Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-10-10
ECLI:NL:GHDHA:2024:1993
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
9,400 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-23/455
Uitspraak van 10 oktober 2024
in het geding tussen:
[X] h.o.d.n. [X-1] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 april 2023, nummer SGR 22/1551.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd ten bedrage van € 827.
1.2.
De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 662. De Inspecteur heeft € 538 proceskosten vergoed.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep in gesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837;
draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden;
bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 274. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende zijn op 16 augustus 2024 (pleitnota), 27 augustus 2024 (pleitnota) en 28 augustus 2024 (volmacht) nadere stukken ingekomen.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in Den Haag op 29 augustus 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 5.137 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Audi A3 Sportback 2.5 TFSI RS3 Quattro (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 8 januari 2018.
2.2.
Belanghebbende heeft de in de aangifte vermelde handelsinkoopwaarde van € 19.024 gebaseerd op een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport). Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde vóór schade van (afgerond) € 48.013. De taxateur heeft deze handelsinkoopwaarde gebaseerd op het gemiddelde van 3 referentievoertuigen. Dit bedrag is verminderd met een bedrag van (afgerond) € 28.989 wegens schade. Dit is gelijk aan het totale bedrag aan reparatiekosten dat in het taxatierapport staat vermeld.
2.3.
De Inspecteur heeft de aangifte geselecteerd voor controle door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het rapport van DRZ is de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat vastgesteld op € 49.866. DRZ heeft dit gebaseerd op een koerslijst XRAY voor een margeauto. DRZ heeft een waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen van (afgerond) € 21.137 (78% van € 27.203).
2.4.
Bij brief van 10 juni 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen. De Inspecteur voert daartoe aan dat DRZ niet alle schade heeft aangetroffen die in het taxatierapport is vermeld, dat een deel van die schade slechts als normale gebruikssporen is aan te merken en dat in het taxatierapport ten onrechte 100% van de schade is afgetrokken. Belanghebbende wordt daarbij in de gelegenheid gesteld om op het voornemen te reageren. Belanghebbende heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De reactie van belanghebbende heeft de Inspecteur geen aanleiding gegeven om terug te komen op zijn voornemen. Bij brief van 19 juni 2020 heeft de Inspecteur daarom aan belanghebbende meegedeeld dat de naheffingsaanslag overeenkomstig het voornemen zal worden opgelegd.
2.5.
De Inspecteur heeft met dagtekening 17 juli 2020 de naheffingsaanslag opgelegd uitgaande van de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat zoals vastgesteld door DRZ. De verschuldigde bpm is aldus berekend op € 7.186. Rekening houdend met een extra leeftijdskorting van € 1.222 en het op aangifte betaalde bedrag van € 5.137 is de naheffingsaanslag vastgesteld op € 827.
2.6.
In de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur alsnog op grond van artikel 16a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 het tarief van het jaar 2017 toegepast. De verschuldigde belasting bedraagt aldus € 6.785. Uitgaande van een extra leeftijdskorting van € 986 en het op aangifte betaalde bedrag van € 5.137, heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 662. Verder heeft de Inspecteur een kostenvergoeding toegekend van € 538 (2 punten). Uit de kennisgeving vermindering van 8 februari 2022 volgt dat hierbij geen belastingrente is vergoed.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“8. Eiser stelt primair dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd omdat verweerder rekenfouten heeft gemaakt. Eiser heeft dit in het beroepschrift verder niet cijfermatig onderbouwd en gaat daarbij overigens uit van onjuiste gegevens. In de pleitnota heeft eiser aangevoerd dat verweerder bij de uitspraak op bezwaar dezelfde extra leeftijdskorting had moeten toepassen als hij bij de naheffingsaanslag heeft gedaan. Nu de extra leeftijdskorting een percentage is van de verschuldigde belasting, brengt een wijziging in de verschuldigde belasting tevens een wijziging van de extra leeftijdskorting mee. De stelling van eiser dat die extra leeftijdskorting ongewijzigd dient te blijven, is dan ook onjuist. Eiser heeft verder geen gronden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de bij de uitspraak op bezwaar toegepaste extra leeftijdskorting op een onjuist bedrag is berekend.
9. De bewijslast voor de aanwezigheid van de schade en de omvang daarvan rust op eiser. Ook is het aan eiser om aannemelijk te maken dat de waardevermindering wegens schade op een hoger percentage moet worden vastgesteld dan het percentage van 78% dat door verweerder, in navolging van DRZ, in aanmerking is genomen. Daarin is hij niet geslaagd. DRZ heeft de schade vermeld in het taxatierapport slechts gedeeltelijk aangetroffen en verder vastgesteld dat een deel van de schade slechts normale gebruikssporen betreft. Het taxatierapport bevat verder geen informatie over de reden waarom in dit geval de schade volledig in mindering zou moeten worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. Ook overigens heeft eiser daarvoor geen argumenten aangedragen. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is daarvoor onvoldoende.
10. In de pleitnota heeft eiser aangevoerd dat DRZ niet van de X-ray koerslijst had moeten uitgaan maar van de koerslijst Eurotaxglass’s met een vermindering van 15% wegens markt- en dealersituatie. Zoals het gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 22 december 2021[1], dient te worden onderbouwd waarom in een specifiek geval reden is voor een dergelijke vermindering. Eiser heeft daartoe niets aangevoerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding niet uit te gaan van de handelsinkoopwaarde zoals die door DRZ is vastgesteld.
11. Eiser heeft verder in de pleitnota aangevoerd dat DRZ bij de schadeberekening is uitgegaan van een te laag uurtarief en dat dit eerder op € 130 inclusief BTW gesteld moet worden. Eiser heeft dit verder niet onderbouwd zodat de rechtbank geen aanleiding ziet de schade om die reden op een hoger bedrag vast te stellen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de taxateur van eiser is uitgegaan van een veel lager uurtarief van € 59,95 exclusief BTW.
12. Gezien het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, dan wel bij de uitspraak op bezwaar op een lager bedrag vastgesteld had moeten worden.
13. Bpm moet op aangifte worden voldaan. Indien een dergelijke voldoeningsbelasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) de te weinig geheven belasting naheffen.
Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat naheffing nadat het belastbaar feit heeft plaatsgevonden in strijd is met artikel 110 VWEU.
14. Van schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel en/of artikel 47 van het Handvest is geen sprake. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor expliciet uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit artikel 47 van het Handvest. Verweerder heeft eiser bij brief van 10 juni 2020 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen, daarbij vermeld hoe hoog die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten, van welke gelegenheid hij overigens ook gebruik heeft gemaakt. Aldus heeft verweerder gehandeld overeenkomstig het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel.
15. Eiser heeft gesteld dat DRZ geen onafhankelijke deskundige is en het door DRZ opgestelde rapport daarom niet gebruikt kan worden bij de waardebepaling van de auto. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto.
Geschil
4.1.
In geschil is of de uitspraak van de Rechtbank juist is. Meer specifiek is in geschil of:
de Nederlandse rechter bevoegd is om het geschil te beslechten;
belanghebbende recht heeft op een hogere schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn;
de rechten van de verdediging zijn geschonden, doordat voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag geen gelegenheid is geboden om mondeling te worden gehoord;
recht bestaat op 15% aftrek voor markt- en dealersituatie (correctiefactoren uit de koerslijst EurotaxGlass’s);
het afschrijvingspercentage onjuist is;
het hanteren van het afschrijvingspercentage van 72 in strijd is met het Unierecht;
het Unierecht de lidstaten verbiedt om voorafgaand aan de behandeling en de uitspraak griffierecht te heffen;
belanghebbende recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding;
in bezwaar het juiste tarief is toegepast.
Verder klaagt belanghebbende over het belemmerend effect van het griffierecht en maakt hij aanspraak op een hogere schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, primair tot vernietiging en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag, en tot vergoeding van de werkelijke proceskosten, het griffierecht en een passende rentevergoeding over het griffierecht. Voorts verzoekt belanghebbende om een hogere immateriëleschadevergoeding dan de Rechtbank al heeft toegekend.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
Schending rechten van de verdediging
5.1.
Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat uit het Unierecht zou voortvloeien dat een belanghebbende mondeling moet kunnen worden gehoord voordat een bezwarend besluit wordt genomen. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het voornemen en dat is voldoende.
Bpm
5.2.1.
Belanghebbende betoogt dat naheffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige auto, in zijn algemeenheid in strijd is met het Unierecht. Dit betoog kan niet slagen. Te weinig geheven bpm kan op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan. Het opleggen van een naheffingsaanslag in de bpm aan de koper van een dergelijk motorvoertuig, vormt geen schending van artikel 110 VWEU voor zover die naheffingsaanslag niet leidt tot een hoger bedrag aan bpm dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op gebruikte, in het binnenland geregistreerde motorvoertuigen (HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2). Dat in het onderhavige geval daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken.
5.2.2.
Belanghebbende maakt voorts aanspraak op een aftrek van 15% (markt- en dealersituatie) op de handelsinkoopwaarde op basis van de koerslijst EurotaxGlass’s. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:422) volgt dat het in beginsel is toegestaan om in de bezwaar- en/of (hoger) beroepsfase alsnog te kiezen voor een andere in of bij de wet voorziene methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan voor de berekening van de bpm, mits voor het vaststellen van de juistheid ervan geen (tweede) controle van het voertuig nodig is, zodat een vergelijking van de aangedragen gegevens en de bij de aangifte gebruikte gegevens volstaat om vast te stellen of het bij de aangifte gebezigde afschrijvingspercentage te laag is geweest. Naar het oordeel van het Hof doet zich deze situatie zich niet voor. Belanghebbende heeft immers niet een koerslijst ingebracht, maar een waardebepaling door een taxateur (zie 2.2). Het Hof is op die grond van oordeel dat belanghebbende zonder nadere of aanvullende verklaring van de taxateur niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij de bepaling van de handelsinkoopwaarde ten onrechte geen correctie van 10% (dealersituatie) respectievelijk 5% (marktsituatie), totaal derhalve van 15%, in aanmerking is genomen. Bij een individuele taxatie van een voertuig is de specifieke toestand van het voertuig van belang, en is geen plaats voor het in aanmerking nemen van algemene (waardeverminderende) omstandigheden.
5.2.3.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het afschrijvingspercentage niet juist is, omdat de Inspecteur bij de berekening van de historische nieuwprijs is uitgegaan van een onjuist bedrag aan bruto bpm. Dit standpunt is juist, wat betekent dat de naheffingsaanslag verder met € 95 dient te worden verminderd. Het Hof verwerpt de tegenwerping door de Inspecteur dat verhoging van de historische nieuwprijs betekent dat de handelsinkoopwaarde eveneens op een hoger bedrag moet worden vastgesteld. De Inspecteur heeft voor dit standpunt geen concrete aanwijzingen aangedragen. Het komt het Hof, zonder nadere onderbouwing, niet aannemelijk voor dat een koper voor een auto met een hogere CO2-uitstoot meer zou willen betalen dan voor een overigens vergelijkbare schonere auto.
5.2.4.
Belanghebbende betwist dat het percentage van de schade van 72 dat standaard in aftrek komt, in overeenstemming is met het Unierecht. Primair betoogt belanghebbende dat 100% van de schade in aftrek komt en subsidiair betoogt belanghebbende dat het percentage niet is onderbouwd, zodat het niet aan hem kan worden tegengeworpen. Het Hof verwerpt beide standpunten. De bewijslast rust op belanghebbende (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, r.o. 2.3.4 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Als hij meent dat 100% van de schade voor aftrek in aanmerking komt, is het aan hem om dat te onderbouwen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Het percentage van 72 is te beschouwen als een gemiddelde, gebaseerd op onderzoek naar de invloed van schade op de handelswaarde van voertuigen. De Inspecteur hoeft dit percentage niet te onderbouwen. Het Hof wijst belanghebbende erop dat in dit geval overigens 78% van de schade in aanmerking is genomen.
5.2.5.
De naheffingsaanslag dient te worden verminderd met € 95 (zie 5.2.3).
Verzoek vergoeding van immateriële schade
5.3.
De Rechtbank heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld volgens de door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten. Dit betekent dat geen recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan, anders dan belanghebbende stelt, niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.000 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd. Voor hoger beroep heeft te gelden dat de redelijke termijn, gelet op de uitspraakdatum per heden en zoals belanghebbende ter zitting ook heeft erkend, nog niet is verstreken.
Griffierecht
5.4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierecht de lidstaten verbiedt om voorafgaand aan de behandeling en de uitspraak griffierecht te heffen. Het Hof ziet dit anders en verwerpt dit standpunt. Het Hof motiveert deze beslissing als volgt.
5.4.2.
De bpm is een nationale belasting en het staat de lidstaten vrij nationale belastingen te heffen, mits, indien van toepassing, het Unierecht wordt gerespecteerd. Voor de bpm geldt als belangrijkste uitgangspunt dat artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een hogere belasting op uit andere lidstaten afkomstige gelijksoortige goederen verbiedt. Voor zover het om procedurele en formele regels gaat, zijn de lidstaten vrij deze zelf te bepalen; het Unierecht voorziet niet in een stelsel voor heffing en inning van nationale belastingen of in effectieve rechtsbescherming.
Conclusie
5.7.
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.248 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) à € 624 x 1 (gewicht van de zaak) (vgl. HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060).
6.2.
Het Hof stelt de kosten voor de beroepsfase vast op € 1.750 (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 875).
6.3.
Het Hof stelt de kosten voor de hogerberoepsfase vast op € 1.750 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 875).
6.4.
Voorts dient het door belanghebbende betaalde griffierecht in hoger beroep te worden vergoed. Het Hof laat de beslissing omtrent de vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht van de Rechtbank in stand.
Dictum
Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de schadevergoeding, de vergoeding van het griffierecht en de wettelijke rente;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag tot € 567;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 4.748;
gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 274 vergoedt;
bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 10 oktober 2024 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Feiten
Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. Het door eiser aangehaalde arrest van het HvJ EU van 3 oktober 2019[2] leidt niet tot een ander oordeel. Zelfs als gesteld zou kunnen worden dat de Europese aanbestedingsregels zijn geschonden, betekent dat nog niet dat aan de bevindingen van DRZ voorbij zou moeten worden gegaan. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat sprake is van strijd met het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid omdat eiser wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een derde deskundige waarbij tal van voorwaarden gelden, terwijl voor de taxateur van DRZ die voorwaarden niet gelden. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 15 juli 2021[3] waarin onder meer het volgende is overwogen:
5.6.2.
Het Hof herhaalt dat het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat er waardeverminderende omstandigheden zijn (…). Belanghebbende heeft hiertoe een taxatierapport ingebracht. Het staat de Inspecteur vrij te beslissen of hij de inhoud van dit rapport wil betwisten en, zo ja, hoe hij dit doet. In het onderhavige geval hebben beide partijen een taxatierapport ingebracht. Partijen strijden met gelijke wapens, zodat het standpunt van belanghebbende feitelijke grond ontbeert. (…). De eis dat de belastingplichtige wel over een taxatierapport van een onafhankelijke deskundige beschikt, vindt zijn grond in een behoefte aan objectiviteit en kwaliteit en de vrees voor samenspanning, waarbij de deskundige een eigen belang heeft bij het zo laag mogelijk vaststellen van de BPM.”
