Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-08-20
ECLI:NL:GHDHA:2024:1774
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
670 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/646bis
Uitspraak van 20 augustus 2024 ter herstel van de uitspraak van 10 juli 2024
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.J.J.G. Fernandes)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rijswijk, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
gedaan ter verbetering van de uitspraak van dit Hof van 10 juli 2024, nr. BK-23/646, inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 mei 2023, nummer SGR 22/1104.
De uitspraak in het hoger beroep
1.1.
Het Hof heeft in deze zaak op 10 juli 2024 uitspraak gedaan. Nadien heeft belanghebbende het Hof gewezen op een omissie in het dictum.
1.2.
Het Hof heeft de Heffingsambtenaar onder rechtsoverwegingen 5.3 tot en met 5.13 veroordeeld tot vergoeding van een immateriële schade van € 500, maar dit abusievelijk niet in het dictum vermeld. Naar het oordeel van het Hof is sprake van een kennelijke fout die zich leent voor herstel door middel van de onderhavige hersteluitspraak.
1.3.
Herstel van deze misslag brengt mee dat het dictum van de uitspraak van 10 juli 2024 als volgt komt te luiden:
“Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover de Rechtbank daarin geen beslissing heeft genomen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade;
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
veroordeelt de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 500;
veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 218,75;
gelast de griffier het voor hoger beroep betaalde griffierecht van € 136 terug te storten.
Dictum
Het Gerechtshof herstelt de uitspraak van 10 juli 2024, nr. BK-23/646, op de hiervoor onder 1.3 vermelde wijze.
Deze uitspraak is vastgesteld door W.M.G. Visser, H.A.J. Kroon, en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 20 augustus 2024 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: