geschonden;
(iii) het bezwaar op 16 juli 2021 verschoonbaar te laat is ingediend, en zo ja, of de Ontvanger ten onrechte aanmaningskosten en dwangbevelkosten in rekening heeft gebracht (jaren 2006 en 2008);
(iv) belanghebbende recht heeft op een dwangsom; en of
(v) de Rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding (jaren 2005 en 2007) ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van samenhangende zaken en ten onrechte de wegingsfactor 0,5 heeft toegepast.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de aanmaningskosten en van de dwangbevelkosten, tot vernietiging van het dwangsombesluit en tot vaststelling van de door de Ontvanger verbeurde dwangsom op € 138. Voorts concludeert belanghebbende tot vergoeding van de proceskosten en vergoeding van de griffierechten.
4.3.
De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
(i) Gedingstukken
5.1.
Belanghebbende voert in hoger beroep aan dat de Ontvanger niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb heeft overgelegd. In het hogerberoepschrift is in dat verband gesteld dat belanghebbende de aanmaningen en dwangbevelen niet heeft ontvangen en dat de Ontvanger (ten onrechte) geen onderzoek daarnaar heeft gedaan. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende daaraan toegevoegd dat ook het in punt 3.30 van het verweerschrift in hoger beroep bedoelde stuk, waarbij uitstel van betaling is verleend in verband met ‘het bezwaar tegen de kosten’, door de Ontvanger in het geding moet worden gebracht.
5.2.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Ontvanger de verplichting van artikel 8:42, lid 1, Awb niet geschonden door de aanmaningen en dwangbevelen niet in het geding te brengen (vgl. HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492, BNB 2023/73, r.o. 3.2.2 en 3.2.3). Hij kon volstaan met het in het geding brengen van schermprints die de gegevens van de aanmaningen en de dwangbevelen vermelden (zie bijlage 2 bij het verweerschrift in eerste aanleg).
5.3.
Voor zover belanghebbendes klacht dat de Ontvanger er geen onderzoek naar heeft gedaan of belanghebbende de aanmaningen en de dwangbevelen heeft ontvangen, mede in het licht van hetgeen belanghebbende over het ontbreken van een verzendadministratie ter zitting van het Hof heeft aangevoerd, moet worden begrepen als een klacht over schending van de verplichting van artikel 8:42 Awb, overweegt het Hof als volgt. Het dossier biedt geen aanknopingspunten dat verzendrapporten van de aanmaningen en dwangbevelen de Ontvanger ter beschikking staan of hebben gestaan. Voor zover dat wel het geval zou zijn en met het niet in het geding brengen van die stukken sprake is van schending van artikel 8:42 Awb, ziet het Hof met toepassing van artikel 8:31 Awb geen aanleiding om aan het niet naleven van die verplichting gevolgen te verbinden in de bewijsrechtelijke sfeer of anderszins, gelet op de ongeloofwaardige ontkenning van de ontvangst van de aanmaningen en dwangbevelen door belanghebbende (zie 5.11).
5.4.
Ter zitting van het Hof is verder komen vast te staan dat het in punt 3.30 van het verweerschrift in hoger beroep bedoelde stuk reeds door de Ontvanger in het geding is gebracht (zie bijlage 6 bij het verweerschrift in eerste aanleg). Ook in zoverre heeft de Ontvanger de verplichting van artikel 8:42, lid 1, Awb niet geschonden.
(ii) Hoorplicht
5.5.
Belanghebbende stelt dat de Ontvanger de hoorplicht heeft geschonden. Volgens belanghebbende had de Ontvanger in het onderhavige geval niet van horen mogen afzien omdat geen sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar nu de overschrijding van de termijn om bezwaar te maken mogelijk verschoonbaar kon worden geacht.
5.6.
Op grond van artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De Ontvanger heeft bij brief van 16 februari 2022 erop gewezen dat het door hem op 16 juli 2021 ontvangen bezwaarschrift buiten de termijn was ingediend en de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening van die brief schriftelijk te reageren of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
5.7.
De gemachtigde van belanghebbende heeft daarop bij e-mail van 16 februari 2022 het volgende laten weten:
“Bij een collega van u is gebleken na onderzoek dat er reeds eerder door [belanghebbende] zelf, te weten op 11 januari 2011, bezwaar is gemaakt tegen de volgende aanslagen: -navorderingsaanslag IB/PVV 2005, dagtekening 30 december 2010; -aanslagen IB/PVV en ZVW 2006, dagtekening 9 maart 2011; -aanslagen IB/PVV en ZVW 2007, dagtekening 30 december 2010; -aanslagen IB/PVV en ZVW 2008, dagtekening 12 maart 2011.
Graag wil ik met u in overleg voor een nadere toelichting.
Tevens verzoek ik u volledigheidshalve om uitstel van betaling voor bovengenoemde belastingaanslagen.”
5.8.
Naar het oordeel van het Hof zijn gelet op deze reactie geen omstandigheden gesteld die zouden kunnen leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Daaruit blijkt immers op geen enkele wijze waarom het voor belanghebbende in 2011 niet mogelijk was om bezwaar te maken tegen de bij de aanmaningen en dwangbevelen in rekening gebrachte aanmaningskosten en de dwangbevelkosten. Dit brengt mee dat de Ontvanger op grond van artikel 7:3, letter a, Awb kon afzien van het horen van belanghebbende of zijn gemachtigde.
(iii) Ontvankelijkheid bezwaar (jaren 2006 en 2008)
5.9.
Belanghebbende ontkent de aanmaningen en de dwangbevelen in 2011 te hebben ontvangen en stelt dat de litigieuze kosten voor het eerst in 2021 aan het licht zijn gekomen bij de verrekening van teruggaven inkomstenbelasting met nog niet onherroepelijke aanslagen.
5.10.
Volgens de Ontvanger zijn de aanmaningen en de dwangbevelen op verschillende data in de loop van 2011 verzonden aan het juiste adres van belanghebbende.
5.11.
Het Hof overweegt als volgt. Uit de gedingstukken komt naar voren dat de gemachtigde van belanghebbende – niet zoals hij stelt van stond in de bezwaarfase – maar pas voor het eerst ter zitting van de Rechtbank op 4 juli 2023 heeft gesteld dat zijn cliënt aangeeft de dwangbevelen niet te hebben gekregen. In hoger beroep heeft de gemachtigde daaraan toegevoegd dat hetzelfde geldt voor de aanmaningen. Naar het oordeel van het Hof is de ontkenning van de ontvangst van de aanmaningen en de dwangbevelen, gelet op het late (en gefaseerd) bloot innemen van dit standpunt, evident ongeloofwaardig. De ontvangst van de aanmaningen en dwangbevelen wordt daarom zonder bewijs van verzending genoegzaam aannemelijk geacht (vgl. CRvB 19 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL4548). Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen op basis waarvan ontvangst van de aanmaningen en de dwangbevelen betwijfeld kan worden. De niet onderbouwde verklaringen ter zitting van het Hof dat belanghebbende gevangen heeft gezeten en uitgeschreven heeft gestaan – zonder daarbij een periode te noemen – en op dit moment wordt behandeld voor agressie kunnen niet als zodanig gelden. Voorts valt niet in te zien waarom de stelling van het niet ontvangen van de desbetreffende stukken pas zo laat in deze procedure voor het eerst is ingenomen. Daarbij neemt het Hof ook in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende ter zitting heeft verklaard al sinds 2016 bij de zaak betrokken te zijn. Daarbij komt dat de Ontvanger erop heeft gewezen dat in het verleden derdenbeslag onder het Openbaar Ministerie is gelegd, dat de gemachtigde in 2017 op grond van artikel 17 van de Invorderingswet 1990 een civiele procedure is gestart tegen de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen en dat dit verzet uiteindelijk is vervallen, omdat de gemachtigde de zaak niet nader heeft aangebracht bij de rechtbank. Hieruit volgt dat de gemachtigde in ieder geval in 2017 op de hoogte is geraakt van de dwangbevelen. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat het exploot slechts de nummers van de dwangbevelen bevatte, maar dat geen afschriften van de dwangbevelen waren bijgevoegd. Uitgaande van de juistheid van die verklaring had het echter op zijn weg gelegen om op dat moment (in 2017) na te gaan om welke dwangbevelen het precies ging, en luidt de conclusie dat hij het bezwaarschrift op 16 juli 2021 niet zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd heeft ingediend.