16. Eiser heeft in het pro forma beroepschrift verzocht om een rentevergoeding. De rechtbank vat dit, mede gezien het feit dat eiser afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt tegen de kennisgeving vermindering van 8 februari 2022, op als stelling dat verweerder over de vermindering van de naheffingsaanslag rente had moeten vergoeden. Vaststaat dat bij de naheffingsaanslag geen rente in rekening is gebracht, van vermindering van eerder in rekening gebrachte belastingrente kan dan ook geen sprake zijn. Zoals uit artikel 30ha, tweede lid, van de Awr volgt, is verweerder ook niet gehouden een rentevergoeding toe te passen op de vermindering van de naheffingsaanslag. Voor zover eiser de naheffingsaanslag reeds heeft voldaan en om die reden een teruggaaf van Bpm plaatsvindt, kan slechts sprake zijn van een vergoeding van invorderingsrente. Eiser dient zich daarvoor te wenden tot de ontvanger.
17. Eiser stelt voorts dat verweerder ten onrechte niet de werkelijke kosten voor bezwaar heeft vergoed, omdat hij daartoe op grond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verplicht is. Die stelling vindt geen steun in het recht. Het HvJ EU heeft nergens gezegd dat in een geschil dat wordt beheerst door het Unierecht, altijd en overal de volledige proceskosten moeten worden vergoed. Eiser heeft ook niet gesteld dat door de proceskosten het hem onmogelijk of uiterst moeilijk is gemaakt om een beroep te doen op het Unierecht.
18. Gelet op het voorgaande, is het beroep ongegrond verklaard.
19. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
20. Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Daarnaast is volgens de gemachtigde het griffierecht zodanig hoog dat het een drempel vormt voor toegang tot de rechter met name in vergelijking tot het financiële belang van de zaken. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt.[4] Eiser heeft geen beroep op betalingsonmacht gedaan, zodat ook niet aannemelijk is dat de hoogte van het griffierecht een daadwerkelijk obstakel vormt voor toegang tot de rechter.
21. Eiser heeft in de pleitnota verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro forma) bezwaarschrift is op 10 augustus 2020 door verweerder ontvangen. De rechtbank doet op 13 april 2023 uitspraak, zodat de bezwaar- en beroepsfase twee jaar en (naar boven afgerond) negen maanden heeft geduurd. Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000. Aangezien verweerder op 4 februari 2022 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is de termijnoverschrijding geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase. Verweerder dient daarom de schade te vergoeden.
22. Nu aan eiser een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor van 0,5 omdat de kostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, vindt het standpunt van eiser dat aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, geen steun in het recht.
23. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht aan eiser te laten vergoeden. Eiser verzoekt om een rentevergoeding over het griffierecht. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Slechts indien de vergoeding niet aan eiser wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van de uitspraak van de rechtbank, heeft hij recht op vergoeding van de wettelijke rente.
1. ECLI:NL:GHDHA:2021:2638.
2 ECLI:EU:C:2019:829.
3 ECLI:NL:GHDHA:2021:1404.
4 Vgl EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579.”
Overwegingen
Het is vaste jurisprudentie dat regels van formeel en procedureel recht moeten voldoen aan twee beginselen: het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.
5.4.3.
Zo is aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) de vraag voorgelegd of een nationale regeling die de volgende kenmerken bevat, in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel (HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:565, punten 70 tot en met 78):
- ten eerste de regel dat, op dat gebied, de ontvankelijkheid van een verzoek in kort geding of een beroep afhangt van betaling, door de justitiabele, van vaste griffierechten, zodat dat verzoek of beroep slechts kan worden behandeld nadat die rechten zijn voldaan;
- ten tweede de regel dat, op dat gebied, voor een verzoek in kort geding dat met een beroep ten gronde wordt ingediend een specifiek vast griffierecht moet worden voldaan; en
- ten derde de regel dat, op dat gebied, de vaste griffierechten niet bij administratief besluit worden opgelegd, zodat tegen die griffierechten niet kan worden opgekomen bij een gerecht met volledige rechtsmacht.
