Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-10-30
ECLI:NL:GHDHA:2024:2016
Strafrecht
Hoger beroep
2,679 tokens
Inleiding
Rolnummer: 22-003804-23
Parketnummer: 10-180759-23
Datum uitspraak: 30 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 1 december 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1991,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis. Voorts is een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 30 maart 2023 te Maassluis [slachtoffer] heeft mishandeld door:
- die [slachtoffer] tegen/onder de kin te slaan (met zijn, verdachtes, vuist) en/of
- die [slachtoffer] tegen het lichaam te duwen, als gevolg waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, in het bijzonder omdat het tot een andere bewijsvoering komt. Ook zal het hof een andere beslissing nemen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.
Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 30 maart 2023 te Maassluis [slachtoffer] heeft mishandeld door:
- die [slachtoffer] tegen/onder de kin te slaan (met zijn, verdachtes, vuist) en/of
- die [slachtoffer] tegen het lichaam te duwen, als gevolg waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotitie – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster onbetrouwbaar dient te worden geacht en niet voor het bewijs kan worden gebruikt.
Het hof is van oordeel dat de aangeefster bij herhaling – waaronder ook in het bijzijn van de verdediging ten overstaan van de raadsheer-commissaris - in hoge mate consistent heeft verklaard over de gebeurtenissen van 30 maart 2023, over hoe de verdachte haar sleutels en telefoon had afgepakt, waarna hij haar begon te duwen toen zij deze probeerde terug te krijgen. Op een gegeven moment duwde de verdachte haar zo hard dat ze viel en op een kattenkrabpaal en vervolgens op de grond terecht kwam. Nadat zij weer overeind was gekomen sloeg de verdachte met zijn vuist tegen/onder haar kin. Ook verklaart zij dat zij ten gevolge van het een en ander letsel heeft opgelopen.
In dit verband is voorts van belang dat de voor het bewijs gebezigde verklaring van de aangeefster op relevante punten steun vindt in ander bewijs. Het hof kent daarbij in het bijzonder gewicht toe aan het letsel dat bij de aangeefster de dag erna door een forensisch arts is geconstateerd. De beschrijving van het letsel door deze arts past naar het oordeel van het hof bij de verklaring van de aangeefster en biedt daaraan de benodigde steun.
Uit hetgeen is aangevoerd door de raadsman noch uit het onderzoek ter terechtzitting zijn feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de door de aangeefster afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zouden zijn.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en voor het bewijs gebezigd kunnen worden. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft [slachtoffer], met wie hij eerder bevriend was en waar hij seks mee had, op de bewezenverklaarde wijze mishandeld en haar pijn en letsel bezorgd. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Huiselijk geweld heeft veelal een grote impact op slachtoffers en brengt gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee. Naar het oordeel van het hof dient er dan ook streng te worden opgetreden tegen huiselijk geweld.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 1 oktober 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Gelet op de andersoortige aard dan wel de gedateerdheid van die strafbare feiten zal het hof dat niet ten nadele van de verdachte meewegen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.000,-.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,- (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 maart 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, en mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. R.K. Pijpers, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 oktober 2024.