5.12.
Belanghebbende heeft aldus op 16 juli 2021 (veel) te laat bezwaar gemaakt tegen de aanmaningskosten en de dwangbevelkosten.
Conclusie
5.28.
Het hoger beroep is gegrond wat betreft het dwangsombesluit (zie 5.20).
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof ziet aanleiding de Ontvanger te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De Rechtbank heeft reeds een proceskostenvergoeding toegekend in de beroepsfase. Het Hof laat die proceskostenvergoeding in stand (zie 5.21 tot en met 5.27). In aanvulling daarop kent het Hof een proceskostenvergoeding toe voor het gegronde hoger beroep inzake het dwangsombesluit.
6.2.
Gelet op het voorgaande stelt het Hof de vergoeding, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 875 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,5).
6.3.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 136 te worden vergoed. Het wegens het beroep betaalde griffierecht van € 50 is reeds door de Ontvanger vergoed.
Dictum
Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch slechts voor zover het beroep tegen het bedwangsombesluit (SGR 22/5124) ongegrond is verklaard;
vernietigt het dwangsombesluit;
stelt de door de Ontvanger verbeurde dwangsom vast op € 23;
veroordeelt de Ontvanger in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 875; en
gelast de Ontvanger aan belanghebbende een bedrag van € 136 aan griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, R.A. Bosman en S.E. Postema, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 10 december 2024 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Overwegingen
Naar het oordeel van het Hof is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 Awb die in de weg zou staan aan een niet-ontvankelijkverklaring.
5.13.
Gelet op het hiervoor overwogene heeft de Ontvanger het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard.
(iv) Dwangsom
5.14.
Belanghebbende betoogt dat hij recht heeft op een dwangsom omdat hij de Ontvanger op 31 mei 2022 in gebreke heeft gesteld en hij de uitspraak op bezwaar op 20 juni 2022 per post heeft ontvangen. Volgens belanghebbende heeft de Ontvanger een dwangsom verbeurd van € 138 (zes keer € 23).
5.15.
Op grond van artikel 4:17, lid 3, Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
5.16.
De ingebrekestelling is gedagtekend 31 mei 2022 en is op die datum volgens belanghebbende zowel per e-mail als per gewone post verstuurd aan de Ontvanger. De Ontvanger gaat voor de ontvangstdatum van de ingebrekestelling uit van 2 juni 2022.
5.17.1.
Ingevolge artikel 2:15 Awb kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden gezonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Nu de Belastingdienst de verzending per e-mail niet heeft opengesteld voor ingebrekestellingen (zie het besluit van de Staatssecretaris van 15 februari 2016, nr. BLKB 2016/19), is de via deze weg verzonden ingebrekestelling niet geldig.
5.17.2.
Het Hof gaat ervan uit dat de Ontvanger de per post verzonden ingebrekestelling op 2 juni 2022 heeft ontvangen, hetgeen als zodanig niet door belanghebbende is betwist.
5.18.
Gelet op de ontvangst van de ingebrekestelling op 2 juni 2022, is 17 juni 2022 de eerste dag waarover de Ontvanger een dwangsom verschuldigd zou zijn.
5.19.
De Ontvanger is niet meer in gebreke op het moment dat hij uitspraak doet op het bezwaar (vgl. HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1574, BNB 2019/189). Hierbij is de laatste dag waarover nog de dwangsom is verschuldigd, de dag dat de uitspraak op bezwaar aan belanghebbende is verzonden (artikel 3:41, lid 1, Awb en Kamerstukken II 2004/05, 29 9354, nr. 6, p. 12). Anders dan belanghebbende meent, is dus niet van belang wanneer de uitspraak op bezwaar door zijn gemachtigde is ontvangen, maar wanneer de Ontvanger de uitspraak op bezwaar heeft verzonden. Hiertoe heeft de Ontvanger aangevoerd dat hij de – op 15 juni 2022 gedagtekende – uitspraak op bezwaar op diezelfde dag (15 juni 2022) per post heeft verzonden. Belanghebbende heeft dat evenwel betwist en de Ontvanger heeft geen verzendadministratie overgelegd, zodat niet kan worden uitgegaan van de dagtekening van de uitspraak op bezwaar van 15 juni 2022.