5.4.4.
Het HvJ EU besliste dat deze nationale regeling niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Voor de Nederlandse regeling geldt dat deze van toepassing is in alle zaken, wat een verschil is met de aan het HvJ EU voorgelegde regeling en maakt dat van schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel in Nederland ook geen sprake is. Uit het eerdere arrest van 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:655, punten 43 tot en met 45, kon reeds worden afgeleid dat betaling van het griffierecht bij het instellen van het beroep geen schending vormt van het doeltreffendheidsbeginsel, omdat dit de toegang tot de rechter niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. Niet kan worden gezegd dat de hoogte van het griffierecht in het onderhavige geval een belemmering voor belanghebbende vormt. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Er bestaat evenmin aanleiding om rente te vergoeden over de periode tussen de betaling en de uitspraak. Vooraf heffen is immers niet in strijd met een hogere rechtsorde.
Unierecht
5.5.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank niet bevoegd is om de beslissingen te nemen die zij heeft genomen, zonder het HvJ EU prejudiciële vragen te stellen.
5.5.2.
Belanghebbende stelt dat het Hof niet bevoegd is om het Unierecht uit te leggen. Belanghebbende verwijst naar het hoofdstuk in het VWEU over het HvJ EU en naar diens rechtspraak, waaruit zou volgen dat uitsluitend de hoogste Unierechter bevoegd zou zijn het Unierecht uit te leggen. Dit standpunt van belanghebbende is juridisch niet juist en praktisch onuitvoerbaar. Het Hof is, net als de Rechtbank, gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw, verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren. Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt het Hof zich en het is het Hof niet gebleken dat de Rechtbank dit niet heeft gedaan. Over hetgeen belanghebbende over de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen.
5.5.3.
Belanghebbende heeft aandacht gevraagd voor de wenselijkheid van dan wel de verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU. Het Hof is, als instantie tegen wiens uitspraken cassatie kan worden ingesteld bij de Hoge Raad, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en is tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
Overige geschilpunten
5.6.1.
Het Hof sluit zich aan bij de beslissing van de Rechtbank over de vergoeding van wettelijke rente bij te late betaling. Of de betaling al dan niet tijdig is geschied, is voor de onderhavige procedure niet relevant. Dat is een civiele kwestie. Het Hof zal bepalen dat de termijn voor het berekenen van wettelijke rente voor bedragen die als gevolg van deze uitspraak aan belanghebbende toekomen, gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak. Dit geldt niet voor de teruggaaf van bpm. Voor vergoeding van rente over een belastingteruggaaf dient belanghebbende zich tot de ontvanger te wenden.
5.6.2.
Belanghebbende heeft voorts het standpunt ingenomen dat het per 1 januari 2024 geldende cessieverbod (voor bpm- en WOZ-zaken) in strijd is met het Unierecht. Het Hof volstaat met de constatering dat het cessieverbod een civiele aangelegenheid is.
5.6.3.
Hetgeen de gemachtigde van belanghebbende ter zitting heeft gesteld over de prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632) is, zoals de gemachtigde heeft erkend, niet van belang voor dit hoger beroep.
5.6.4.
Belanghebbende komt op tegen de hoogte van de in verband met de schadevergoeding door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 837. De Rechtbank heeft een vergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) toegekend, terwijl belanghebbende stelt dat hij op grond van het Unierecht aanspraak heeft op een hogere vergoeding ofwel vergoeding van de werkelijke proceskosten (een integrale proceskostenvergoeding). De Rechtbank heeft dat verzoek in overweging 22 van haar uitspraak op goede gronden afgewezen. Het Hof sluit zich daarbij aan. De door de Rechtbank toegekende vergoeding is gelet op de aanleiding voor de toekenning hiervan niet te laag.
5.6.5.
Belanghebbende heeft, gelijk hij terecht in hoger beroep heeft aangevoerd, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, recht op een hogere vergoeding voor de bezwaarfase.