5.20.
Ontvangst van de uitspraak op bezwaar op maandag 20 juni 2022 zoals belanghebbende stelt, acht het Hof evenwel niet aannemelijk, gelet op het feit dat op maandagen geen post wordt bezorgd. Hetzelfde heeft te gelden voor zondag 19 juni 2022. Uitgaande van ontvangst op zaterdag 18 juni 2022, een dag waarop wel post wordt bezorgd, is de uitspraak door de Ontvanger op zijn laatst verzonden op vrijdag 17 juni 2022. Dit betekent dat op die datum de verschuldigdheid van de dwangsom is geëindigd en dat de Ontvanger gelet op het voorgaande over één dag een dwangsom verschuldigd is geworden wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar, derhalve een dwangsom ter hoogte van € 23. Het hoger beroep (kenmerk BK-23/816; zie 1.2.1 en 1.3.2) is in zoverre gegrond.
(v) Proceskostenvergoeding
5.21.
De Rechtbank heeft aanleiding gezien de Ontvanger te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). De Rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met samenhang tussen de zaken BK-23/809, BK-23/812 en BK-23/813.
5.22.
Op grond van het bepaalde in artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is sprake van samenhangende zaken indien: (i) door een of meer belanghebbenden bezwaren zijn gemaakt of beroepen zijn ingesteld; (ii) de bezwaren of beroepen door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld; (iii) de beroepsmatige rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband; en (iv) de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
5.23.
Volgens belanghebbende is geen sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 2, Bpb. Hij klaagt er in wezen over dat niet is voldaan aan het vereiste dat de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
5.24.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank ten aanzien van de in 5.21 vermelde zaken terecht heeft geoordeeld dat die zaken ‘samenhangende zaken’ zijn in de zin van artikel 3, lid 2, Bpb. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat voor het beoordelen van de werkzaamheden van de rechtsbijstandsverlener geldt dat alleen acht wordt geslagen op de werkzaamheden die zijn verricht voor wat betreft de limitatief opgesomde proceshandelingen (HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439, BNB 2017/109, r.o. 2.3.3). Het andersluidende standpunt van belanghebbende dat alle werkzaamheden die hij in deze dossiers heeft verricht in de beschouwing moeten worden betrokken, moet derhalve worden verworpen. In het onderhavige geval waren in de beroepsfase dezelfde (rechts)vragen aan de orde, is gelijktijdig, bij één geschrift, beroep ingesteld en zijn de zaken gelijktijdig op zitting behandeld. De werkzaamheden van de gemachtigde zijn gelet op het voorgaande in elk van die zaken nagenoeg identiek geweest.
5.25.
Belanghebbende klaagt er verder over dat de Rechtbank een wegingsfactor van 0,5 heeft toegekend en stelt dat de Rechtbank gelet op de feitelijke en juridische complexiteit van de zaken op zijn minst een wegingsfactor 1 (gemiddeld) had moeten toekennen.
5.26.
Het Hof stelt voorop dat de vaststelling van de gewichtscategorie waarin een zaak valt, berust op waarderingen van feitelijke aard, waarbij de wegingsfactor genoemd in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Bpb wordt bepaald aan de hand van de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener en tevens door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang dat met het aanwenden van het rechtsmiddel is gemoeid (zie HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162, BNB 2022/128, r.o. 3.3, en HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, BNB 2011/265). Een afwijking van de wegingsfactor 1 (gemiddeld) vergt geen specifieke motivering (zie HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162, BNB 2022/128, r.o. 3.4).
5.27.
Het Hof ziet geen aanleiding om voor de beroepsfase uit te gaan van een hogere wegingsfactor dan is toegepast door de Rechtbank.